Glykon

Glykon

Dat moest ik dus weer hebben. Er is een beroemd beeld van de antieke slangengod Glykon, dat ooit is opgegraven in de Roemeense havenstad Constanţa (het antieke Tomis) en dat tegenwoordig dient als logo van de regionale archeologische musea. Zie boven. Het kunstwerk zelf bevindt zich in het stadsmuseum, dat gesloten is. Ik had het vorige week willen zien, maar dat is dus niet gelukt. Ik zal naar Roemenië terug moeten.

De cultus voor Glykon is rond het midden van de tweede eeuw na Chr. geïntroduceerd door een zekere Alexandros van Abonouteichos. Of beter: dat is wat de Grieks-Romeinse auteur Lucianus van Samosata ons wil laten geloven, maar zijn boekje Alexander, de leugenprofeet is een uiterst vijandig (en uiterst amusant) schotschrift. Het is dus riskant om feiten eruit te distilleren, maar veel alternatieven hebben we niet.

Lees verder “Glykon”

Asinus nica

Asinus Nica (Huis van de ezel, Djemila)

Het bovenstaande Romeinse mozaïek, dat dateert uit de late vierde of vroege vijfde eeuw na Chr., is te zien in het museum van Djemila in Algerije, de antieke stad Cuicul. Het opschriftnoot EDCS-23600210. combineert het Latijnse woord voor ezel, asinus, met de in Latijnse letters geschreven Griekse strijdkreet nika, “win!” Het woord kan ook verwijzen naar de personificatie van de overwinning. De ezel moet dus winnen, of heeft gewonnen, of zal winnen, of overwint – de strekking is duidelijk. De zegevierende ezel was duidelijk iets dat de eigenaar in wiens huis dit is gevonden, en dat de opgravers heel origineel “maison de l’âne” hebben genoemd, na aan het hart lag, want het motief is herhaald. Dus wat betekent het?

Zoals eigenlijk altijd weten we het niet, maar niets weerhoudt ons ervan beredeneerd te gokken. Het is antichristelijke polemiek.

Lees verder “Asinus nica”

Antonijnse Epidemie

De genezende godheid Asklepios (Archeologisch museum, Antalya)

U weet: oudheidkunde is de wetenschap van de dataschaarste. Daardoor zijn er allerlei dingen die je nooit weten zult omdat je ze eenvoudigweg niet weten kunt. De Alpenpas waarover Hannibal naar Italië trok bijvoorbeeld. De data die oudheidkundigen wél hebben, zijn bovendien divers en worden bestudeerd door verschillende soorten onderzoekers, die onvoldoende communiceren om elkaar echt te begrijpen. Neem de gebeurtenis die bekendstaat als de Antonijnse Epidemie: de ziekte die na 165 na Chr. het Romeinse Rijk trof. Bij nader inzien is het allemaal minder duidelijk dan het lijkt.

Pestis, lues, loimos

Waaruit bestaat het bewijsmateriaal? Toevallig weet ik er iets van, omdat ik ooit belangstelling had voor demografische ontwikkelingen in de Romeinse tijd. Diverse bronnen noemen ziektes en gebruiken dan Latijnse woorden als pestis en lues of Griekse woorden als λοιμός. Hoewel “epidemie” de vertaling kan zijn, wil dat nog niet zeggen dat er sprake was een epidemie. Om te beginnen hebben deze woorden een bredere betekenis. Feitelijk verwijzen ze naar aandoeningen waarvoor antieke artsen geen meer specifieke naam hadden. Dat is dus elke ziekte die ze voor ’t eerst constateerden, ongeveer zoals wij in het najaar zeggen dat “de” griep heerst, ongeacht welk virus dat precies is.

Lees verder “Antonijnse Epidemie”

Vragen rond de jaarwisseling (1)

De schijf van Faistos

Ik beantwoord de hele week door vragen, en ik nodigde u onlangs uit om nog meer vragen te stellen. En zo komen we vandaag bij het lijstje oudejaarsvragen van 2024. Voilà, daar gaan we.

1. Weten we iets over verhalenvertellers in de antieke culturen?

Dat vind ik moeilijk te zeggen. Veel theorieën lijken te zijn gebaseerd op enerzijds goed gedocumenteerde middeleeuwse barden en troubadours, die zichzelf muzikaal begeleidden en informatie deelden, deels gesproken en deels gezongen. Homeros past ook in die profielschets. Aanvullende informatie komt uit de Indo-Europeanistiek – ik schreef er hier al iets over.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (1)”

Pen versus penseel

Een lierspeler (© Metropolitan Museum of Art, New York)

Schilder, die vormen van jou zijn maar diefstal. Het lukt je echter niet
een stem te roven, want je vertrouwt op pigment.noot Griekse Anthologie 11.433.

Dit Griekse epigram staat op naam van Lucianus van Samosata, die vooral bekend is om zijn satirische dialogen. Uit zijn eigen vermeldingen van schilderwerken kunnen we opmaken dat hij in de tweede eeuw na Chr. allerlei klassieke schilderwerken heeft bewonderd die geroemd werden om hun levensechte kleurschakeringen en overtuigende diepte-effecten. Alle kleurige prestaties op muren en panelen ten spijt, in het epigram hoont de dichter de schilder om de beperkingen van zijn kunst. Het gedichtje gaat echter niet over de onmogelijkheid een geluidsopname te maken. Tussen de regels door lezen we iets interessanters: de tijdloze stelling dat de schilder niet kan tippen aan wat de dichter vermag.

Lees verder “Pen versus penseel”

De mythe van Adonis

De bron van de rivier de Adonis

Hoewel uitgeverij Athenaeum in de jaren negentig heeft geprobeerd de Grieks-Romeinse auteur Lucianus van Samosata (ca.125 – ca.180) onder de aandacht van het grote publiek te brengen, is zijn oeuvre nooit echt aangeslagen. En dat is jammer, want het is een grappige auteur met een brede belangstelling. Wie De ontmaskering van de charlatans nog kan bemachtigen, zal meer dan eens bulderen van de lach om de manier waarop Lucianus afrekent met religieuze oplichters. Of beter: wat hij beschouwt als oplichters. Die nuance doet echter niet af aan ons leesplezier.

In De Syrische godin is Lucianus serieuzer van toon. Hij verkent de religie van de Levant, die hem vreemd is, maar die hemt desondanks (of juist daarom) fascineert. In mijn onlangs begonnen reeks blogjes met vertaalde teksten over Libanon, mag de volgende beschrijving van de eredienst in Byblos niet ontbreken – en eerlijk gezegd vraag ik me af waarom ik dit verhaal pas nu online plaats.

Lees verder “De mythe van Adonis”

III Gallica (2)

Soldaten van III Gallica eren keizer Caracalla (Nahr al-Kalb; meer)

[Tweede blogje over de geschiedenis van het Derde Legioen Gallica. Het eerste was hier.]

Armenië, Judea en Italië

Tijdens de regering van keizer Nero nam het Derde Legioen Gallica onder leiding van Corbulo deel aan de oorlogen in Armenië waarover ik al schreef. In 66 maakte een onderafdeling van III Gallica deel uit van het expeditieleger waarmee Gaius Cestius Gallus vergeefs probeerde de Joodse Opstand in de kiem te smoren. Vermoedelijk dienden de soldaten nog even onder Vespasianus, de door Nero gestuurde generaal die de regio moest pacificeren. Begin 68 werden ze echter overgeplaatst naar de Donau, waar III Gallica en VIII Augusta met succes de grens beveiligden tegen de Roxolani.

Lees verder “III Gallica (2)”

De hele Griekse Oudheid in een lift

Mykene, Leeuwenpoort

Ik kreeg een recensie-exemplaar toegestuurd van Hoe de hele Griekse Oudheid in een lift past van de Griekse archeoloog Ted Papakostas. Zoiets doet een uitgever natuurlijk in de hoop dat ik erover schrijf, liefst zo positief mogelijk. Laten we de uitslag maar meteen geven: het boek is niet volmaakt maar zal zeker mensen plezier doen.

Problematische vorm

De premisse: twee mannen zitten vast in een lift, raken aan de praat en hun gesprek verandert gaandeweg in een college over de oude geschiedenis van Griekenland. Tegen de tijd dat de kerstening is bereikt en de oude wereld begint over te gaan in de middeleeuwse van het Byzantijnse Rijk, doet de lift het weer en is het gesprek voorbij. Dat dit verrekte toevallig is, constateert ook de ik-figuur, maar evengoed is de vorm van het boek onnatuurlijk.

Je merkt het eveneens aan de vragen die de naamloze liftgenoot stelt. Ze duwen het gesprek precies in de richting waar de uitleg heen moet. Nu stelt een aandachtige luisteraar vaak de vragen die een docent nodig heeft, maar in Hoe de hele Griekse Oudheid in een lift past gebeurt het wel heel nadrukkelijk. Ik moest denken aan Reuzen van de Lage Landen, waarin hetzelfde gebeurt. Robbert Dijkgraaf stelt daar vragen over Nederlandse wetenschappers, maar uit de mond van een KNAW-president zijn dat vragen naar de bekende weg. De onoprechtheid van de vragensteller blokkeert het leesplezier en zit de informatieoverdracht in de weg.

Lees verder “De hele Griekse Oudheid in een lift”

Anatomie van een wond

Een gewonde retiarius (Villa Dar Buc Ammera, Zliten; nu in het Nationaal Museum in Tripoli)

Iedereen met ook maar de minste kennis van de oudheid heeft wel eens van gladiatoren gehoord. Mannen, en vrouwen, die in de arena’s van het oude Rome vochten, gewond raakten en stierven.

Wat tegenwoordig een onlosmakelijk deel is van iedere film over de Oudheid, was ook toen al een geliefd onderwerp en stond afgebeeld op diverse voorwerpen: van bekers en olielampen tot  immense vloermozaïeken. Een van de bekendere in de laatste categorie is het bovenstaande mozaïek uit de Villa van Dar Buc Ammera bij de stad Zliten in Libië.

Het is tegenwoordig te zien in het Nationaal Museum in Tripoli en toont scènes van dierengevechten, executies en gladiatorengevechten. Mij heeft een klein detail van het grote mozaïek altijd geïntrigeerd.

Lees verder “Anatomie van een wond”

Eutropius (5): De feiten verantwoorden

Kleio, de muze van de historische wetenschappen.

Terwijl u dit op leest, breng ik een bezoek aan het nieuwe Nabu-museum in Batrun. Daar ga ik zeker over bloggen, maar het zal wel volgende week worden. Om u toch te vervelen met de Oudheid, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Toen Polybius zijn negenendertig boekrollen over de opkomst van Rome had voltooid, voegde hij een veertigste toe, waarin hij zijn werkzaamheden verantwoordde. Dat lijkt het eerste deel te zijn geweest dat kopiisten niet langer overschreven, zodat het verloren is gegaan. In de Oudheid bekreunde men zich niet erg om de controleerbaarheid van een geschiedverhaal. Lucianus, die in Hoe schrijf je geschiedenis? vertelt wat de Romeinen van een historicus verwachtten, heeft over het tweede punt op ons lijstje van vijf weinig te melden. Eutropius kan het maar weinig schelen: hij geeft op precies één plaats aan waar zijn informatie vandaan komt en vrijwel zeker heeft hij dat overgeschreven uit een uittreksel van Livius’ verloren twintigste boek.

Lees verder “Eutropius (5): De feiten verantwoorden”