Een Algerijnse officier in Vechten

Inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een half jaar geleden was ik op reis door Algerije en hoewel ik veel mooie dingen heb gezien, was er ook een mini-teleurstelling: terwijl ik wél de grafsteen vond van Adiutor, iemand uit Nederland die belandde in Algerije, vond ik niets over Antistius, een Romeinse bestuurder uit de tweede eeuw n.Chr. die de omgekeerde reis maakte. Er zijn in Algerije minstens twee inscripties (deze EDCS-13100076 en EDCS-16300167) maar ik heb die niet gezien. Een derde inscriptie is gevonden bij de Muur van Hadrianus (EDCS-07801373) en een vierde – hier boven – komt uit Vechten, even onder Utrecht. Die staat bekend als EDCS-11100902 en als u denkt dat ze slecht leesbaar is, heeft u gelijk, maar zie hieronder.

De jonge bestuurder

Quintus Antistius Adventus Postumius Aquilinus is rond 128 geboren in een senatoriële familie uit de Numidische stad Thibilis, halverwege Cirta en Hippo Regius, en profiteerde van het netwerk van Afrikaanse bestuurders dat in de loop van de tweede eeuw steeds meer invloed kreeg in Italië en uiteindelijk een keizer zou leveren, Septimius Severus. Uit de vier inscripties kennen we Antistius’ loopbaan, die hem kort voor 150 moet hebben gebracht naar Rome, waar hij een van de leden was van het college der vigintiviri, de beginnende magistraten, meest senatorenzonen, die ieder jaar werden benoemd. Hij was een van het viertal dat samen verantwoordelijk was voor het onderhoud van de straten in Rome.

Stap twee: een officiersfunctie bij het Eerste Legioen Minervia aan de Rijn, in Bonn, vermoedelijk in 151-152. Een normale carrièrestap, net als de volgende halte: de quaestuur, een financieel ambt dat Antistius uitoefende in Thessaloniki. Hiermee trad hij toe tot de Senaat. Het zou vreemd zijn geweest als het niet zo zou zijn gegaan, want hij kwam uit een senatoriële familie en had een goed patronagenetwerk.

Vervolgens was Antistius verantwoordelijk voor het toezicht op de ridderstand, de tweede laag van de Romeinse elite, en daarna was hij volkstribuun. Het waren geen sinecure-aanstellingen maar hij hoefde er weinig voor te reizen, kon verblijven in de villa die hij in Rome zal hebben gehad en had gelegenheid om tussen de bedrijven door zijn Algerijnse landgoederen te bezoeken. Dat laatste gold ook voor zijn volgende positie: assistent-gouverneur in Africa. Zo rond 155-157 resideerde hij in Karthago, waar hij gezien heeft hoe de Antonijnse Baden werden aangelegd, en hoewel hij nu behoorlijk aan de bak moest, zal hij voor of na zijn ambtstermijn even naar Thibilis zijn gegaan.

Ten oorlog

Hierna werd hij praetor, een juridische functie. Deze valt te dateren in 158. Je bekleedde deze functie op je dertigste of later, waaruit volgt dat Antistius moet zijn geboren in 128 of misschien 127 of 126, maar vermoedelijk niet eerder.

Deze functie was beslissend voor je verdere carrière. Je had ervaring in het leger, je kende de rechtspraak en de financiële sector, je had wat gereisd, je had een eigen netwerk opgebouwd en je was bekend bij de keizer. Nu kwamen de werkelijk belangrijke bestuurstaken en voor Antistius begon een militaire loopbaan. Zijn eerste positie daarin was het commando over het Zesde Legioen Ferrata in Carpacotna (zeg maar Megiddo). Dat oefende hij blijkbaar tot tevredenheid uit, want in 162 was hij commandant van het Tweede Legioen Adiutrix, dat deelnam aan de oorlog die keizer Lucius Verus voerde tegen de Parthen. Hier werd hij onderscheiden, wat betekent dat hij gevechtservaring opdeed, en onmiddellijk daarna kreeg hij een aanstelling als gouverneur van de provincie Arabia. Zijn residentie was Bosra, even ten zuiden van Damascus, en hij moet hebben gereisd naar steden als Petra en Hegra.

Weer een nieuwe functie, dit keer in Rome: curator van de openbare werken. Zeg maar rijksbouwmeester. Het waren onrustige tijden want er woedde een enorme epidemie – mogelijk een ziekte die lijkt op pokken – en aan de Donaugrens waren allerlei stammen actief, die er zelfs in slaagden Aquileia aan de Adriatische Zee te bereiken.

Keizer Lucius Verus reisde opnieuw af naar het front en verleende zijn wapenbroeder uit de Parthische Oorlog buitengewone bevoegdheden voor de bescherming van Italië en het Alpengebied, waarbij hij twee pas-gelichte legioenen, het Tweede en het Derde Legioen Italica, moest trainen. Toen Lucius Verus bezweek aan de epidemie en zijn medekeizer Marcus Aurelius het commando overnam, zal Antistius de nieuwe oppercommandant hebben geadviseerd. Misschien is dit het moment waarop hij een priesterschap kreeg toegekend: hij was fetialis. Die religieuze functie, ooit bedoeld om oorlogsverklaren te regelen, had weinig om het lijf en gold vooral als eerbetoon voor bewezen diensten.

Vechten

Antistius werd vervolgens gouverneur van Germania Inferior (170 n.Chr.). Dit betekent dat de keizer hem volledig vertrouwde, want de twee legioenen die hier lagen, het al genoemde Eerste Minervia in Bonn en het Dertigste Ulpia Victrix in Xanten, waren op dit moment niet op volle sterkte: Lucius Verus en Marcus Aurelius hadden onderdelen overgebracht naar de Donau. Antistius kon dan ook niet verhinderen dat een groep Chauken via de Noordzee de fortenreeks langs de Rijn omzeilde en het Vlaamse kustgebied plunderde. Zijn collega Didius Julianus, gouverneur van Belgica, rekende met hen af.

Het zal in deze jaren, tussen 170 en 173, zijn geweest dat Antistius in Vechten, het antieke Fectio, de genoemde inscriptie liet oprichten voor Jupiter. Hier is ze nog een keer, zoals ze momenteel wordt getoond op de expositie “Romeinen langs de Rijn” in het Rijksmuseum van Oudheden.

Nog eens de inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een glanzende carrière

Korte tijd later verruilde Antistius Keulen voor Londen, waar hij gouverneur was van Britannia. Over wat hij hierna deed, hebben we geen informatie, maar zijn zoon Lucius trouwde kort voor 180 met prinses Vibia Aurelia Sabina, een dochter van Marcus Aurelius en keizerin Faustina II.

Antistius had een prachtige carrière gemaakt. We kennen er echter meer. Ik heb weleens geblogd over Velius Rufus. Deze inscriptie uit Brühl is curieus maar documenteert een even mooie loopbaan, die zelfs nog wat hoger gaat: Publius Helvius Pertinax, die zij aan zij met Antistius moet hebben gestaan in de oorlogen tegen de Parthen en aan de Donau, bracht het tot keizer. Ik ben er nooit zo voor om antieke verhoudingen met moderne situaties te vergelijken, maar voor één keer: officieren als Antistius, Velius Rufus en Pertinax zijn voor Rome wat de mannen uit Cullum’s Register zijn voor Amerika.

[Dit was het 367e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

13 gedachtes over “Een Algerijnse officier in Vechten

  1. FrankB

    “had een goed patronagenetwerk”
    Zo langzamerhand word ik nieuwsgierig – waren er ook die van het gebaande pad afgingen en iets heel anders gingen doen? Of die onderweg naar de top struikelden, liefst spectaculair?

    1. In een samenleving zonder vaste scholing en diploma’s was patronage extreem belangrijk. Als je iemand zocht voor een positie, moest je afgaan op aanbevelingen. Verbluffend veel brieven uit de Oudheid gaan precies daar over. Natuurlijk struikelden er weleens mensen, maar het Romeinse systeem, waarin mensen die de juiste aanbevelingen hadden werden geplaatst in een jaarlijks klasje van beginnende bestuurders (dat, anders dan de naam vigintiviri doet vermoeden, zesentwintig mensen telde), en vervolgens enkele nogal diverse ambten bekleedden, functioneerde alleszins redelijk. Je pakte van alles wat mee, zag wat van de wereld, en als je ervaring had opgebouwd en de mensen wisten waar je talent zat, ging je daar verder. De man uit Vechten kreeg een carrière in het leger en in civiele functies in grensprovincies; een Plinius de Jongere (die ik wel had mogen noemen) was meer van het praktische werk.

      Een mislukking? Misschien Pontius Pilatus. Tien jaar op dezelfde functie (maar de omstandigheden waren ongebruikelijk en de loopbanen lagen ttv Tiberius nog niet vast), nogal wat geweldsincidenten en uiteindelijk verwijderd na gewelddadig politieoptreden.

      1. Rob Duijf

        ‘(…) een jaarlijks klasje van beginnende bestuurders (dat, anders dan de naam vigintiviri doet vermoeden, zesentwintig mensen telde) (…)’

        Oorspronkelijk heette dit college ‘vigintisexviri’ en bestond het dus uit 26 jonge mannen van 20 jaar, die die functie voor een jaar bekleedden.

        Augustus hervormde het college en het bracht het aantal terug tot ‘vigintiviri’. Zo beperkte hij het aantal ontslagen op administratieve posities en hield de ervaren mannen langer in hun functie vast.

        1. FrankB

          “Zo beperkte hij het aantal ontslagen”
          Daar zou ik best een voorbeeld van willen zien. Ik twijfel er niet aan dat het Romeinse patronagestysteem goed functioneerde, zoals JonaL schreef. Anders had het het niet zoveel eeuwen volgehouden. Precies daarom ben ik nieuwsgierig naar hen die buiten de boot vielen. Dus zijn er voorbeelden van “ontslagen op administratieve posities”?

          1. Rob Duijf

            Tja, exacte data kan ik niet geven, Frank, maar het ging niet om ‘buiten de boot vallen’. Er was iets anders aan de hand.

            Augustus vormde een professioneel ambtenarenapparaat door voor de hogere klassen (‘senatori’ en ‘equites’) een carriéresstructuur voor de overheidsdienst te ontwikkelen.

            Tot die tijd werkten in de Republiek functionarissen namelijk met ‘imperium’, een vorm van absolute macht die door de staat werd verleend. Die werkte echter door zijn ondoorzichtigheid corruptie in de hand. Zo werden de prestigieuze banen doorgeschoven naar incapabele familieleden en vrienden en gingen bekwame functionarissen voor de staat verloren.

            Augustus probeerde met zijn hervormingen juist controle over het staatsbestuur te verkrijgen door transparantie in de bureaucratie door te voeren.

            https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Vigintisexviri

      2. Bert Schijf

        Patronage is altijd (ook nu) een middel geweest voor elites om hun posities over generaties te handhaven. Daarbij waren er natuurlijk ook weleens mislukkingen. Dat heeft niets met de al of niet aanwezigheid van diploma’s te maken. Hoe de Romeinen er zelf naar keken weet ik niet.

  2. Bert Schijf

    Een interessant voorbeeld hoe met beperkte data een loopbaan kan worden gereconstrueerd, die een grote geografische mobiliteit laat zie. Maar aansluitend op FrankB, die verklaring met het patronagenetwerk is wat sociologen een selectie op de afhankelijke variabele noemen. De verklaring zou pas geldig zijn als we van alle zonen zouden weten hoe groot de kans is om een senatorpositie te bezetten. De benodigde gegevens zullen er wel niet zijn, vermoed ik. Erg interessant ook om te zien hoe een tekst leesbaar kan worden gemaakt. Maar wat staat er eigenlijk. Of moet ik daarvoor naar Leiden.

    1. Er brak een burgeroorlog uit, zeker, maar daaruit kwam de Severische dynastie voort, die het nog een jaar of veertig uithield. Ze komt er in de bronnen niet al te best vanaf, maar ze deden het niet heel slecht. Militair bezien was het rijk groter dan ooit; afgaand op de aantallen inscripties was de welvaart ongekend. Ik zelf zou de feitelijke crisis later plaatsen.

    2. FrankB

      Ik ben het eens nagegaan door vanaf Commodus wat korte keizerbiografieën te bekijken. Via de Nldse Wikipedia vond ik

      http://www.roman-emperors.org/commod.htm

      Schrappen we alle roddel en achterklap (te beginnen met die van Cassius Dio) dan blijft er niet zoveel negatiefs over. De burgeroorlog die in 193 CE begon was niet ernstiger dan bv. het Vierkeizerjaar. En we kunnen de achtereenvolgende keizers moeilijk verwijten dat ze geen begrip hadden van inflatie, want dat had niemand in die tijd.
      Het Rijk had met structurele problemen te kampen waar geen enkele keizer (behalve misschien Augustus, maar aan hem kon niemand tippen) grip op had. Die zetten een paar desastreuze ontwikkelingen in gang waar niemand begrip van had.
      Het ging pas echt mis met Maximus Thrax. Of onder Marcus Aurelius, want als er nou één goed voorbeeld is van historisch determinisme dan wel de Crisis van de Derde Eeuw. Competente keizers hadden die hooguit uitgesteld. Uitstellen was precies wat Marcus Aurelius deed.

  3. Robert

    “Zijn collega Didius Julianus, gouverneur van Belgica, rekende met hen af.”

    Dit zou het moment kunnen zijn geweest waarop het marskamp op de Ermelose Heide werd aangelegd.

  4. Frans

    Ik heb onlangs een boek gelezen over keizer Max en auteur Paul Paerson noemt toch nog een paar pluspuntjes: hij wordt niet zo verdorven afgeschilderd als sommige andere keizers en deed zijn best om het rijk te verdedigen. De situatie was gewoon veranderd: het rijk was niet meer in de aanval, maar in de verdediging en keizers moesten van hot naar her marcheren om weer een nieuwe aanval af te slaan. En dat ze de soldij maar bleven verhogen om de loyaliteit van de legioenen te kopen maakte het leger natuurlijk steeds duurder.

Reacties zijn gesloten.