
In 2008 probeerde ik in Mari te komen. De ruïnes van de Syrische Bronstijdstad lagen vanuit mijn hotel in Deir ez-Zor ruim honderd kilometer stroomafwaarts langs de Eufraat, op een steenworp van de grens met Irak. Twee uur rijden zou voldoende moeten zijn. We zijn er echter nooit aangekomen. De Amerikaanse luchtmacht gooide bommen in het grensgebied. Ik heb het dus moeten doen met voorwerpen uit de musea van Damascus, Deir ez-Zor, Aleppo, Berlijn en Parijs. Het leeuwtje hierboven zag ik in Aleppo, het leeuwtje hieronder staat meestal in het Louvre. En momenteel staat het in Morlanwelz, in het Musée Royal de Mariemont.
Voor de Nederlanders: dat is een van de mooiste musea van Europa, gelegen in een prachtig park, niet ver van La Louvière. Het is vreemd dat het zo onbekend is, want het heeft een degelijke collectie en er zijn prachtige tentoonstellingen, zoals die over Mithras waarover ik eerder blogde. De expositie over Mari – of Tell Hariri – doet niet onder voor eerdere tentoonstellingen.

Driemaal Mari
Mari, vernoemd naar een stormgod Mer, bloeide tussen pakweg 2900 en 1750 v.Chr. Een Bronstijdstad dus, gelegen tussen de stadstaten in het zuiden van Irak en de stadstaten in de Levant. De stad is een vroeg voorbeeld van een geplande aanleg: de bijna tien meter hoge muur vormt een perfecte cirkel. Daar omheen was nog een tweede muur, twee meter hoog, wat voldoende was om boogschutters dekking te geven. Er waren speciale wijken voor pottenbakkers, voor drapeniers, voor smeden.
De schrijftaal was Sumerisch, zodat de eerste opgravers de stad beschouwden als een kolonie of – iets voorzichtiger – de meest noordwestelijke buitenpost van de Sumerische cultuur. Of zoveel gewicht aan de schrijftaal mag worden gehecht, is een andere vraag. Hoe dat ook zij: deze stad heeft een kleine vier eeuwen bestaan, is rond 2600 v.Chr. om onbekende redenen ontruimd en een halve eeuw later weer in gebruik genomen.

De tweede, eveneens Sumerisch schrijvende stad was nog meer gepland. Het nieuwe stadscentrum lag bovenop het oude, dus hoger, waardoor de naar de stadsmuur lopende straten makkelijk te voorzien waren van naar buiten afwaterende rioleringen. Hier waren diverse tempels en het paleis van de koning, die heerste over een grote staat langs de Midden-Eufraat. Kort voor 2250 wist Mari de rivaal Ebla, wat meer noordwestelijker, uit te schakelen, om korte tijd daarna zelf te worden onderworpen door koning Sargon van Akkad. Dat moet rond 2250 zijn geweest.

Sargons opvolger Maništušu nam de stad opnieuw in gebruik, onder een gouverneur, de šakkanakku. Het rijk van Akkad verloor echter al snel zijn greep op de buitengewesten en Mari werd weer onafhankelijk. Oudheidkundigen onderscheiden vier groepen šakkanakkus:
- De gouverneurs
- De restaurateurs, die de onafhankelijkheid herstelden
- De koningen ten tijde van Ur III (eenentwintigste en twintigste eeuw)
- De late šakkanakkus, tot 1751
Een nieuwe, doorgaans Amoritisch genoemde dynastie nam uiteindelijk de macht over. Het paleis uit de Midden-Bronstijd is integraal opgegraven. Het telde niet minder dan 275 kamers. Mari was opnieuw de hoofdstad van een deels stedelijk, deels nomadisch rijkje langs de Midden-Eufraat. Anders dan voorheen, toen de Sumerische invloed merkbaar was, kreeg Mari nu een meer Syrisch karakter. De stad werd – volgens de lage middenchronologie – in 1751 verwoest door koning Hammurabi van Babylon.
Latere geschiedenis van Mari
De stad bleef bestaan, bloeiend zelfs, maar herkreeg zijn onafhankelijkheid niet meer. Het behoorde nu eens bij Babylonië, dan weer bij Assyrië. Pas in de derde eeuw v.Chr. kwam een einde aan de bewoning.

In 1933 arriveerden de eerste Franse archeologen, waarvan André Parrot de bekendste is. Tot 1974 leidde hij niet minder dan eenentwintig campagnes. Hij stond voor een enorme opgave, want de stad was zeer goed bewaard. Beide verwoestinglagen waren momentopnamen van een samenleving, en in die zin vergelijkbaar met Pompeii. De stad was bovendien heel groot. Elke keer dat de archeologen een deep sounding deden om naar de oudste lagen te gaan en zo de stratigrafie vast te stellen, deden ze zoveel belangrijke ontdekkingen dat ze eerst die vondsten moet vrij leggen. Daar komt natuurlijk nog bij dat een opgraving naast een rivier extra moeilijk is omdat je onder de waterspiegel belandt. Uiteindelijk zijn de onderste lagen overigens wel bereikt, maar de opgraving is gigantisch en Parrot wist meteen dat conservering lastig zou worden.

Er zou een boek te schrijven zijn over de problemen tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen Parrot klem zat tussen Vichy, de Vrije Fransen, Britse garnizoenstroepen en Syriërs die onafhankelijk wilden zijn. De bank van Deir ez-Zor financierde toen de bewaking. Het laatste deel van de geschiedenis is de plundering tijdens de Syrische Burgeroorlog. Vanaf 2011 en tot na 2017 zijn het koninklijke paleis, de tempels van Dagan en Ištar en een badhuis “onderzocht” op kostbaarheden.
Invloed
Voor Syrië en de Arabische wereld werd Mari tot een soort lieu de mémoire. Sommige vondsten hebben een welhaast iconische status. Eén voorbeeld: een van de beroemdste beelden uit Mari is dat van een watergodin. Dat beeld heeft model heeft gestaan voor een Arabische prijs voor mensen die zich hebben ingezet voor invaliden.

***
De tentoonstelling Mari en Syrie. Renaissance d’une cité au 3e millénaire duurt nog tot en met 7 januari 2024. De gelijknamige catalogus kost €35. Later meer.
Zelfde tijdvak
“Woestijnkunst” (bij gebrek aan betere naam)juni 1, 2019
Amuletoktober 22, 2015
Aššur, de eerste hoofdstad van Assyriëoktober 10, 2021

Dat zijn toch wel hele rare leeuwen. Het lijken wel kikkers. Dat beeld van die zittende man is dan weer wel mooi.
Maarre… Voor 7 januari, dat ga ik niet redden.