Hellenistische kronieken uit Babylon

Uw wereld is nooit meer hetzelfde nu u de drie delen van fragment A van de Bagayasha-kroniek (BCHP 18A) heeft gezien.
Uw wereld is nooit meer hetzelfde nu u de drie delen van fragment A van de Bagayasha-kroniek (BCHP 18A) heeft gezien. Ze liggen in het British Museum maar worden niet geëxposeerd.

Terwijl ik vorige week ziek was, heb ik een klusje gedaan dat al jaren lag te wachten: het online plaatsen van de vertalingen van de Babylonische kronieken uit de hellenistische tijd. Dat vergt wat toelichting. Om te beginnen: de Livius.org-website is ooit gebouwd in ouderwetse HTML, wat een vrij simpele manier was om teksten online te plaatsen en van links te voorzien. Het probleem is dat HTML langzaam verandert waardoor de diakritische tekens – de letters met de gekke accenten dus – steeds vaker onleesbaar werden.

Een paar jaar of vijf geleden ben ik daarom begonnen de 3600 webpagina’s om te zetten naar een content management-systeem. Dat moest handmatig gebeuren en het einde van dat project is maar heel langzaam in zicht gekomen. De Babylonische kronieken waren hierbij het moeilijkste, aangezien die bestonden uit twee kolommen: rechts Engels en links een transcriptie van het Akkadisch, de taal van de Babyloniërs. Ik heb die destijds gemaakt omdat de onderzoeker die ze aan het ontsluiten was, Bert van der Spek, zo een manier had om zijn materiaal met collega’s te bespreken. Inmiddels is de eigenlijke publicatie, een boek, in zicht en is die Akkadische transcriptie niet meer urgent.

Ik heb nu de vertalingen omgezet van eenentwintig kronieken uit de vierde tot en met eerste eeuw v.Chr. Dat is betrekkelijk jong materiaal en dat zal u misschien verbazen, omdat het negentiende-eeuwse sjabloon in feite nog steeds bestaat waarin aan de ene kant het mystieke, obscurantistische, despotische Oosten staat met zijn spijkerschriftteksten en anderzijds het humane, rationele, vrije Westen met teksten in Grieks en Latijn. Dat sjabloon is wetenschappelijk zo dood als een pier maar de wetenschappelijke instituten zijn vaak nog steeds gescheiden: enerzijds de Semitische talen, zoals het Hebreeuws en Akkadisch, bij de faculteit der theologie, terwijl de klassieke talen horen bij, eh, klassieke talen aan een letterenfaculteit. De menselijke maat zou in dit sjabloon in Griekenland zijn uitgevonden en het Oosten was in deze visie datgene wat “wij” in “het” Westen hebben overwonnen. Tot vér in de twintigste eeuw selecteerden onderzoekers, ondergebracht aan de theologische faculteiten, die kleitabletten als publicabel die hun hielpen de Bijbel beter te begrijpen (het Zondvloedverhaal bijvoorbeeld). Zo werd het sjabloon dus ongewild versterkt.

Maar er was natuurlijk meer spijkerschriftmateriaal. Veel meer. Langzamerhand worden ook de economische teksten uitgegeven, om eens iets te noemen. Er is alleen een gigantische achterstand: alleen al in het British Museum liggen zo’n 100.000 onuitgegeven kleitabletten. Van de tachtig tabletten in het Rijksmuseum van Oudheden zijn er zesentwintig niet uitgegeven en van de 3100 tabletten in de collectie van het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten wachten er nog 2200 op publicatie.

Langzaam maar zeker groeit echter het totale bestand aan oosterse teksten. In 2010 heeft de Duitse oudheidkundige Michael Streck uitgerekend hoeveel woorden van vóór het jaar 300 n.Chr. in de diverse talen waren overgeleverd. Grieks was met ruim vijftig miljoen de absoluut grootste taal, op grote afstand gevolgd door het Akkadisch en Latijn met ongeveer tien miljoen. (Egyptisch had er ruim zes miljoen, Sumerisch ruim drie miljoen, Hittitisch 700.000 en Hebreeuws 300.000.) Omdat het Akkadisch sindsdien is blijven groeien, zal het inmiddels de tweede antieke taal zijn.

Het jongst-dateerbare kleitablet uit Babylonië dateert uit 77 n.Chr. Niet veel later werd het spijkerschrift ingeruild voor een alfabetisch schrift en maakten de kleitabletten plaats voor perkament. Het Akkadisch bleef echter in gebruik en nog in de vroege derde eeuw ging de Syrisch-Romeinse filosoof Iamblichos ta Babyloniaka studeren. Er zijn nog jongere Akkadische teksten maar het zou me verbazen als er nog iets opduikt uit de vierde eeuw. Hoe lang het Akkadisch daarna nog als informele, niet meer geschreven spreektaal heeft gestaan, is uit de aard der zaak niet meer te achterhalen.

Enfin, terug naar de kronieken. De Hellenistische kronieken uit Babylonië documenteren allerlei zaken: de komst van Alexander de Grote, conflicten onder zijn opvolgers, de mislukte herbouw van de “toren van Babel”, de ondergang van Seleukos I Nikator, de invasie van Ptolemaios III Euergetes (“het klapstuk uit de collectie”, in Van der Speks woorden), een diefstal uit een tempel en het graven van een kanaal langs de Eufraat. Het is misschien niet naar ieders smaak, maar het is wetenschappelijk belangrijk materiaal.

U vindt het hier, samen met wat nog andere kronieken. Sommige zijn gepubliceerd in de reeks CM (Chroniques Mésopotamiennes), andere in de reeks ABC (Assyrian and Babylonian Chronicles). De juweeltjes zijn ABC 3 (val van Nineveh), ABC 5 (inname van Jeruzalem), ABC 7 (ondergang van Babylonië en opkomst van Cyrus de Grote). De tabletten van Van der Spek heten BCHP (Babylonian Chronicles from the Hellenistic Period) en worden in 2020 definitief in boekvorm gepubliceerd.

Ik zal de komende dagen meer bloggen over dit genre, want niet alleen de inhoud is interessant, het genre is ook de moeite waard.

7 gedachtes over “Hellenistische kronieken uit Babylon

    1. FrankB

      Ja, dat kwam voor mij ook als een verrassing. Al had dat niet echt gemogen, want ik wist al dat Babylonische hemelspeurders nog een paar eeuwen enthousiast doorgingen, toen dat fantastiwastische Griekse denken al vrijwel geen vooruitgang meer boekte.

  1. FrankB

    “Dat sjabloon is wetenschappelijk zo dood als een pier”
    Niet alleen wetenschappelijk. Op het gevaar af dat JacobK mij verwijt dat ik die ouwe Grieken en Romeinen niet in hun waarde laat, er is een heleboel in het Grieks-Romeinse denken en doen dat mij met afschuw vervult. Hoe interessant ook, er is maar weinig dat ik voor onze moderne tijd relevant acht.
    Laten we wel wezen. Het overgrote deel van het politieke gekrakeel in de Oudheid is van een niveau waar de ergste brexiteers zich nog voor zouden moeten schamen.
    Dat al maakt uiteraard de paar uitzonderingen des te bewonderenswaardiger. Bovendien mag ik hopen dat men over 2500 jaar met dezelfde mengeling van fascinatie, afschuw en minachting op onze 21e Eeuw terugkijkt.

    1. jacob krekel

      @FrankB dat laatste zit er wel in, dat deze generatie die weet welke gevaren er zijn en daar niet serieus iets aan doet met fascinatie, afschuw en minachting bekeken zal worden, als er tenminste over 2500 jaar nog iemand is die dan terug kan kijken.
      Het slopen van het sjabloon in de wetenschap is mooi, maar in de publieke opinie is het nog springlevend en dat is niet ongevaarlijk, dus mooi dat steeds meer Akkadisch beschikbaar komt. Nu nog de voorlichting hierover.

    2. Otto Cox

      Over het politieke gekrakeel in de oudheid kan ik met je meegaan maar of de brexiteers dat niveau halen waag ik te betwijfelen. 3 weken geleden bijvoorbeeld was er, na de zoveelste stemming, een bijeenkomst van de harde brexiteers (die zich graag “spartans” laten noemen), waar het parlementslid David Jones een speech hield met veel citaten in het Latijn van Tacitus over de strijd tussen de romeinen en de britten. Hij riep het verbijsterde gezelschap op om zich net als de oude britten tegen de romeinen te verzetten. Waarop een iets beter bij de les zijnde brexiteer opmerkte: “Maar de britten zijn toen vernietigend verslagen…”
      Tsja…

      1. Frans

        Ach, dat heeft ons aan deze kant van de Noordzee ook niet tegengehouden om Julius Civilis tot held uit te roepen.

  2. Josine S.

    Toevallig weet ik dat Michael Streck zich voor de schatting van de omvang van het overgeleverde Latijn op een zeer grof getal gebaseerd heeft: het aantal kaartjes in het archief van de Thesaurus linguae Latinae (https://parerga.hypotheses.org/54). De omvang van het Latijn kan inmiddels met een database vrij makkelijk geteld worden en dan komen we voor de periode tot ca. 300 n Chr. op (maar) 5,9 miljoen woorden. Daarmee zou het dus zelfs na het Egyptisch komen. Het meeste Latijn is echter van na 300, ook als we bij het antieke Latijn blijven: zo zijn alleen uit de vijfde eeuw n. Chr. meer dan 11 miljoen woorden overgeleverd (https://parerga.hypotheses.org/56).

Reacties zijn gesloten.