De jongeling van Naïn

Jezus en de jongeling van Naïn (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb het punt tot vervelens toe gemaakt – op deze blog, in boeken, in lezingen en Joost mag weten waar niet meer – en ik maak het nog eens: tekstuitleg zonder kennis van de archeologie is net zo zinloos als archeologie zonder begrip van de oude teksten. En om het punt ten overvloede te illustreren, is hier, op de dag van Allerzielen, het verhaal van de jongeling van Naïn:

Jezus ging naar een stad die Naïn heet, en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met hem mee. Toen hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een vrouw die ook al weduwe was. Een groot aantal mensen vergezelde haar. Toen de heer haar zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: “Weeklaag niet meer.”
Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan – de dragers bleven stilstaan – en zei: “Jongeman, ik zeg je: sta op!”
De dode richtte zich op en begon te spreken, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: “Een groot profeet is onder ons opgestaan,” en: “God heeft zich over zijn volk ontfermd!”
Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omtrek.noot Lukas 7.11-17; NBV21.

Is dit een waar gebeurd verhaal? Om zoiets vast te stellen, gebruiken oudheidkundigen een stuk of wat criteria, zoals het criterium van de gêne: informatie die geen goed licht werpt op de over te brengen boodschap was blijkbaar te algemeen bekend om te worden onderdrukt. Ook is er het criterium van de meervoudige attestatie: iets dat in meerdere bronnen staat, is plausibeler dan als het maar in één bron staat. Dit verhaal is maar één keer gedocumenteerd, alleen bij de evangelist Lukas, dus het heeft de schijn tegen. Gênant is het ook al niet, en ook aan de andere criteria voldoet het niet. Als we de tekst als tekst bekeken, zouden we concluderen dat we niet kunnen vaststellen dat dit verhaal echt is gebeurd.

Sterker nog, het opwekken van de dode zonen van weduwen is een literair motief. De profeet Elia wekte bijvoorbeeld het kind op van een dame uit Sarefat, een pottenbakkersdorpje halverwege Tyrus en Sidon.noot 1 Koningen 17.22. Elia’s opvolger Elisa deed hetzelfde voor een weduwe in Sunem.noot 2 Koningen 4.32-37. Voor de lezer die nog niet in de gaten mocht hebben dat Lukas zijn portret van Jezus modelleert op de grote profeten, maakt de evangelist het in de conclusie expliciet: “Een groot profeet is onder ons opgestaan.”

Kortom, een literaire compositie zonder veel historische betrouwbaarheid. Maar er is een detail dat een ander licht werpt op de zaak: de dode wordt bij de stadspoort naar buiten gedragen. Je leest er haast overheen, want het is gewoon logisch dat de doden buiten de bebouwde kom werden begraven. Het Romeins Recht schreef dat zelfs voor. Maar het leuke is: archeologen hebben die stadspoort opgegraven, ik meen ergens begin jaren tachtig. Het was zelfs een opvallend massief verdedigingswerk.

En nu is het leuke: stadsmuren waren in Herodiaans en Romeins Judea niet gebruikelijk. Echt grote steden, zoals Jeruzalem, hadden ze natuurlijk wel. Maar Naïn was een vlek op de landkaart. Het is ook geen detail dat Lukas, die een halve eeuw en een Joodse Opstand na de gebeurtenissen schreef, en vermoedelijk schreef in een stad als Antiochië of Efese, kan hebben geweten. (Probeer als hedendaagse Amsterdammer of Antwerpenaar eens te weten of Sint-Andries een stadspoort heeft.)

Kortom, dankzij de archeologie herkennen we een authentiek detail in Lukas’ verhaal. Dat wil niet zeggen dat dit echt is gebeurd. Zoiets valt niet te weten. Het wil alleen zeggen dat Lukas oudere informatie benutte. We mogen aannemen dat het verhaal al tijdens Jezus’ leven de ronde deed, en dat is, gegeven het weinige dat we over de oude wereld weten kunnen, eigenlijk al heel erg veel.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]


Het lot van Henoch

april 27, 2016

Kara Tepe

oktober 3, 2015
Deel dit:

10 gedachtes over “De jongeling van Naïn

  1. Dirk Zwysen

    Ik zou toch het voorbehoud maken dat ook dit element verwijst naar Elia, die de weduwe leerde kennen bij de stadspoort van Sarefat.

    1. Gert M. Knepper

      Inderdaad, het verhaal over de jongeling van Naïn wemelt van de toespelingen op het verhaal van Elia en de weduwe van Sarefat, en vermelding van de stadspoort is er daar een van. Een plausibele hypothese is m.i. dat Lukas een traditie over een opwekking situeert in Naïn, omdat hij de stadspoort aldaar (waarvan hij het bestaan kende) goed kon gebruiken.

  2. De verwijzing naar het verhaal van Elia en de weduwe van Sarefat is duidelijk, want het ‘en hij gaf hem terug aan zijn moeder’ bij Lukas is een letterlijk citaat uit 1 Koningen 17,23 (Septuagint). En Dirk Zwysen maakt zeker ook een punt: die stadspoort is een tweede parallel. Hier zie je dus een veel voorkomende verteltechniek in de bijbel: verhalen communiceren onderling, soms als bevestiging, soms juist als kritisch commentaar.

  3. John Meier schrijft (vertaald): “Toch ben ik (met enige aarzeling) geneigd te stellen dat het verhaal teruggaat op een incident waarbij Jezus betrokken was in Naïn, tijdens zijn openbare optreden, gezien het feit dat Lucas 7:11-17 zich afspeelt in het overigens onbekende stadje Naïn en de algemene tendens van de tradities van de vier evangeliën.” [tendens om geen opwekkingsverhalen van eigen makelij toe te voegen] (Meier, A Marginal Jew 2, p. 790-798) Uw standpunt komt daarmee grotendeels overeen.

  4. Willem Visser

    Het Evangelie van Lucas lijkt mij een grote midrasj – ik heb daar al eerder aan gerefereerd:
    De midrasj is een Hebreeuws literair genre dat zijn oorsprong vindt in het uitleggen van de Thora door Joodse voorgangers in de synagoge. Het woord midrasj betekent: onderzoeken. De ‘uitleg’ van de onderzochte teksten uit de Schrift leidde na verloop van tijd tot een specifieke vorm van Bijbelcommentaar en tekstinterpretatie met eigen literaire kenmerken. Binnen dit literair genre zijn er twee verschillende vormen:

    1) De halachische midrasj: deze richt zich op de uitleg van de Joodse wetten, de halacha.
    2) De aggadische midrasj: deze richt zich op teksten die een ‘verhaal’ vertellen, de aggada.

    Een Joodse voorganger ging bij het maken van een preek meestal als volgt te werk. Eerst ging hij opzoek naar een geschikt aanknopingspunt in een tekst uit de Profeten of Geschriften; en vervolgens verbond hij die tekst met een vers uit de Thora om er zo een geestelijke of morele les uit te trekken voor zijn toehoorders.
    Die ‘les’ (onderwijzing) had veelal betrekking op personen of gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël. De oorspronkelijke betekenis van de tekst kwam daardoor in een nieuw licht te staan, en zo kreeg de in de preek gebruikte tekst in feite een nieuwe betekenis.

    1) de halacha. De vele disputen (twistgesprekken) die Jezus met de Farizeeën en de Schriftgeleerden voerde over de interpretatie van wetteksten, behoren tot de eerste midrasj vorm: de halacha.

    2) de aggada. De geboorteverhalen in Mattheüs en Lucas behoren tot de tweede midrasj vorm: de aggada.

    Kort samengevat kun je dus zeggen:
    Een midrasj is een Hebreeuws verhaal waarin bestaande teksten uit Tenach opnieuw betekenis krijgen door ze te verbinden met actuele gebeurtenissen uit het heden. [In onderhavig geval: de geboorte van Jezus.]

    We zien die ‘nieuwe’ betekenis van een ‘oude’ tekst uit de Profeten ook terug in een tekst uit het geboorteverhaal van Mattheüs:
    Matt.2:15 … Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen (Hosea 11:1/ Ex.4:23).

    De Evangelist Mattheüs citeert hier een tekst uit Hosea om de terugkeer van Jezus uit Egypte te duiden (Mattheüs 2:13-15). Die terugkeer betreft de ‘roeping’ van Jezus om “het volk te hoeden en te leiden” (Matt.2:6), en “een licht te zijn voor de heidenen” (Matt.4:8/ Jes.8:23).

    Hosea spreekt in zijn tekst natuurlijk niet over Jezus maar over het volk Israël dat ook uit Egypte ‘geroepen’ werd, en wel om dezelfde reden als dat Jezus uit Egypte geroepen werd; en daar zit de crux!

    Beide teksten – van zowel Mattheüs als Hosea – willen het volgende leren:
    “Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk” (Ex.19:6), “Mijn dienaar ben jij. In jou Israël toon ik Mijn luister” (Jes.49:3) “Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt” (Jes.49:6b).

    Zoals je ziet maakt Mattheüs in zijn tekst (Matt.2:15) gebruik van de klassieke opbouw van de midrasj: hij verbindt een tekst uit de uit de Thora (Ex.19:6) met een tekst uit de Profeten (Jes.49:3-7) en leert zijn lezers aan de hand van deze teksten het doel van Jezus komst: het herderschap over Israël (Matt.2:6) en het zijn van een licht voor alle volken (Matt.4:8); en hiertoe werd Jezus uit Egypte ‘geroepen’.

  5. FrankB

    Zoals wel vaker boeit het me niet heel erg of dit “echt is gebeurd”. Zelfs als dat wel het geval is zal ongelovige ik roepen “Nou en? Medische verrassingen gebeuren” terwijl de gelovige evengoed blijft geloven. Hoe we over Jezus denken verandert er niet door.
    Veel interessanter is voor mij “Een groot profeet is onder ons opgestaan.” Dat vertelt ons hoe vroege christenen – dwz uit de tijd van Lukas – tegen Jezus aankeken. Dat is van belang, omdat ik wil begrijpen hoe het christendom zo populair kon worden.

    1. Gert M. Knepper

      Het is één slag gecompliceerder. Als Lukas de mensen laat zeggen “Een groot profeet is onder ons opgestaan” zegt dat nog weinig over hoe christenen uit Lukas’ tijd tegen Jezus aankeken. Het zegt iets over hoe Lukas wilde dat men in zijn tijd geloofde dat er een halve eeuw eerder tegen Jezus werd aangekeken.

  6. Simon Tom

    De apostelen en de evangelieschrijvers waren er van overtuigd dat Jezus de Christus was, de vervuller van alle beloften aan Israël gedaan in de wet en de profeten. Groter dan Elia, Jesaja en zelfs groter dan Mozes. Ook zijn goddelijk Zoonschap is met tal van bijbelteksten uit, wat wij nu het oude/eerste Testament noemen, door hen aangetoond.
    Ook voor hedendaagse Christenen is Hij dus de Weg, de Waarheid en het Leven in eigen persoon.

  7. Alexander Smarius

    Los van vragen van historische aard is deze passage een mooi voorbeeld van Lucas’ bekwaamheid als levendige verteller. Nadat Jezus de poort van Naïn is genaderd, is er sprake van focalisatie, oftewel: de gebeurtenis wordt beschreven door de ogen van een van de betrokkenen, in dit geval Jezus. Dat kun je zien aan de woordvolgorde van het origineel, waarin stukje bij beetje in beeld wordt gebracht wat zich voor Jezus’ ogen ontvouwt. Letterlijk vertaald:

    “en kijk, er werd naar buiten gedragen een dode, enige zoon voor de moeder van hem, en zelf was zij weduwe, en een menigte van de stad was groot met haar.”

    Het is alsof “en kijk” betekent: “kijk eens mee door zijn ogen.” Het eerste wat Jezus ziet is de uitvaart van een dode, met als onmiddellijk gevolg slechts één vrouwelijk persoon. Geen nabestaande broer of zus, geen vader. De moeder is helemaal alleen komen te staan. Weliswaar is de groep sympathisanten groot, maar die bestaat niet uit directe familie, want die is er niet. De oudedagsvoorziening van de vrouw is met de dood van haar zoon weggevaagd. Deze observatie voltrekt zich in luttele seconden en wekt een emotiononele reactie op bij de hoofdfiguur. Daarna is het gedaan met de focalisatie, want de opmerking “huil niet” zal menig lezer net zo verbazen als de mensen om Jezus heen.

  8. Nico Riemersma

    Laat ik mijn reactie beginnen met te zeggen dat ik het Rijksmuseum van Oudheden een aantal jaren terug zelf attent heb gemaakt dat het om een afbeelding van Lucas 7,11-17 gaat. Ze verwezen zelf eerst naar een andere dodenopwekking.
    Ik wil tevens wijzen op het proefschrift dat ik over deze perikoop schreef: Nico Riemersma, Aan de dode een wonder gedaan: Een exegetisch-hermeneutische studie naar de dodenopwekking in Lucas 7,11-17 in relatie tot 1 Koningen 17,17-24 en Vita Apollonii IV,45 (ACEBT Sup. Series 14), Bergambacht 2016. Alle kwesties die in bovengenoemde reacties aan de orde komen, bespreek ik in mijn proefschrift.
    Mocht een heel boek (285 pag.) teveel zijn, dan verwijs ik naar Hoofdstuk 11 ‘Raising of the Dead as a Metaphor: The Conclusion of the First Part of Jesus’ Public Ministry (7,11-17)’, in: Nico Riemersma, The Gospel of Luke as Masterpiece: Structure, Genre and Way of Telling (Tilburg Theological Studies, 10), Berlin/Münster 2023, 159-179, dat als een samenvatting van mijn lezing van Lucas 7,11-17 is te beschouwen.

Reacties zijn gesloten.