Eutropius (5): De feiten verantwoorden

Kleio, de muze van de historische wetenschappen.

Terwijl u dit op leest, breng ik een bezoek aan het nieuwe Nabu-museum in Batrun. Daar ga ik zeker over bloggen, maar het zal wel volgende week worden. Om u toch te vervelen met de Oudheid, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Toen Polybius zijn negenendertig boekrollen over de opkomst van Rome had voltooid, voegde hij een veertigste toe, waarin hij zijn werkzaamheden verantwoordde. Dat lijkt het eerste deel te zijn geweest dat kopiisten niet langer overschreven, zodat het verloren is gegaan. In de Oudheid bekreunde men zich niet erg om de controleerbaarheid van een geschiedverhaal. Lucianus, die in Hoe schrijf je geschiedenis? vertelt wat de Romeinen van een historicus verwachtten, heeft over het tweede punt op ons lijstje van vijf weinig te melden. Eutropius kan het maar weinig schelen: hij geeft op precies één plaats aan waar zijn informatie vandaan komt en vrijwel zeker heeft hij dat overgeschreven uit een uittreksel van Livius’ verloren twintigste boek.

Toch zou Eutropius op het idee hebben kunnen komen dat het zinvol was zijn tekst te verantwoorden. Het kwam destijds wel degelijk voor, juist bij de auteurs van politiek-getinte historische overzichten. Een voorbeeld is Flavius Josephus, die tegen het einde van de eerste eeuw n.Chr. in zijn Joodse Oudheden en zijn Tegen de Grieken de geschiedenis van de Joden behandelde. Hij benutte daarbij het enorme geschiedwerk van de al genoemde Nicolaus van Damascus en verwees verder naar niet-Joodse bronnen. Die presenteerde hij als externe getuigen, die instonden voor de betrouwbaarheid van zijn betoog. Christelijke auteurs, die in Eutropius’ tijd steeds belangrijker werden, deden hetzelfde, zoals bisschop Eusebius van Caesarea, die de betrouwbaarheid van zijn Kerkgeschiedenis en zijn Leven van Constantijn onderbouwde door oudere documenten aan te halen.

De Joodse en christelijke auteurs, voor wie geloofwaardigheid letterlijk van levensbelang kon zijn, waren niet de enigen die zorgvuldiger waren geworden. Ook antieke biografen als Plutarchus en Suetonius citeren documenten om hun verhaal te onderbouwen, terwijl Livius, die voortdurend werkt met drie of vier bronnen, vaak aangeeft wanneer een bron afwijkende informatie biedt. Het zou te ver gaan te zeggen dat er in de Oudheid een norm was ontstaan voor het verantwoorden van een historiografische tekst – dat zou pas gebeuren in de Renaissance – maar de aanzetten waren er en door het toenemende belang van de christelijke literatuur werden ze in de vierde eeuw herkenbaarder. Eutropius was te weinig vertrouwd met het historisch ambacht om deze ontwikkeling op waarde te schatten.

[Dit was zo’n kort stukje dat ik het straks vervolg]

Een gedachte over “Eutropius (5): De feiten verantwoorden

  1. Toch hanteerden ook eerdere auteurs wel degelijk een vorm van verantwoording. Thucydides’ achtste boek behoefde nog afwerking toen de schrijver overleed, en het meest opvallende verschil met de zeven eerdere boeken is, dat er letterlijke teksten van onderhandelingen tussen de Spartanen en de Perzen worden gegeven. In de eerdere boeken werden dat soort teksten in redevoeringen verwerkt. Deze bewerkingen in de eerste zeven boeken zijn weliswaar zonder bronvermeldingen, maar dat alle schrijvers weinig op hadden met bronnen en verantwoording is m.i. iets te generaliserend.

Reacties zijn gesloten.