Romeins Palmyra

Een van de triades van Palmyra: Aglibol, Baäl-Šamem en Malekbel (meer; Louvre, Parijs).

In het vorige blogje zagen we dat Tadmor/Palmyra een belangrijke oase was tussen de Eufraat in het oosten en Damascus in het westen. Met de desintegratie van het Seleukidische Rijk, rond pakweg 140 v.Chr., begon de handelsroute door de woestijn aan belang te winnen.

Een mislukte plundering

Een eeuw later, in 41, was de stad welvarend genoeg om de Romeinse aandacht te trekken. De Grieks-Romeinse historicus Appianus schrijft:

Marcus Antonius stuurde een eenheid cavalerie naar Palmyra, dat niet ver van de Eufraat ligt, om de stad te plunderen. De aanleiding was een onbeduidende beschuldiging dat de inwoners, omdat ze zich op de grens tussen de Romeinen en de Parthen bevonden, vermeden hadden partij te kiezen. (Als kooplieden brengen ze de producten van India en Arabië vanuit Perzië en verkopen die op Romeins grondgebied.) In feite was het echter Antonius’ bedoeling zijn ruiters te verrijken. De Palmyrenen waren echter gewaarschuwd en brachten hun bezittingen naar de rivier, stelden zich op de oever op en bereidden zich erop voor iedereen neer te schieten die hen zou aanvallen. De Palmyrenen zijn namelijk ervaren boogschutters. De cavalerie vond dus niets in de stad, draaide zich om en keerde terug, met lege handen en zonder een vijand te hebben ontmoet.noot Appianus, Burgeroorlogen 5.9.

Lees verder “Romeins Palmyra”

Het Teutoburgerwoud: drie perspectieven

Kalkriese, waar sporen zijn gevonden van de slag in het Teutoburgerwoud

Wat er in een antieke tekst staat: het is maar hoe je gewend bent te lezen. Een archeoloog leest anders dan een classicus, die weer anders leest dan een oudhistoricus. Ik bedoel nu niet dat de classicus de tekst leest in de originele taal en nuanceringen herkent die zijn collega’s niet zien. Het gaat me om een wezenlijker punt. Ik zal het illustreren met een voorbeeld uit de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.

In zijn Annalen, gepubliceerd rond 120 na Chr., blikt hij terug op de regering van keizer Tiberius, een eeuw daarvoor. Generaal Germanicus was bezig met enkele expedities om de veldtekens te heroveren die de Germanen hadden buitgemaakt tijdens de slag in het Teutoburgerwoud:

Ze waren nu niet ver van het Saltus Teutoburgiensis waar, naar men zei, de overblijfselen van Varus en zijn legioenen nog onbegraven lagen.noot Tacitus, Annalen 1.60.3.

Lees verder “Het Teutoburgerwoud: drie perspectieven”

De slag in het Teutoburgerwoud (6)

Een van de in de slag in het Teutoburgerwoud omgekomen Romeinen (Kalkriese Museum)

[Er is een nieuwtje over de slag in het Teutoburgerwoud. Maar eerst een verslag van wat daar gebeurde. In het eerste en tweede stukje beschreef ik hoe de Romeinen het gebied van de Main en Lippe veroverden. Het derde deel bestond uit het verslag van Velleius Paterculus en het vierde en vijfde boden de problematische informatie van Cassius Dio. Vandaag de afloop.]

De Romeinen probeerden verder te marcheren, maar werden van alle kanten bestookt. Wellicht bereikten ze, na de bovenloop van de Eems te zijn overgestoken, op de derde dag de vlakte – vol door regen gezwollen waterlopen – waar nu de stad Münster is. Daar achter begon een groot moeras waardoor Lucius Domitius Ahenobarbus tien jaar eerder een knuppeldam had aangelegd die eindigde bij de Lippe. Als de legionairs die zouden bereiken waren ze op veiliger terrein, want ook de Germanen konden zich niet eenvoudig een weg banen door het moeras.

Het mocht echter niet zo zijn. De Romeinse legermacht desintegreerde voordat ze de knuppeldam bereikte. Tacitus vermeldt een droom van generaal Germanicus, waarin deze Varus bij Ahenobarbus’ knuppeldam in het moeras ziet. Cassius Dio schrijft:

Lees verder “De slag in het Teutoburgerwoud (6)”