Vragen rond de jaarwisseling (6)

Winckelmann, “Steigbügel der Alten”

Stuur uw vragen maar in, schreef ik, en wie weet of ik ze beantwoorden kan rond oud en nieuw. Eerdere afleveringen hier, hier, hier, hier en hier.

27. Vraag via Twitter: Waarom gebruikten de Romeinen lood in hun waterbuizen terwijl ze wisten van het gevaar voor gezondheid?

Voor zover ik weet wisten ze niets over het gevaar van loodvergiftiging. Dus het antwoord op de vraag is: onwetendheid.

28. Vraag via de blog: Hoe klim je in zware wapenrusting op een paard zonder stijgbeugels? Is dat puur een kwestie van spierballen?

Ik denk dat het belangrijk is te bedenken dat de paarden in de Oudheid wat kleiner waren dan tegenwoordig. De twaalf paarden waarvan de botten zijn opgegraven in Valkenburg, hadden schofthoogtes tussen de 130 en 152 centimeter. Wij zouden het pony’s noemen. Marcus Junkelmann, die veel onderzoek heeft gedaan naar Romeinse ruiterij, benutte Camargue-paarden.

Bij een demonstratie heb ik gezien dat de re-enactors met een voetenbankje op hun paard kwamen. Een reliëf uit Trier toont een ruiter die, misschien met een aanloop, van achteren op het paard springt. Bovenstaande gravure komt uit Winckelmanns Kunst des Altertums en ik sta niet in voor de accuratesse.

29. Vraag via de mail: waar moet een lezer op letten wanneer men oudere publicaties leest?

Dat is een van de vragen waar ik zelf ook vaak over nadenk. Neem de verwoesting van een stad aan het einde van de Bronstijd. De opgravers kunnen vijftig jaar geleden hebben gezegd dat de Zeevolken de stad hadden geplunderd, wat ze dan baseerden op de datering. Grote kans dat iemand nu alleen de conclusie “Zeevolken” ziet en niet ziet dat inmiddels met andere dateringstechnieken een ander moment voor verwoesting kan zijn vastgesteld. Ander voorbeeld: allerlei rotsschilderingen in de Sahara zijn betrekkelijk jong gedateerd, vanuit de aanname dat schilderkunst een Griekse uitvinding was. De rotsschilderingen konden onmogelijk ouder zijn dan de Griekse kolonisatie. Dat lees je her en der nog weleens, maar we weten al heel lang dat ze feitelijk veel ouder zijn.

Het grote probleem is dat aannames die ooit vanzelfsprekend waren, vaak onvermeld blijven. Het boek Pagan and Christian in an Age of Anxiety van Eric Dodds dateert uit 1965 en vermeldt nergens dat de auteur weleens een existentialistische filosoof heeft gelezen. De hele analyse staat en valt ermee – maar je moet er iets van weten om het te herkennen. (Oké, de titel bevat een weggever.) Ik blogde laatst over twee boeken die oude hypotheses als feit aannamen en zeker in het eerste geval had ik de indruk dat de auteur niet realiseerde dat hij als feit aannam wat een hypothese was.

Wat te doen? Ik weet het niet goed. Maar het beste is, denk ik, om je ervan bewust te zijn dat elke wetenschappelijke publicatie tijdgebonden is. Lees een ideeëngeschiedenis van de twintigste eeuw.  En ook: lees niet alleen oude vakliteratuur, maar kijk ook naar de vakliteratuur waar die naar verwijst. Tot slot: zorg dat je weet wat collega-oudheidkundigen doen.

En nu ik toch goede raad geef: volgens mij kan een artikel dat alleen maar Engelse vakliteratuur citeert, veilig worden genegeerd. Er zullen wat uitzonderingen zijn, maar wat je mist door zo’n eentalig artikel te negeren, wordt ruimschoots vergoed door wat je wint door meertalige stukken te lezen.

30. Vraag via de mail: Wat hebben we aan de Oudheid?

Weinig. En dat is niet erg. Je gaat ook niet vragen naar de zin van een boswandeling of concertbezoek. De bestudering van de Oudheid is gewoon leuk. En daar is niks mis mee.

Claims dat onze cultuur teruggaat op de antieke beschavingen, zijn sociaalwetenschappelijk van aard en moeten sociaalwetenschappelijk worden onderbouwd. Soms kan dat (voorbeeld, voorbeeld) maar meestal blijft zo’n bewering hangen in het luchtledige.

Een relevantieclaim die ik meer hout vind snijden is dat oudheidkunde een vaardigheid biedt, namelijk denken over wat je niet weet. Er zijn known unknowns, zoals de vraag hoe het christendom is aangekomen in Egypte en daar in de tweede eeuw een ontploffing van nieuwe ideeën kon zijn. We weten dat er iets is maar weten niet wat. Er zijn unknown unknowns, zoals de ontdekking dat de mensheid hypermobiel is geweest: we wisten niet dat we iets belangrijks niet wisten. En er zijn unknown knowns, zoals de archeoloog die me laatst voorhield dat alleen archeologen uitspraken kunnen doen over gewone mensen. Dan weet je dus niet genoeg van wat oudhistorici weten.

Ik wil niet beweren dat ik volmaakt weet wat ik niet weet, en niemand van u zal het beweren. Maar we kunnen vragen stellen, antwoorden zoeken en die weer opgeven als we iets anders te weten komen.

Deel dit:

18 gedachtes over “Vragen rond de jaarwisseling (6)

  1. FrankB

    @29: Bedenk dat wetenschap vooruitgang boekt en alle theorieën dus achterhaald kunnen blijken. Voorbeeld: pas vorig jaar leerde ik dat het populaire “de Oerknal is een singulariteit, waarin de natuurkundige formules niet van toepassing zijn” niet klopt – de consensus van natuurkundigen is al een jaar of veertig dat de dichtheid (soortelijke massa) van ons Heelal nooit oneindig is geweest. De kunst is dus op gezond sceptisch te zijn. Om dat aan te leren is geschiedkunde heel geschikt. Ik smul er altijd van als de deskundigen onder ons JonaL tegenspreken.

    1. Dirk Zwysen

      Voor mijn mentaal welzijn heb ik heel veel aan boswandelingen, concerten en lezen over de oudheid. Het zou mooi zijn als dit meer erkend (en daardoor ondersteund) zou worden door de overheid.

      1. Dat laatste weet ik dus niet. Zo snel de overheid dingen gaat financieren, ontstaan problemen. Er komen subsidieprocedures en die breiden zich uit. Er ontstaat een klasse mensen die boswandelingen, concerten en de Oudheid gaan “doen” omdat er geld mee te verdienen valt, en die zorgen ervoor dat de mensen die het feitelijk het beste kunnen, worden gemarginaliseerd.

        Een oplossing weet ik niet.

            1. Frans Buijs

              Die term is verzonnen door Geert Wilders, dus dan weet je waarschijnlijk wel welke kant je op moet denken.

          1. Ben Spaans

            Boswandelingen subsidiëren?
            Volgens mij bedoelt Dirk alleen het bevorderen van kennisvergaring over de Ouheid.

            1. Dirk Zwysen

              Ik bedoel eigenlijk dat de overheid geld dat naar cultuur, wetenschap, natuur en de ontsluiting ervan gaat, zou kunnen zien als investeringen in de mentale gezondheid van de maatschappij en niet als vervelende kostenposten die telbare winst opleveren.
              Misschien stap ik dan onterecht mee in een utilitaire visie die in alles nut wil zien om er waarde aan toe te kennen, maar soms vrees ik dat dat de enige taal is die de huidige beleidsmakers begrijpen.

  2. Huibert Schijf

    “En nu ik toch goede raad geef: volgens mij kan een artikel dat alleen maar Engelse vakliteratuur citeert, veilig worden genegeerd.” Dat hangt ook af van de discipline. Engelstalige sociologie- artikelen met alleen Engelse verwijzingen vind ik geen probleem. Maar publicaties met meertalige verwijzingen hebben zeker voordelen. Je kunt er zelfs om geprezen worden, weet ik uit ervaring. Een nadeel is een beetje onverwachts: het biedt lezers indirect toegang tot artikelen die ze zelf niet kunnen lezen, maar die wel in hun eigen werk citeren. Soms zijn auteurs echter fatsoenlijk genoeg om er ‘geciteerd bij’ aan toe te voegen.

    1. Huibert Schijf

      Er valt nog iets aan toe te zeggen, althans zo kijk ikzelf er naar. Als de auteur van het Engelstalige artikel een Amerikaan of Engelsman is dan kun je er tamelijk zeker van zijn dat de schrijver geen literatuur in andere talen kan lezen. (Ja, ik ken allerlei uitzonderingen.) Als de schrijver een Europeaan is dan kent hij vast literatuur in zijn moedertaal, maar zal voor de internationale toegankelijkheid die artikelen van landgenoten aanhalen die ook ook in het Engels zijn gepubliceerd. Vuistregel: bestudeer bij een Amerikaanse of Engelse auteur altijd eerst grondig de literatuurlijst om te zien hoe provinciaals de auteur.

  3. Maurice Vanbellinghen

    Lood… Op Wikipedia staat een stuk getiteld “Histoire du saturnisme”. Waarin ik lees dat de Romeinen, althans toch sommigen, zich wel degelijk bewust waren van het gevaar van lood in water.

  4. “28. Vraag via de blog: Hoe klim je in zware wapenrusting op een paard zonder stijgbeugels? Is dat puur een kwestie van spierballen?”

    De Romeinen gebruikte een zadel met ‘hoorns’. Met een knietje van een collega of zelfs zonder is het mogelijk om zo vrij gemakkelijk ‘in het zadel’ te komen.
    Onze Jurjen laat hieronder (11.18) zien dat een cataphract wel een hulpje kon gebruiken.

    1. Frans Buijs

      Bedankt, dat was zo’n beetje wat ik zocht. Ik had er al bij gezegd dat re-enactors waarschijnlijk wel een antwoord zouden weten.

  5. Bert van der Spek

    Bij 30: over nut. Voordat je de vraag beantwoordt naar het nut van oudheidkunde, moet je eerst uitleggen wat je met nut bedoelt. Is er überhaupt wel nut? De wereld is er, of die nu toevallig ontstaan is of geschapen door God, en dat is het dan. Het is wat het is. Dat de mens er is, is op zichzelf niet nuttig. Wel kan de mens iets aan zingeving doen. Dat kan b.v. door iets te doen aan geschiedenis (waaronder oudheidkunde valt). Stuide daarvan is leuk, zoals Jona al zei, dus als je genotsbeleving nuttig vindt, is dat nuttig. Als je nieuwsgierigheid nuttig vindt, is het goed te weten hoe het komt dat de mensheid leeft, zoals die nu leeft. Als je een gezonde economie nuttig vindt, kan het nuttig zijn te kijken in welke omstandigheden het effectief was en is geld in de economie te stoppen of juist niet; hoe de markt werkt. Geschiedenis is het laboratorium van de economen. Als je het nuttig vindt in een democratie te leven, kan het nuttig zijn te kijken hoe democratieën ontstaan zijn en weer verdwenen. En geschiedenis is een moeilijk vak. Kun je beter niet aan kwakzalvers overlaten. Iets meer hierover in mijn column in Skript 2016/7: https://www.academia.edu/32067831/Het_nut_van_geschied_wetenschap_The_value_of_historical_research_

Reacties zijn gesloten.