Joodse humor

Deuren van rotsgraven, Umm Qays

Ik schrijf momenteel een boek over de “scheiding van wegen” tussen jodendom en christendom. Zoals Ernest Renan in de negentiende eeuw al wist, was Jezus een jood en deed hij niets om een nieuwe religie te stichten. Voor vrijwel alles wat hij onderwees bestonden joodse parallellen, en sinds de ontdekking van de Dode Zee-rollen kunnen we dat “vrijwel” nog weglaten. Ook in het oeuvre van Paulus is niets te vinden dat duidt op het ontstaan van een nieuwe religie (meer…), al gaat het hier wel om teksten die je achteraf, als die religie er eenmaal is, zo zou kunnen interpreteren. In mijn boek, dat de werktitel Israël hersteld heeft, probeer ik te documenteren hoe die scheiding dan wel is gegroeid als noch Jezus noch Paulus ernaar streefden.

Hoe door-en-door joods de volgelingen van Jezus van Nazaret waren, blijkt als je het Nieuwe Testament leest met de aantekeningen van een vijftigtal geleerden onder leiding van Amy-Jill Levine en Marc Zvi Brettler, The Jewish Annotated New Testament. Het biedt, zoals je al verwachtte met zo’n titel, de complete tekst van het heilige boek, voorzien van een royale hoeveelheid toelichtingen. Het is het boek dat ik eigenlijk altijd al had willen hebben. Welbeschouwd is het schandalig dat we er tot 2011 op hebben moeten wachten.

Lees verder “Joodse humor”

Marcus Aurelius aan de Donau

Monument voor Marcus Aurelius in Carnuntum

Weinig vorsten zullen zóveel tijd hebben besteed aan het scheppen van een goed imago als de Romeinse keizer Marcus Aurelius (r.161-180). Hoe effectief hij daarbij was, mag wel blijken uit het feit dat vrijwel iedereen die zijn naam kent, deze nog altijd associeert met het feit dat hij “de filosoof op de keizertroon” was. Zijn filosofische dagboek (Persoonlijke notities is de titel van de vertaling door Simone Mooij) is sinds de Renaissance in alle Europese talen vertaald en vindt nog ieder jaar nieuwe lezers.

Was het allemaal image building? De Persoonlijke notities maken een oprechte indruk. We zien hier een bestuurder die werkelijk probeert als een filosoof te leven en die zijn taken als keizer integer uit wil voeren. Tegelijkertijd wringt het een beetje dat zoiets wordt gepubliceerd. Heeft de keizer het zelf gewild? Dan komt de verdenking van onoprechtheid toch vrij snel boven. Hebben zijn nabestaanden het gepubliceerd? Dan zegt het iets over de liefde die ze voor hem voelden en die hij blijkbaar opriep.

Lees verder “Marcus Aurelius aan de Donau”

Marcus Aurelius

Marcus Aurelius (Avenches)
Marcus Aurelius (Museum Avenches)

Het bijgevoegde plaatje toont de gouden buste van de Romeinse keizer Marcus Aurelius, die regeerde van 161 tot 180, en vermoedelijk is gestorven in de stad waar ik deze woorden schrijf: Wenen. Het anderhalve kilo zware voorwerpen is gevonden in Avenches in Zwitserland.

Toen Germaanse plunderaars naderden, heeft iemand de buste bewaard door het in een afwateringskanaal te gooien, maar hij lijkt zelf te zijn gedood tijdens het gevecht, want hij heeft het nooit uit het water gevist. Archeologen hebben het gevonden en het is momenteel op de Keltenexpositie in Stuttgart waarover ik kort geleden al blogde. Het is indrukwekkend om te zien, maar wonderlijk genoeg liepen de mensen vrij snel langs dit portret.

Lees verder “Marcus Aurelius”

Baalbek

De kleine tempel in Baalbek

Als mensen proberen je een t-shirt te verkopen met daarop het logo van Hezbollah, kijk je vreemd op als je wordt begroet met “sjaloom”. Het overkwam me in Baalbek, in het oosten van Libanon. Dit is sji’itisch gebied, waar je er niet verbaasd van moet opkijken als je naast het portret van Hassan Nasrallah afbeeldingen ziet van Khomeiny en Khamenei. En de bewoners van Baalbek hebben humor, zoveel is duidelijk. Libanezen zijn ongelooflijk aardig.

Maar eerlijk is eerlijk, de meeste bezoekers komen niet naar Baalbek voor de bewoners. Ze komen voor de kolossale antieke tempels. In de regel zijn ze ’s morgens vroeg vertrokken uit Beiroet, en gaan ze rond theetijd weer terug naar hun hotel. Het hele toerisme in Libanon lijkt gebaseerd in Beiroet, en wie naar Baalbek gaat, blijft er niet om er ’s avonds in een restaurant te dineren. Het stadje zelf profiteert dus nauwelijks van westerse inkomsten.

Lees verder “Baalbek”

De gouden ezel van Apuleius

Alleen iemand zonder hart houdt niet van ezels.

Je bent in een vreemde stad te gast bij een vriendelijke familie, besluit een bijdrage te leveren aan het avondeten, wandelt naar de markt en ziet daar heerlijke vis liggen. De koopman vraagt er een vermogen voor, je dingt wat af en juist als je naar je tijdelijke huis wil wandelen, spreekt iemand je aan.

Het blijkt een medestudent van vroeger, die vertelt dat hij inmiddels marktmeester is en toezicht houdt op de handel. Hij ziet je mand vol vis, kijkt er misprijzend naar  en concludeert dat je bent opgelicht. Terstond komt hij in actie en dondert de verkoper toe dat diens oplichterij niet onbestraft zal blijven. De mand wordt leeggegooid op straat en een van de assistent-marktmeesters krijgt opdracht de vis tot moes te trappen. Dát zal de visverkoper leren! Moedeloos keer je naar huis terug, zonder geld en zonder diner.

Lees verder “De gouden ezel van Apuleius”

Een prachtige palimpsest

(©Bodleian Cairo Genizah Collection)

Toegegeven, dat oudheidkundigen wereldvreemd zijn is een tikje overdreven. In de eerste helft van de twintigste eeuw diende menig archeoloog bij een militaire inlichtingendienst (zoals T.E. Lawrence), terwijl classici vaak achter de linies vochten tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Griekse Burgeroorlog. Maar het zijn uitzonderingen. Wij oudheidkundigen zijn niet zo avontuurlijk. Ik heb collega’s die nog nooit zijn gereisd voorbij Turkije. Ik denk dat het de meerderheid is.

Wat voor ons wel opwindend is? Nou, een oud manuscript. Het plaatje linksboven is een wel heel mooi voorbeeld van wat ons tot extase brengt. Het is namelijk niet zomaar een oud handschrift dat daar in de Bodleian Library van Oxford ligt, het gaat om een palimpsest: een tekst op perkament die op een gegeven moment niet langer nodig was, waarna iemand de geschreven woorden van het leer schuurde en er een nieuwe tekst overheen schreef. De oude tekst is echter vaak nog leesbaar, en als dat niet makkelijk gaat, dan helpt ultraviolet licht. (Een bekend voorbeeld is de zogenaamde Archimedespalimpsest.)

Lees verder “Een prachtige palimpsest”

Het antieke Rome in context

Doré’s weergave van de overbevolkte sloppen van Londen in de negentiende eeuw

[Dit is het laatste van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]

Omstreeks 1700 woonden er in Parijs ongeveer 530.000 mensen, in Londen een half miljoen, in Napels en Amsterdam 210.000, en in Rome zelf 150.000. Voor de voorindustriële tijd was de antieke hoofdstad van het Mediterrane imperium exceptioneel groot. In grote delen van de stad woonden meer dan duizend mensen op een hectare: meer dan bijvoorbeeld in het moderne Calcutta. De leefomstandigheden waren ook extreem slecht, en het is aannemelijk dat het één samenhangt met het ander.

Rome was een hypermacht: een supermacht zonder rivalen, die het zich kon veroorloven er een hoofdstad op na te houden die de opbrengst verteerde van een provincie of vijf. Verteerde: waar Parijs, Londen, Napels, Amsterdam en het achttiende-eeuwse Rome een uitgebreide nijverheid- en handelssector hadden, was deze in Rome van ondergeschikt belang (al moet het positieve effect voor de provincies van de door Rome uitgeoefende vraag niet worden onderschat). Voor zo’n halfparasitaire stad zijn parallellen: het Bagdad van de negende eeuw en Chang’an in China. Beide waren ook miljoenensteden, waar de vorsten woonden van imperia die in feite geen buitenlandse vijanden kenden.

Lees verder “Het antieke Rome in context”

De dood in Rome

Romeins columbarium (Maresha)

[Dit is het zesde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]

Er waren een miljoen Romeinen en de gemiddelde levensduurverwachting was twintig jaar. Je zou concluderen dat er dus elk jaar 50.000 doden moeten worden bijgezet, maar het feitelijke aantal lag hoger. In steden liggen de sterftecijfers namelijk altijd hoger dan de geboortecijfers. Dat de stad niet wegkwijnt is omdat er vrijwel altijd een immigratieoverschot is. Statistieken voor Rome hebben we niet, maar het is misschien niet onredelijk aan te nemen dat er 45.000 kinderen werden geboren en 55.000 mensen stierven. Zulke cijfers passen althans goed bij andere voorindustriële steden.

Van de baby’s stierf een derde binnen een jaar: de normale zuigelingensterfte in een voor- en vroegindustriële samenleving. Ze lijken veelal te zijn bijgezet in amforen, zoals is te zien in de necropool aan de Via Severiana. Dat laat al met al zo’n 40.000 mensen per jaar over die een crematie verdienden.

Ze zullen die niet altijd hebben gekregen. Tijdens epidemieën werden massagraven aangelegd – archeologen hebben die in de negentiende eeuw teruggevonden – maar ook onder normale omstandigheden was er niet voor iedereen een uitvaart: de allerarmsten waren een prooi voor honden en vogels. Eén van de bekendste teksten hierover, daterend uit het eerste kwart van de eerste eeuw vóór Christus, maakt deel uit van de collectie van de Capitolijnse Musea:

Praetor Lucius Sentius, zoon van Gaius, heeft met instemming van de Senaat het volgende bepaald over de plaatsing van graven. Met het oog op de volksgezondheid is het verboden lichamen te cremeren tussen deze steen en de stad. Verder is het verboden afval of kadavers te laten liggen.

Hiermee werd het probleem verplaatst. De lijken werden weliswaar uit de stad weggedragen, maar natuurlijk niet verder dan deze steen. Dat de omwonenden daar niet gelukkig mee waren blijkt wel uit de met rode verf toegevoegde opmerking ‘Dump je smeerboel verderop, tenzij je ruzie zoekt’. Het verzoek werd genegeerd: de arbeiders die de inscriptie in 1884 opgroeven, roken na twee millennia nog altijd de walgelijke lijkenlucht.

Als we het aantal zwervers gemakshalve op 10% stellen, houden we elk jaar zo’n 36.000 crematies over, wat wil zeggen dat er ergens aan de bovenloop van de Tiber – de meest voor de hand liggende plaats om het hout te kappen – elk jaar zo’n vierkante kilometer bos tegen de vlakte ging. Soortgelijke berekeningen zijn te maken voor het hout dat in de ovens van de badhuizen werd verstookt. Dat dit alles niet heeft geleid tot grootschalige ontbossing, suggereert dat er een opzichter is geweest die ervoor zorgde dat er ook bomen werden geplant.

[Wordt vervolgd]

Voedsel en drank

De Monte Testaccio bestaat geheel uit scherven van amforen

[Dit is het vijfde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]

Eén miljoen mensen moeten natuurlijk ook eten. Het voornaamste levensmiddel was graan, waarvan de stad in de tijd van Trajanus tussen de 350.000 en 400.000 ton per jaar nodig zal hebben gehad. Zoals gezegd konden in de voorindustriële tijd, toen er nog geen kunstmest was, negen boeren het eten voor ongeveer tien mensen produceren. Er waren dus negen miljoen boeren nodig om Rome te voeden, en er woonden slechts zeven à acht miljoen mensen in Italië. Het graan kwam dus van overzee, en wel uit Sicilië, Tunesië en Egypte. Twee van de platbodems die bij Fiumicino zijn opgegraven zijn identiek, wat suggereert dat de transportschepen waarmee het graan uit de zeehaven werd vervoerd naar de spijkers aan de huidige Lungotevere Testaccio, in serie werden vervaardigd.

De stad had verder elk jaar zo’n 700.000 stuks vee en kleinvee nodig. Dit keer was de organisatie eenvoudig: de dieren graasden over het algemeen in de Apennijnen en Abruzzen en liepen uiteindelijk zelf wel naar het slachthuis. Er moeten niettemin vele honderden herders bij deze grootschalige veehouderij betrokken zijn geweest, en we mogen ons de grote wegen niet voorstellen zonder een stoet runderen.

Lees verder “Voedsel en drank”

Gevaarlijk water

Maquette van de Baden van Caracalla

[Dit is het vierde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]

Ruwweg een miljoen mensen dus – maar wat betekent zo’n getal? Om te beginnen moesten ze drinken, en met een kubieke meter water per persoon zat dat op zich wel goed. Helaas was de waterkwaliteit abominabel. Het water, dat in het vulkanische Lazio toch al rijk was aan sulfaat- en fosforverbindingen en andere zware mineralen, stroomde door kilometers lange stenen aquaducten, zodat het buitengewoon kalkrijk was tegen de tijd dat het Rome bereikte. De centimeters dikke kalkafzettingen op de bodem van de aquaductkanalen (‘travertijn’) maken wel duidelijk dat het Romeinse water niet bepaald geweldig was, en inderdaad: uit de schedels die zijn gevonden in bijvoorbeeld Herculaneum blijkt dat de bevolking van Midden-Italië zonder uitzondering leed aan tandsteen en cariës.

Lees verder “Gevaarlijk water”