De Farnese Hercules (Museo archeologico nazionale, Napels)
[Vierde van vijf blogjes die Dieter Verhofstadt schreef over de traditie van de Twaalf Werken van de halfgod Herakles. Het eerste blogje was hier.]
Nu we in de voorgaande blogjes de geschreven traditie hebben bezien, kunnen we ons richten op de wijze waarop de mythe van Herakles en zijn twaalf werken iconografisch is geëvolueerd.
Vaasschilderkunst en hellenisme
De afzonderlijke werken van Herakles vinden we op tal van vazen, daterend vanaf de zesde eeuw v.Chr. Bekend zijn de vele Attische vazen die zijn gevonden in Etruskische opgravingen, en die worden toegeschreven aan de “Schilder (van) Antimenes”. Bij hem vinden we de Nemeïsche leeuw, de Hydra, het Erymanthisch zwijn en Kerberos.
Aplu (Museo nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)
Even ten noorden van Rome lag Veii, een machtige Etruskische stad die de Romeinen in 393/392 v.Chr. veroverden.noot En niet in 396, zoals je nogal eens leest. Daarna vielen de kleinere stadjes in de omgeving, die ooit onderworpen waren geweest aan Veii, eveneens in Romeinse handen. Zo ook Falerii, dat zich korte tijd later op nogal bijzondere wijze onderwierp. Een schoolmeester had namelijk een klasje aristocratische kinderen als gijzelaars uitgeleverd aan de Romeinse generaal Camillus, die dit geschenk, dat de oorlog tot een snel einde zou hebben kunnen brengen, had geweigerd, en de schoolmeester geboeid en gegeseld terug had gezonden naar Falerii, met de mededeling dat hij de stad zou nemen “met Romeinse middelen”. De burgers capituleerden ogenblikkelijk: volgens geschiedschrijver Titus Livius omdat ze onder de indruk waren van Camillus’ nobele gebaar, maar je hoeft niet heel cynisch te zijn om te herkennen dat men doodsbang was voor “de Romeinse middelen”.
In Falerii is verschrikkelijk mooie terracotta-sculptuur gevonden, die voor het merendeel is terechtgekomen in de Villa Giulia, het Etruskische museum van Rome. Bovenstaande kop komt uit een tempel die stond op een plek genaamd Sassi Caduti. Dit heiligdom, even ten westen van de acropolis, was gewijd aan de godheid die de Romeinen Mercurius noemden en de Etrusken Turms. Hij was de boodschapper van de oppergod Tinia, beschermde de handel en begeleidde de dode zielen op weg naar de Onderwereld. Bij Sassi Caduti is ook een marktplein gevonden, wat natuurlijk wel zo gepast is voor een god van de handel.
Kopie van een model voor leverschouw (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Eerlijk is eerlijk: het bovenstaande voorwerp is niet echt. Het is een replica, aanwezig in de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Voor het origineel moet u naar Piacenza in Noord-Italië, naar de Palazzo Farnese, waar de plaatselijke archeologische collectie is te zien. Het bronzen voorwerp stelt een schaapslever voor en is vermoedelijk eind tweede eeuw v.Chr. vervaardigd.
Het voorwerpje is iets kleiner dan een handpalm. Het was, om zo te zeggen het handboek van de ingewandenschouwer, de haruspex. Zo iemand kon de toekomst voorspellen – of beter, meende de toekomst te kunnen voorspellen – aan de hand van de uitstulpingen van de lever uit een offerdier.
Hierboven ziet u een deel van een amfoor die ooit is gevonden in de Etruskische stad Vulci. Veel aardewerk dat in het antieke Etrurië is gevonden, is geïmporteerd uit Griekenland, maar dit is een lokaal product, rond 520 v.Chr. gemaakt door de zogeheten Tityos-schilder. De vaas is tegenwoordig te bewonderen in de prachtige Antikensammlung aan de Königsplatz in München.
Hydra
Maar wat stelt het voor? Rechts herkennen we een veelkoppig fabeldier, dat we zonder veel problemen kunnen identificeren met een hydra. Dat was een vervelende waterslang, die zich nogal slecht liet bestrijden doordat voor elke afgehakte kop meer dan één kop terug aangroeide. Bovendien was een van de koppen onsterfelijk. De halfgod Herakles schakelde het ondier gelukkig uit door niet alleen de koppen af te hakken, maar de wond ook dicht te schroeien voor nieuwe koppen konden opsteken. Tot slot hakte hij de onsterfelijke kop af, en begroef die. Die moet dus nog ergens in Griekenland liggen.
Een dodenmaaltijd in een Etruskisch graf (Antikensammlung, München)
Of ik niet eens wat aandacht aan de Etrusken kon besteden. Tja. Eigenlijk best een goed idee, want ik heb nog niet zo vaak over hen geblogd. En als ik het dan doe, is het vaak om te benadrukken dat ze helemaal zo geheimzinnig niet zijn als wel wordt gedacht. Archeologisch zijn ze een vrij gewone Italische cultuur en de taal is minder raadselachtig dan publiciteitsgeile wetenschappers doen voorkomen. We weten niet in welke taalfamilie het Etruskisch past, dat is het voornaamste probleem.
Maar goed, de Etrusken komen er op deze blog inderdaad bekaaid van af en ik heb een plan voor de lange termijn om nog eens te bloggen over de boeken Zes tot en met Tien van Titus Livius, die daarin beschrijft hoe Rome Italië aan zich onderwerpt. Zeg maar de periode tussen de inname van Rome door de Galliërs in 387 v.Chr. tot en met de beslissende veldslag bij Sentinum in 295 v.Chr. Ik heb die boeken ooit, toen ik me voorbereidde op mijn VWO-eindexamen, vertaald en heb er altijd een zekere liefde voor gehouden. Dit is echter een langetermijnplan voor ná de reeks over Caesar, die, zoals u al vermoedt, tot minstens 15 maart 2026 zal doorgaan. En nog wat langer.
Op het moment dat u dit leest, zwerf ik door Parijs. Zoals u weet wisten de middeleeuwse theologen van de Sorbonne al dat de lieve God Parijs heeft geschapen als tegenwicht voor het universum, dat immers bot en bruut is. En het is een belangrijke wijsgerige kwestie, besproken door de filosofen in het Quartier Latin, waarom mensen, terwijl Parijs toch bestaat, ergens anders willen wonen. Wat ik maar zeggen wil: ik heb wel iets beters te doen dan bloggen.
Dus een plaatje. Het bovenstaande. Deze vaas – technisch: een hydria, die water bevatte – komt niet uit het Louvre, zelfs niet uit Parijs, maar uit de Antikensammlung te München. Op de schouder zien we van links een strijdwagen aan komen rijden; als u goed kijk ziet u dat de rechter strijdwagen rechtsomkeert maakt. De krijger middenin lijkt zich ook uit de voeten te willen gaan maken, al kijkt hij de naderende vijand nog wel aan.
[Dit is het vijfde van acht blogjes over het Colosseum in Rome. Het eerste was hier.]
Ik vertelde in het derde blogje dat een dag in het Colosseum begon met jachtpartijen, vervolgde met executies en eindigde met gladiatoren. In de twee vorige blogjes beschreef ik de jacht en de executies. Nu is het tijd voor de gladiatoren.
Ooit, toen het geloof nog bestond dat de geesten van de doden gunstig werden gestemd met mensenbloed, offerden de ouden bij uitvaarten gevangenen of slaven van geringe kwaliteit, die voor dat doel werden aangeschaft.noot Tertullianus, De schouwspelen 12.2.
Deze theorie van de christelijke auteur Tertullianus wordt bevestigd door Nikolaos van Damascus. De hieronder geciteerde woorden veronderstellen dat de ziel van de gestorvene gezelschap krijgt van de gedode gladiator. Dat is althans de enige manier om te verklaren waarom iemand bij testament bepaalt dat zijn geliefden op leven en dood moeten strijden:
Een goed museum brengt bezoekers van buiten de regio tot begrip van die regio. En omgekeerd kan een goed museum bezoekers uit de eigen regio kennis laten maken met iets buiten die regio. Museum Wierdenland in het Groningse dorpje Ezinge is zo’n goed museum. De niet-Groninger krijgt er informatie over het leven op de wierden, terwijl de Groninger er momenteel kennis kan maken met iets waar ’ie anders 1600 kilometer voor op reis moet: de Etrusken.
De expositie “Etrusken – Pracht en Macht” begint wat verontschuldigend met de constatering dat op het moment dat de eerste bewoners zich vestigden op de wierde van Ezinge, dus zo’n 2500 jaar geleden, ook de Etruskische cultuur bloeide. Even verderop lezen we over de overeenkomst tussen de wierden en de Etruskische tumuli (allebei heuvels) en over het feit dat waterbeheer zowel in het Nederlands kustlandschap als in Etrurië belangrijk was. Zulke beweringen zijn overbodig. Aandacht voor de Oudheid behoeft geen rechtvaardiging. Het tijdvak is uit zichzelf voldoende interessant. En interessant zijn de Etrusken: een stedelijke cultuur die even oud is als de Griekse en die een handelsnetwerk had dat zich, via de Hallstatt– en de La Tène-mensen, uitstrekte tot in het hoge noorden.
De Duitse deelstaat Beieren is bezig zijn oudheidkundige collecties te reorganiseren: het Pompejanum in Aschaffenburg, het fenomenale Keltenmuseum in Manching, het archeologisch park van Kempten en de musea van Würzburg, Augsburg, Weissenburg en München. Het is in die laatste stad dat ik dit nu zit te schrijven, want ik ben hier om de diverse musea te bekijken. Ik was hier in 2012 voor het laatst en er is nogal wat veranderd.
Koning Lodewijk I (r.1825-1848) was een van de grootste filhellenen die de wereld ooit heeft gezien en spaarde kosten noch moeite om Beieren een Grieks uiterlijk te geven. Hij bouwde het Walhalla bij Regensburg, de Befreiungshalle in Kelheim en schonk München de Antikensammlung met de Glyptothek aan de Königsplatz. Koning Lodewijk had ook nog een zoon die koning werd in Griekenland, Otto I. De relatie tussen beide gekroonde hoofden deed de gestage aanvoer van Griekse oudheden uiteraard geen kwaad. München is dus een paradijs voor wie belangstelling heeft voor Griekse en andere oudheden.
In het zuiden van het historische centrum van Rome ligt de heuvel Aventijn. Het is tegenwoordig een rustige woonwijk waar betrekkelijk weinig oudheidkundig bodemonderzoek is verricht. Het is echter zeker dat in de buurt van de huidige kerk van Santa Sabina (een van de mooiste kerken van Rome) de oudste tempel heeft gestaan voor de godin die de Romeinen Koningin Juno noemden. Van oorsprong was zij een Etruskische godin die Uni heette; ze gold als zuster en echtgenote van Aplu ofwel Apollo.
Dit heiligdom was aan deze godin beloofd door de Romeinse veldheer Marcus Furius Camillus, toen deze aan het begin van de vierde eeuw v.Chr. op het punt stond de Etruskische stad Veii in te nemen. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius heeft daarover het volgende te vertellen:
Toen trad de gezagvoerder, na de vogeltekenen te hebben waargenomen, naar buiten en gaf de soldaten de order zich te wapenen. “Onder uw leiding, Pythische Apollo,” sprak hij, “en bezield door uw goddelijke almacht, ga ik nu voorwaarts om de stad Veii te vernietigen; aan u wijd ik een tiende van de buit. En u, Koningin Juno, die nu in Veii woont, smeek ik om, wanneer wij hebben gezegevierd, met ons mee te gaan naar onze stad, die spoedig ook de uwe zal zijn en waar een tempel, uw verheven grootheid waardig, u zal ontvangen.”noot Livius 5.21.1-3; vert. F.H. van Katwijk-Knapp.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.