WvdK | De geboorte van Aurelianus

Aurelianus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Het idee dat mensen van karakter konden veranderen, was de Grieken en Romeinen eigenlijk vreemd. Als een keizer Tiberius zich tijdens zijn regering steeds despotischer ging gedragen, was niet de man veranderd maar durfde hij, althans volgens de Romeinse auteur Tacitus, zijn werkelijke neigingen meer en meer uit te leven. Het denkbeeld van karakterontwikkeling schijnt te zijn ontstaan in christelijke kringen, waar men een verklaring zocht voor het feit dat zondaars oprecht tot inkeer konden komen.

Omdat, althans zoals men in voorchristelijke tijden dacht, mensen hetzelfde bleven, moest een bijzonder persoon al in zijn jeugd bijzonder zijn geweest. Latere grootheid kondigde zich, voor wie het zien kon, dus al vroeg aan. Herakles wurgde al slangen terwijl hij nog in de wieg lag en de geboorte van een béétje keizer ging ook met voortekens gepaard. Vandaag is het 1806 jaar geleden dat Aurelianus werd geboren, die later als keizer in Rome een tempel zou bouwen voor de zonnegod.

Lees verder “WvdK | De geboorte van Aurelianus”

De stichting van Rome

Nijlpaard op een munt van Philippus Arabs (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Het was in de IJzertijd niet ongebruikelijk dat mensen woonden op heuveltoppen en de vallei van de Tiber was geen uitzondering. Ook voor Rome is het gedocumenteerd: we weten dat er boeren woonden op de toppen van de Palatijn, Velia, Capitool en Quirinaal. Dat de Romeinen later dachten dat hun stad was gesticht door herders, is nog maar een eerste vergissing. Dat de stad was gesticht op 21 april is een volgend misverstand, ingegeven door het feit dat de Romeinen zich niets primitievers konden voorstellen dan herders en de herders in Latium op die dag een oud lentefeest vierden.

Wat in feite gebeurde is dat in de late negende eeuw v.Chr. de heuveltopdorpjes begonnen samen te werken. Een echo klinkt door in een opmerking van de Romeinse taalkundige Festus, die het woord Septimontium, “zevenheuvelenfeest”, moet verklaren en zegt dat

op zeven plaatsen offers werden gebracht: op de Palatijn, op de Velia, op de Fagutal, in de Subura, op de Germalus, op de Caelius, op de Oppius en op de Cispius.

Lees verder “De stichting van Rome”

Eutropius (4): De feiten vaststellen

Polybius. Afgietsel uit het Museo nazionale della civiltà romana, Rome

Terwijl u dit op leest, ben ik voor mijn werk een dagje in Sidon. Omdat ik vermoedelijk geen tijd zal hebben voor mijn dagelijkse stukje, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Toen de historicus Polybius in de tweede eeuw v.Chr. beschreef hoe de Romeinen het Middellandse Zee-gebied hadden verenigd, had hij daarvoor negenendertig boekrollen nodig. Een halve eeuw later gebruikte Valerius Antias eens zoveel rollen voor een geschiedenis van de Romeinse Republiek. Toen Titus Livius aan het begin van onze jaartelling dezelfde materie behandelde, besloeg het resultaat 142 boekrollen. Het moge duidelijk zijn dat Antias en Livius minder tijd besteedden aan archiefonderzoek dan aan het schrijven van hun tekst. Anders dan Polybius, die ooggetuigen interviewde, baseerden Antias en Livius zich op eerdere auteurs, die ze zorgvuldig lazen en in eigen woorden navertelden.

Lees verder “Eutropius (4): De feiten vaststellen”

De laatste heidenen

Severus Alexander (Museum van Dion)
Severus Alexander (Museum van Dion)

Het is Romeinenweek en hoewel ik al schreef dat de Romeinen overal om u heen te zien zijn in allerlei musea of met een gids als Herman Clerinx, zijn er drie dingen die veel meer in het oog springen: het feit dat u woont in een stad, het feit dat u Nederlands spreekt en het feit dat deze zondag uw vrije dag is – met andere woorden, dat u leeft in een cultuur die is gevormd door het christendom. Zelfs onze geschiedbeelden zijn christelijk, zoals het idee waarmee ik deze reeks begon: dat er een machtige strijd tussen christenen en heidenen is geweest. Dat is, ietwat cru geformuleerd, christelijke propaganda.

Even terug naar het begin: er is de laatste jaren heel veel bekend geworden over de wortels van het christendom. Een belangrijke factor is dat eindelijk het embargo van de Dode Zee-rollen is opgeheven en we sinds 2009 beschikken over de volledige tekst, zodat we weten dat het materiaal dat daarvoor bekend was, nogal atypisch is. Pas nu begint het onderzoek naar het antieke jodendom pas echt. Een andere factor is het New Perspective on Paul, dat alles op z’n kop heeft gezet en duidelijk maakt dat Paulus nooit echt heeft gebroken met het jodendom. Meer dan vroeger zien we nu open communicatie tussen joden en christenen tot diep in de vierde eeuw: het is de openheid die het jodendom altijd heeft gehad.

Lees verder “De laatste heidenen”

Archeologische clichés

harzhorn

Als een journalist moet schrijven over archeologie, dan komen de clichés al snel ter tafel. Er zijn “verdwenen schatten” gevonden, er is een “geheim opgelost” en archeologen zoeken naar een “vergeten stad”. Alleen de sportjournalistiek lijkt nog meer clichés te gebruiken, maar ik ben er niet helemaal zeker van.

Soms gaat het cliché met de inhoud op de loop en brengen de clichés schade toe aan de informatieoverdracht, zoals in de kop van het bericht hierboven.

Lees verder “Archeologische clichés”

De Historia Augusta met korting

Ik heb de afgelopen maand enkele keren geblogd over de Historia Augusta, een vierde-eeuwse collectie keizerbiografieën, waarin de grenzen tussen feit en fictie nogal wonderlijk door elkaar lopen. Een antieke mockumentary. Wie houdt van de Oudheid en kon lachen om This Is Spinal Tap, zit met de Historia Augusta gebeiteld. Het boek is sinds een paar dagen leverbaar in de mooie Nederlandse vertaling van John Nagelkerken, en is uitgegeven door Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Meer lezen hier. Kortingsbon downloaden daar.

Historia Augusta (9): Conclusie

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de negende van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

De Historia Augusta is, zoals aan het begin van deze inleiding al werd opgemerkt, vooral leuk om de maskerade, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat het appreciëren van de wetenschappelijke discussie een stevige kennis van het Latijn, van de taalkunde en van statistische methoden veronderstelt, om nog maar te zwijgen van een enorme belezenheid in de antieke literatuur. Zelfs de knapste geleerden hebben, in de ruime eeuw sinds Dessau, in feite maar weinig terreinwinst geboekt. Zeker, een datering in 375 verklaart meer dan een datering in 395, maar het is mogelijk dat binnen een jaar of wat een briljante onderzoeker weer een andere hypothese oppert, die nog meer, of juist heel andere dingen, zal verklaren.

Je hoeft echter geen halve eeuw studie van de laat-Romeinse literatuur achter de rug te hebben, zoals Alan Cameron, om toch plezier te beleven aan de Historia Augusta. Eén reden om de collectie van keizerbiografieën in vertaling te lezen is dat ze ons toont hoe een geletterde Romein naar de wereld keek. Hij geloofde in voortekens, had respect voor de senatoriële stand, was bang voor (en gefascineerd door) de vrouwelijke seksualiteit, verwachtte van hooggeplaatsten enige literaire belangstelling en had simpele morele opvattingen (“schurken kunnen niets uitrichten tegen onschuldigen”). Religieus was hij geen scherpslijper: de grote theologische discussies van de vierde eeuw, waarvan hijmoet hebben geweten, schitteren door afwezigheid – een simpel gegeven dat iedereen die het boek als een heidens strijdschrift heeft willen typeren, te denken had moeten geven.

Lees verder “Historia Augusta (9): Conclusie”

Historia Augusta (8): De biograaf

Keizer Probus (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de achtste van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

De historicus Ammianus Marcellinus, die een indrukwekkende geschiedenis heeft geschreven van de periode waarin de Historia Augusta tot stand lijkt te zijn gekomen, onderbreekt zijn verhaal ergens om te klagen over de oppervlakkigheid van Romes geletterde klasse, die zijns inziens scholing haatte als vergif en te veel triviale lectuur las. Als voorbeelden noemt hij de satiricus Juvenalis, die in deze tijd inderdaad weer in de mode raakte, en Marius Maximus. Waarschijnlijk was ook de laatste opnieuw populair en vond de auteur van de Historia Augusta Maximus’ biografieën, die hij typeert als breedvoerig, maar niks. Mogelijk heeft hij daarom besloten leesbaardere keizerlevens te schrijven.

Toen hij de primaire biografieën had geschreven, wilde onze auteur echter meer, en hij voegde daarom de secundaire biografieën toe, die hij baseerde op het al eerder geschrevene. Het resultaat beviel hem weinig, en daarom begon hij informatie toe te voegen. Dat konden verzonnen documenten zijn, maar zijn opmerkingen over de naam “Antoninus” (die in de primaire en secundaire biografieën nooit tegelijk voorkomen met verzonnen documenten) lijken hem aanvankelijk meer bevrediging te hebben gegeven. Hij besteedt er althans opvallend veel ruimte aan. De reden zou kunnen zijn dat hij met de Antoninus-passages enig verband legde tussen de afzonderlijke biografieën en zo eenheid oplegde aan zijn stof.

Lees verder “Historia Augusta (8): De biograaf”

Historia Augusta (7): Vergeten aristocraten

Gallienus (Altes Museum, Berlijn)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de zevende van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

Beide hypothesen – een datering rond 375 of rond 395 – zijn mogelijk. Dezelfde feiten kunnen erdoor worden verklaard. Camerons eerdere datering kan echter méér feiten verklaren, en verdient daarom de voorkeur. (Deze vuistregel om tussen twee concurrerende hypothesen te kiezen, staat bekend als “excess empirical content”.)

Lees verder “Historia Augusta (7): Vergeten aristocraten”

Historia Augusta (6): Godsdiensttwisten

Balbinus (Archeologisch Museum, Selçuk)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de zesde van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

In de lente van 311 maakte keizer Galerius een einde aan de christenvervolgingen en even later vaardigde zijn opvolger Licinius het “edict van Milaan” uit, waarmee het christendom niet alleen werd toegestaan, maar de gelovigen ook restitutie kregen voor de tijdens de vervolgingen geleden schade. Licinius’ collega-keizer Constantinus, die heerste over een gebied zonder veel christenen, tekende het edict eveneens en zette de prochristelijke politiek voort toen hij in 324 de macht in Licinius’ provincies kreeg. Constantinus’ zonen namen het beleid over. Toen deze generatie was uitgestorven en in 363 een andere dynastie aan de macht kwam, committeerden de nieuwe heersers zich eveneens aan deze koers.

Lees verder “Historia Augusta (6): Godsdiensttwisten”