In zijn artikelnoot J.B. Perry, Examining the Authenticity of Plato’s Epistle VII through Deep Learning (2021; Bachelor’s thesis, Harvard College). verdeelt Perry de Zevende Brief in drieënzeventig brokstukken van honderd woorden. Per brokstuk wordt de kans berekend dat het (conform het ontwikkelde model) toegeschreven moet worden aan Plato. Wanneer vervolgens de brokstukken gegroepeerd worden in vijf achtereenvolgende onderdelen levert dat het beeld op zoals weergegeven in de onderstaande tabel.
[Dit is het zesde van acht door Marco Folpmers geschreven blogjes over de mogelijkheid met artificiële intelligentie Plato’s Zevende Brief te analyseren. Het eerste was hier. Hoe pakt een onderzoeker dat aan?]
Een publicatie van de Amerikaanse Harvard-universiteit heeft in 2021 nieuw licht geworpen op de auteursvraag van de Zevende Brief van Plato. Het betreft de scriptie van Jordan Bliss Perry voor “the departments of computer science and the classics” van Harvard.noot J.B. Perry, Examining the Authenticity of Plato’s Epistle VII through Deep Learning (2021; Bachelor’s thesis, Harvard College). Over deze Perry is verder weinig te vinden.
Weliswaar is dit geen officiële publicatie in een journal met peer-review, maar van de andere kant zien de publicatie an sich en de begeleiders er betrouwbaar uit. Ik zal nog terugkomen op de verschijningsvorm van deze studie.
Bij de meest recente inzichten met betrekking tot de attributie van de Zevende Brief van Plato zullen we zien dat we te maken hebben met wat we in het vorige blogje een multinomiale classificatie noemden. Het model van Jordan Bliss Perry alloceert een tekstonderdeel aan Plato of aan een andere auteur uit een gesloten lijstje van zes tijdgenoten: Xenophon, Thucydides, Demosthenes, Lysias, Isocrates en Aeschines.
Taalmodellen en kunstmatige intelligentie
De meest recente ontwikkeling is dat statistische modellen, zoals banken die gebruiken, ook op natuurlijke talen toegepast kunnen worden. De data bestaan dan uit de corpora van diverse auteurs en met statistische modellen beogen onderzoekers de omstreden tekst toe te schrijven aan een specifieke auteur.
Het berekenen van de prestatie-statistieken gebeurt vaak tweemaal, op twee gescheiden subsets van de totale verzameling van historische data. Bij het vinden van het beste verband tussen input-data en de te verklaren variabele (wanbetaling in het voorbeeld uit het vorige blogje) worden in feite de prestaties van het model geoptimaliseerd. Dat kan soms ook op een gewogen manier zijn, bijvoorbeeld dat de modelleur sensitiviteit belangrijker vindt dan specificiteit.
Deze procedure brengt met zich mee dat het statistische model geoptimaliseerd wordt op de toepassing van de input-data. Maar betekent dit ook dat het model ook in andere gevallen (die niet in de ontwikkel-set zaten) goed werkt? Met andere woorden: is het model generaliseerbaar naar andere gevallen of nieuwere gevallen?
[Dit is het derde van acht door Marco Folpmers geschreven blogjes over de mogelijkheid met artificiële intelligentie Plato’s Zevende Brief te analyseren. Het eerste was hier en we moeten het eens hebben over statistische classificatiemodellen en hun prestaties. Maar eerst een woord over bankieren.]
We moeten het eerst eens hebben over banken. Voor banken is het essentieel om een inschatting te kunnen maken of ze hun verstrekte leningen terugbetaald krijgen of niet. Daarom maken banken voor elke individuele klant (zowel voor bedrijven als voor u en mij) een inschatting van de kans op wanbetaling, vaak aangeduid met de Engelse term “Probability of Default” of PD. Is vastgesteld dat bij een kredietaanvraag iemands PD te hoog is, dan krijgt deze persoon de lening niet, of alleen tegen een hoge rente, of na het verstrekken van voldoende onderpand. Maar aangezien elke lening wel enig risico heeft (de PD is nooit nul) en deze PD’s ook in de tijd kunnen veranderen, nemen banken aanvullende maatregelen. De belangrijkste is dat ze kapitaal aanhouden als buffer om verwachte en onverwachte verliezen op te vangen.
Banken berekenen voor elke klant de PD door een statistisch model toe te passen. Dit model is eerder ontwikkeld aan de hand van historische data. In historische data heb je namelijk het profijt van “kennis achteraf”. Je weet wie er in wanbetaling is gegaan (vaak gedefinieerd als achterstanden die meer dan negentig dagen zijn opgelopen). Er wordt dus eerst data verzameld met mogelijke verklarende variabelen alsmede de te verklaren variabele: in wanbetaling wel/niet geraakt.
[Dit is het tweede van acht door Marco Folpmers geschreven blogjes over de mogelijkheid met artificiële intelligentie Plato’s Zevende Brief te analyseren. Het eerste was hier en de vraag is of de brief wel authentiek is.]
Kort gezegd was de acceptatie van de Zevende Brief ook afhankelijk van de tijdgeest. Romm haalt in het introducerende hoofdstuk een onderzoek aan waaruit blijkt dat in de negentiende euw en eerste helft van de twintigste eeuw de acceptatiegraad onder vooraanstaande classici hoog was (onder meer door de support van de vermaarde Duitse classicus Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff), terwijl in de moderne tijd (vanaf de Tweede Wereldoorlog), de sceptici zich meer laten horen.
Of Plato echt de overgeleverde brieven heeft geschreven, en in het bijzonder de meest interessante Zevende Brief, is een probleem dat al zo oud is als de oudheidkunde zelf. Kunstmatige intelligentie en natuurlijke taalmodellen werpen nu nieuw licht op deze kwestie. Met deze modellen kan overtuigend worden aangetoond dat de Zevende Brief inderdaad van Plato is, zij het niet integraal: de brief bevat zeer waarschijnlijke twee forse interpolaties van later datum, conform een recente publicatie.noot J.B. Perry, Examining the Authenticity of Plato’s Epistle VII through Deep Learning (2021; Bachelor’s thesis, Harvard College). Echter, deze publicatie is nog onvoldoende robuust en vervolgwerk is nodig.
Hoe werken eigenlijk deze kunstmatige intelligentie modellen? En wat tonen ze precies aan? Is de Zevende Brief echt van Plato of niet? Waarom zijn de nieuwste inzichten (vanaf 2021) zo overtuigend? En is het bewijs nu helemaal rond? In deze bijdrage gaan wij in op deze vragen.
Ourania, de muze van de sterren- en aardrijkskunde (Archeologisch museum, El-Djem)
Hoe groot is de wereld? Wat is de omtrek van de aarde? Verschillende geleerden hebben zich daar in de Oudheid mee bezig gehouden. De eerste die ik wil noemen, was een sjamaanachtige wiskundige genaamd Dionysodoros van Melos. U weet: een sjamaan is iemand die middels een soort bijna-dood-ervaring komt tot diepere kennis over de werkelijkheid. Die kennis kon aardrijkskundig van aard zijn, zoals we in een eerder blogje zagen, toen ik Aristeas van Prokonessos noemde. Ook Dionysodoros, die mogelijk leefde in de vierde eeuw v.Chr., deelde geografische inzichten. Zijn nabestaanden vonden
in zijn graf een brief, ondertekend door Dionysodoros en gericht aan de mensen in de wereld van de levenden. Daarin stond dat hij vanuit zijn graf was aangekomen aan de onderkant van de aardbol en dat de afstand 42.000 stadiën bedroeg. Geen gebrek aan meetkundigen om de tekst te verklaren: deze brief was vanuit het middelpunt van de aarde verzonden, zeiden zij, wat het verste punt is vanaf de oppervlakte naar beneden en tevens het centrum van de globe. Aan de hand van dit gegeven konden ze de omtrek berekenen en ze verklaarden dat die 252.000 stadiën bedraagt.nootPlinius de Oudere, Natuurlijke historie 2.248; vert. Van Gelder e.a..
Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)
[Derde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]
De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad van Titus Livius was een zeer, zeer ambitieus werk. In totaal verschenen niet minder dan 142 boekrollen. De lengte van zo’n rol kwam overeen met pakweg vijfenzestig bladzijden in een modern pocketboek. De totale lengte van Livius’ geschiedwerk bedroeg dus een slordige 9.250 pagina’s ofwel eenendertig pocketboeken. Hij schreef dit alles in ongeveer vijfenveertig jaar, wat betekent dat hij elk jaar ruim drie rollen of 205 pagina’s publiceerde. Ook met een tekstverwerker is dat alleszins respectabel.
Er zijn twee gevolgen. Eén: dit werk was te groot om volledig tot ons te komen. We hebben alleen nog de boeken 1-10 en 21-45. Misschien duikt nog eens iets op in de Egyptische woestijn of bij de papyri uit Herculaneum, waar inmiddels een boekrol is geïdentificeerd van een jongere Romeinse geschiedschrijver. Twee: het is duidelijk dat Titus Livius gebruik moest maken van eerdere geschiedwerken en zelden de mogelijkheid had tot archiefonderzoek. Dat had gevolgen, waarover we het nog zullen hebben.
Ooit probeerde ik Ivanhoe te lezen. Al na een paar bladzijden ben ik gestopt, omdat de eindeloze beschrijvingen me tegenstonden. Walter Scott vermeldt zelfs de opening van de hals van een kledingstuk. Zulke ultragedetailleerde beschrijvingen laten te weinig over aan mijn verbeelding om me te boeien. De kale verhalen van de Bijbel liggen mij beter: er staat geen woord te veel in, zodat je je fantasie erop los kunt laten.
Dat betekent ook dat nogal wat onuitgelegd blijft. Een beroemd voorbeeld is Daniëls visioen van het Laatste Oordeel.nootDaniël 7. Hij heeft in zijn droomgezicht allerlei monsters uit de zee zien komen, en vervolgens staat er, zonder overbrugging, ineens laconiek “Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam.” Waarom die oude wijze meer dan één zetel nodig heeft, blijft onduidelijk en daarover is dan ook nogal wat rabbijnse discussie geweest. De auteur van Daniël lokt gedachtewisseling uit.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.