Etruskische goden

Aplu (Museo nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)

Even ten noorden van Rome lag Veii, een machtige Etruskische stad die de Romeinen in 393/392 v.Chr. veroverden.noot En niet in 396, zoals je nogal eens leest. Daarna vielen de kleinere stadjes in de omgeving, die ooit onderworpen waren geweest aan Veii, eveneens in Romeinse handen. Zo ook Falerii, dat zich korte tijd later op nogal bijzondere wijze onderwierp. Een schoolmeester had namelijk een klasje aristocratische kinderen als gijzelaars uitgeleverd aan de Romeinse generaal Camillus, die dit geschenk, dat de oorlog tot een snel einde zou hebben kunnen brengen, had geweigerd, en de schoolmeester geboeid en gegeseld terug had gezonden naar Falerii, met de mededeling dat hij de stad zou nemen “met Romeinse middelen”. De burgers capituleerden ogenblikkelijk: volgens geschiedschrijver Titus Livius omdat ze onder de indruk waren van Camillus’ nobele gebaar, maar je hoeft niet heel cynisch te zijn om te herkennen dat men doodsbang was voor “de Romeinse middelen”.

In Falerii is verschrikkelijk mooie terracotta-sculptuur gevonden, die voor het merendeel is terechtgekomen in de Villa Giulia, het Etruskische museum van Rome. Bovenstaande kop komt uit een tempel die stond op een plek genaamd Sassi Caduti. Dit heiligdom, even ten westen van de acropolis, was gewijd aan de godheid die de Romeinen Mercurius noemden en de Etrusken Turms. Hij was de boodschapper van de oppergod Tinia, beschermde de handel en begeleidde de dode zielen op weg naar de Onderwereld. Bij Sassi Caduti is ook een marktplein gevonden, wat natuurlijk wel zo gepast is voor een god van de handel.

Lees verder “Etruskische goden”

Titus Livius (3): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Derde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad van Titus Livius was een zeer, zeer ambitieus werk. In totaal verschenen niet minder dan 142 boekrollen. De lengte van zo’n rol kwam overeen met pakweg vijfenzestig bladzijden in een modern pocketboek. De totale lengte van Livius’ geschiedwerk bedroeg dus een slordige 9.250 pagina’s ofwel eenendertig pocketboeken. Hij schreef dit alles in ongeveer vijfenveertig jaar, wat betekent dat hij elk jaar ruim drie rollen of 205 pagina’s publiceerde. Ook met een tekstverwerker is dat alleszins respectabel.

Er zijn twee gevolgen. Eén: dit werk was te groot om volledig tot ons te komen. We hebben alleen nog de boeken 1-10 en 21-45.  Misschien duikt nog eens iets op in de Egyptische woestijn of bij de papyri uit Herculaneum, waar inmiddels een boekrol is geïdentificeerd van een jongere Romeinse geschiedschrijver. Twee: het is duidelijk dat Titus Livius gebruik moest maken van eerdere geschiedwerken en zelden de mogelijkheid had tot archiefonderzoek. Dat had gevolgen, waarover we het nog zullen hebben.

Lees verder “Titus Livius (3): inhoud”

De Romeinse tempel voor Concordia

De schamele resten van de tempel van Concordia

Als ik aan de westelijke zijde van het Forum Romanum sta – en dat heb ik weleens gedaan – moet ik altijd denken aan de ontmoeting van Gregory Peck en Audrey Hepburn aan de voet van de Boog van Septimius Severus. Vlak daarbij liggen de schamele resten van de Romeinse tempel voor de godin van de Eendracht, Concordia.

De Standenstrijd

Dat heiligdom was in de jaren zestig van de vierde eeuw v.Chr. gebouwd om het einde te herdenken van het slepende sociale conflict tussen patriciërs en plebejers, de zogeheten Standenstrijd. De eerste groep, de Romeinse adel, monopoliseerde op dat moment consulaat en Senaat. Het plebs (letterlijk: het vulsel) was de rest van de bevolking, en daaronder waren ook rijke mannen die bestuursfuncties wilden bekleden. Hun voornaamste argument om toegelaten te worden tot de hoogste magistratuur, was dat zij in tijden van oorlog werden geacht in de voorste gelederen te strijden, maar dat zij geen invloed hadden op de beslissing over oorlog en vrede. Bovendien betaalden ze veel belasting zonder iets te mogen zeggen over de besteding daarvan.

Lees verder “De Romeinse tempel voor Concordia”

De evocatio van Koningin Juno

Koningin Juno (Villa Giulia, Rome; © Wikimedia Commons | gebruiker Giuseppe Savo)

In het zuiden van het historische centrum van Rome ligt de heuvel Aventijn. Het is tegenwoordig een rustige woonwijk waar betrekkelijk weinig oudheidkundig bodemonderzoek is verricht. Het is echter zeker dat in de buurt van de huidige kerk van Santa Sabina (een van de mooiste kerken van Rome) de oudste tempel heeft gestaan voor de godin die de Romeinen Koningin Juno noemden. Van oorsprong was zij een Etruskische godin die Uni heette; ze gold als zuster en echtgenote van Aplu ofwel Apollo.

Dit heiligdom was aan deze godin beloofd door de Romeinse veldheer Marcus Furius Camillus, toen deze aan het begin van de vierde eeuw v.Chr. op het punt stond de Etruskische stad Veii in te nemen. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius heeft daarover het volgende te vertellen:

Toen trad de gezagvoerder, na de vogeltekenen te hebben waargenomen, naar buiten en gaf de soldaten de order zich te wapenen. “Onder uw leiding, Pythische Apollo,” sprak hij, “en bezield door uw goddelijke almacht, ga ik nu voorwaarts om de stad Veii te vernietigen; aan u wijd ik een tiende van de buit. En u, Koningin Juno, die nu in Veii woont, smeek ik om, wanneer wij hebben gezegevierd, met ons mee te gaan naar onze stad, die spoedig ook de uwe zal zijn en waar een tempel, uw verheven grootheid waardig, u zal ontvangen.”noot Livius 5.21.1-3; vert. F.H. van Katwijk-Knapp.

Lees verder “De evocatio van Koningin Juno”

Do ut des

Gaius Julius Orios bedankt de hoogste god, die hem via een droom waarschuwde voor een groot gevaar (Archeologisch Museum, Thessaloniki)

Mijn eerste leraar Latijn zal ik nooit vergeten, want hij gaf me een 2 voor mijn eerste proefwerk. Niettemin of juist daarom: ik heb veel van hem geleerd. Inclusief dingen waarvan je denkt: waar haalde je dát nou vandaan? Bijvoorbeeld dat de Grieks-Romeinse godsdienst was gebaseerd op het principe van do ut des. Vertaald: ik geef opdat jij geeft. Anders gezegd: religie als ruilhandel. Ik offer wat aan deze of gene godheid, ik vraag d’r iets bij, en dan zorgt Venus of Silvanus of Mercurius wel voor de bezorging.

Mijn leraar was de enige niet die dit dacht. De Nederlandse Wikipedia vermeldt het zonder blikken, zonder blozen en zonder referentie. Alsof het zó algemeen bekend is dat het geen toelichting behoeft.

Terwijl je denkt: dat kan niet zomaar kloppen. Al was het maar omdat er niet één Romeinse godsdienst was. Er waren diverse religieuze praktijken en veel daarvan vallen niet onder opgemeld principe. Maar er wringt meer.

Lees verder “Do ut des”