Het Teutoburgerwoud: drie perspectieven

Kalkriese, waar sporen zijn gevonden van de slag in het Teutoburgerwoud

Wat er in een antieke tekst staat: het is maar hoe je gewend bent te lezen. Een archeoloog leest anders dan een classicus, die weer anders leest dan een oudhistoricus. Ik bedoel nu niet dat de classicus de tekst leest in de originele taal en nuanceringen herkent die zijn collega’s niet zien. Het gaat me om een wezenlijker punt. Ik zal het illustreren met een voorbeeld uit de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.

In zijn Annalen, gepubliceerd rond 120 na Chr., blikt hij terug op de regering van keizer Tiberius, een eeuw daarvoor. Generaal Germanicus was bezig met enkele expedities om de veldtekens te heroveren die de Germanen hadden buitgemaakt tijdens de slag in het Teutoburgerwoud:

Ze waren nu niet ver van het Saltus Teutoburgiensis waar, naar men zei, de overblijfselen van Varus en zijn legioenen nog onbegraven lagen.noot Tacitus, Annalen 1.60.3.

De archeoloog over het Teutoburgerwoud

De hamvraag is wat dat Saltus Teutoburgiensis was. Het tweede woord geeft een Germaans woord weer dat zoiets als “volksburcht” betekent; het eerste is lastiger. Het wordt meestal vertaald als “woud”: het bos dus dat de Germanen naar een volksburcht hadden vernoemd. Maar saltus heeft meer betekenissen, zoals “vlakte”, “passage”, “doorgang”. Dat lijkt beter te kloppen met de topografie: het blijkt te gaan om een smalle weg tussen een moeras en een heuvel. Een engte. Niks woud. De Duitse archeologen die het slagveld in kwestie bij Kalkriese lokaliseerden, waren verbaasd dat het stuifmeelonderzoek bewees dat er weinig bomen waren geweest.

Ze waren niet de eersten die meenden dat saltus verwees naar een woud. Tacitus vermeldt in zijn verhaal nog vijf keer naar silva, een woord dat uitsluitend “woud” kan betekenen. Een archeoloog kan alleen concluderen dat het Saltus Teutoburgiensis een woud is geweest. Het staat immers bij Tacitus. Deze vaak onvermijdelijke manier van lezen staat, met een nogal onaardige term, bekend als naïef positivisme.

De classicus over het Teutoburgerwoud

Aan classicus Harm-Jan van Dam wordt de uitspraak toegeschreven dat archeologen teksten lezen om te kijken wat er staat, terwijl classici teksten lezen om te kijken hoe het er staat. Het is krek zo. Net als andere literatuurwetenschappers hebben classici een heel arsenaal aan manieren om naar teksten te kijken.

Vaak kijken ze ook naar wat er niet staat. Dat heet met een duur woord poststructuralisme. De lezer vat de tekst op als de uitdrukking van een machtsstructuur en leest met een zeker wantrouwen, als het ware tegen de tendens in. Zo kun je herkennen dat in bijvoorbeeld Tacitus’ Annalen allerlei perspectieven niet aan bod komen: we lezen bijvoorbeeld niet wat de Germanen dachten van de aanwezigheid van de Romeinen. De auteur biedt doorgaans alleen het perspectief van de Romeinse bestuurders, zijn intended readers. Tacitus onderdrukt andere perspectieven over de Romeinse wereld, en het is fascinerend te bedenken wat vrouwen, onvrije arbeiders en andere marginaliseerde groepen te zeggen zouden hebben gehad. Daarom is het Nieuwe Testament ook zo boeiend.

Classici kijken ook naar zogeheten intertekstuele verwijzingen. Als Tacitus’ Germanicus een vloot bouwt van duizend schepen is dat een verwijzing naar de Ilias, de dood van de Bataafse leider Chariovalda verwijst naar de Griek Protesilaos, terwijl Tacitus in zijn Historiën de moord op keizer Galba modelleert op de dood van de Trojaanse koning Priamos. Tacitus’ lezers waardeerden dit soort knipoogjes.

In het verlengde ligt de topiek: type-scenes die steeds terugkomen. Ik heb wel vaker verteld dat aan de randen van de aarde, waar de Germanen woonden, het landschap geacht werd woest te zijn. Tacitus’ Waddenzee heeft dus rotsen, overal zijn ondoordringbare wouden. Germanicus’ soldaten spraken – volgens Tacitus – over allerlei wonderlijke wezens die ze zouden hebben gezien.

En wat betekent dit? Vooral dat we de vijf passages met het woord silva moeten opvatten als Tacitus’ inkleuring van een verhaal. Hij had iets gelezen over een saltus, wist niet beter of er waren daar in het noorden allerlei woeste wouden, en voegde ter verlevendiging van zijn betoog links en rechts wat bossen en bomen toe. Dankzij deze couleur locale hebben oudheidkundigen eeuwenlang aangenomen dat het Saltus Teutoburgiensis een woud was.

De oudhistoricus over het Teutoburgerwoud

Tot slot de oudhistoricus. Die zal zoeken naar de vraag wat er nu precies is gebeurd. Hij zal het moeten doen met wat Tacitus schrijft, en in die zin stelt hij aan de tekst dezelfde vragen als de archeoloog. De oudhistoricus weet tevens dat Tacitus geen feiten presenteert maar slechts één visie op die feiten, en dat hij de door hem geselecteerde feiten giet in gangbare literaire vormen. De oudhistoricus neemt dus ook uit het arsenaal van de classicus het een en ander over. Hij zal niet zoeken naar een woud omdat hij weet dat silva alleen maar inkleuring is.

Inkleuring – maar waarvan? Dát is waar de oudhistoricus op let. Hij probeert te reconstrueren wat er stond in Tacitus’ bron. In dit geval lukt het: het was de (verloren) Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen van Plinius de Oudere. Deze cavalerie-officier schreef saltus, en Tacitus las dat als silva. De oudhistoricus zal de eigenlijke tekst van Tacitus dus terzijde schuiven ten gunste van diens gereconstrueerde bron. De jargonterm voor het negeren van een afgeleide bron ten gunste van een oorspronkelijke bron is eliminatie.

Tot slot

Ik presenteer het hierboven als drie gescheiden perspectieven, maar uiteraard overlappen ze. Vanzelfsprekend herkent de classicus de silvae als inkleuring omdat hij het archeologische stuifmeelkorrelonderzoek kent. Vanzelfsprekend herkennen oudhistorici en classici de topiek van de antieke teksten.

Nou ja, idealiter dan. In de praktijk was iedereen dus stomverbaasd toen bleek dat Kalkriese arm in bomen was geweest. Dat is het verpletterende gewicht van de traditie: al eeuwenlang zochten Duitse Altertumswissenschaftler naar een woud, zonder de aanname dat het Teutoburgerwoud een woud was, nog ter discussie te stellen. Het is zoiets als de Nederlandse oudheidkundigen die een Drususgracht zoeken zonder zich de vraag nog te stellen of de twee teksten die we al sinds de Renaissance combineren, wel over hetzelfde gaan en of ze wel over Nederland gaan.noot Let wel: het is mogelijk dat ergens in Nederland een door Drusus gegraven kanaal is. Je kunt echter niet aannemen wat moet worden bewezen.

Het is niet anders: eerdere wetenschappers wijzen ons de weg en vaak gaat het goed, maar soms sturen ze ons het bos in.

[De oudheidkundige disciplines bieden meer dan wistjedatjes, indeOudheidhadjeookjes en trivaliteitjes. Oudheidkunde is een wetenschap. Een overzicht van vergelijkbare stukjes is daar.]

Deel dit:

9 gedachtes over “Het Teutoburgerwoud: drie perspectieven

  1. Huibert Schijf

    Zoals Frans de Waal in zijn The Ape and the Sushi Master opmerkt: Instead of marching onward with perfect vision, science stumbles along behind leaders who occasionally take the wrong alley, after which it turns to others leaders who seem to know the way, then corrects itself again, until sufficient progress is made (…). In hindsight the path taken may look straight, (…), but only because our memory for dead ends is so much worse than of a rat in a maze. Voor mij is dat het aantrekkelijkst aan wetenschap, maar veel mensen zullen dat niks vinden.

  2. Roger Van Bever

    …Maar saltus heeft meer betekenissen, zoals “vlakte”, “passage”, “doorgang”. Dat lijkt beter te kloppen met de topografie: het blijkt te gaan om een smalle weg tussen een moeras en een heuvel. Een engte. Niks woud. …

    Nog een andere betekenis van is een plotseling niveauverschil in een waterloop, m.a.w. een waterval. Ik ken de Kalkriese helaas niet. Cfr. Frans ‘saut’ etym. afkomstig van saltus (vb. le saut du Doubs’)

    …Tacitus onderdrukt andere perspectieven over de Romeinse wereld, en het is fascinerend te bedenken wat vrouwen, onvrije arbeiders en andere marginaliseerde groepen te zeggen zouden hebben gehad….

    Dit doet mij denken aan wat Poetin c. s. nu doet met de Russische bevolking die ook niets over de Oekraïne mag zeggen en zeker niet dat het een oorlog is of ze vliegen de bak in. Ik heb mij wel eens afgevraagd of de Romeinen überhaupt iets te zeggen als hun ‘jongens of mannen’ sneuvelden in hun talloze oorlogen.

    Wat een leuke blog weer. Ook dat citaat van Van Dam lijkt mij juist.

  3. Ben Spaans

    Ik was afgelopen september in Kalkriese, op een fraaie zaterdagmiddag. Tegenwoordig zijn er bomen genoeg in de omgeving, heuvels zij oo een prominent deel van het landschap. Een deel van het moeras is er ook nog, lijkt het (als dat nog teruggaat tot 9 n. Chr.)
    Eerder werd hier in reacties beschreven dat de legertros door een laagvlakte met wilgen trok, terwijl Cassius Dio het wel heeft over een kamp op een ‘beboste heuvel’ (‘wooded hill’). Heuvels zij er dus genoeg rond Kalkriese.

Reacties zijn gesloten.