De essenen en de Dode-Zee-Rollen

In de Vierde Grot van Qumran zijn de meeste Dode-Zee-rollen gevonden. De grot ligt recht tegenover de ruïne. Het is moeilijk voorstelbaar dat er geen relatie tussen de bewoners van het gebouw en de teksten in deze grot is geweest.

Als, zoals ik in het eerste stukje schetste, het essenisme inderdaad pluriform was, is het goed denkbaar dat een deel van de Dode-Zee-rollen, zoals vaak wordt aangenomen, esseens is. Dat er verschillen zijn tussen de inhoud van de rollen en de informatie van de Joodse auteur Flavius Josephus (en enkele van zijn collega’s), valt dan te verklaren vanuit dit pluriforme karakter. Het probleem is natuurlijk dat zo vroeg of laat alles met alles valt te combineren. Om deze reden is lang niet elke geleerde overtuigd van de identificatie. Ik mag dan niet zo geleerd zijn, het lijkt me verstandig onderscheid te blijven maken tussen de essenen en de Dode-Zee-rollen, tot er meer duidelijkheid is.

Overeenkomsten en verschillen

Maar goed. Er zijn overeenkomsten. De Gemeenschapsregel beschrijft de inwijdingsrituelen die ook Josephus noemt. Predestinatie, dualisme, celibaat, gemeenschappelijk bezit en maaltijden, rituele baden en halachische kwesties komen in de Gemeenschapsregel eveneens aan de orde, terwijl andere teksten de sabbat beschrijven zoals ook Josephus doet. Er zijn echter ook complicaties. Zo komt de naam “essenen” (Aramees ḥsyn, “de vromen”) niet voor in de sektarische teksten. Een andere moeilijkheid is dat Filon, Plinius en Josephus allemaal niet datgene vermelden wat ons het meest treft bij het lezen van de Dode-Zee-rollen: de sektariërs dachten eschatologisch. Ze meenden dus dat de Eindtijd nabij was.

Er zijn ook tegenspraken tussen de rollen zelf. Terwijl de Gemeenschapsregel het leven beschrijft van een celibataire mannengemeenschap, lijkt het Damascusgeschrift bedoeld voor de (ook door Josephus genoemde) getrouwde essenen, die leefden in zogeheten “legerplaatsen” – wat dat ook geweest mogen zijn. Voor de gehuwden biedt het Damascusgeschrift voorschriften over het uithuwelijken van dochters en over bevallingen, en omdat deze mensen te maken konden hebben met niet-joodse buren, zijn er ook regels voor de omgang met heidens offervlees en metaal.

Eén van de interessantste discussies in het Damascusgeschrift betreft het redden van mensen op de sabbat. Ik blogde er tien jaar geleden al eens over. De auteur van het Damascusgeschrift oordeelde dat het niet was toegestaan iemand die in het water was gevallen, er met een ladder of een touw uit te halen. De farizeeën meenden daarentegen dat de redding van een leven belangrijker was dan de sabbatsrust. Tenminste één groep sektariërs stemde met de farizeeën in en week af van het Damascusgeschrift, want in een jongere tekst, de zogeheten Orderegel van Damascus, lezen we dat men iemand die in het water is gevallen, een kledingstuk mocht toewerpen waarmee hij zich op kon trekken.

Qumran

Een onopgelost probleem is de relatie tussen de sektarische groeperingen en de nederzetting bij Qumran. Voor zover valt na te gaan, is het gebouw rond 100 v.Chr. in gebruik genomen, aanvankelijk als fort maar later als versterkte boerderij, waar zo’n dertig mensen zorgden voor een dadelpalmplantage. (Archeologen vonden tienduizenden dadelpitten.) Anders dan vaak wordt beweerd, was dit geen afgelegen plaats: de Dode Zee was destijds goed bevaarbaar en Jericho viel in een halve dag te bereiken. Uit papyrus-, keramiek- en muntvondsten blijkt dat de bewoners volop handelscontact hadden met de buitenwereld. Misschien zijn er kruiken vervaardigd. Dit productiecentrum werd rond 30 v.Chr. vergroot en bleef in gebruik tot 68 na Chr., toen de Romeinse troepen door het gebied trokken en in Qumran een klein garnizoen legerden.

Qumran kan de plaats zijn geweest die Plinius op het oog had toen hij schreef dat de essenen woonden bij de Dode Zee. Het probleem is dat het Latijn net iets te ambigu is om zeker daarvan te zijn. Anders was het probleem opgelost.

Het valt niet meer uit te maken waarom de dadelpalmenplantage voor de sektariërs zo belangrijk was, maar het staat vast dát ze het was. Naast het gebouw was een groot grafveld, dat niet – zoals in de oude wereld gebruikelijk – op enige afstand van de nederzetting lag, maar vlakbij, alsof de mannen en vrouwen die hier werden bijgezet, zo dicht mogelijk bij de dadelpalmenplantage wilden liggen.

Dat in Qumran ook boekrollen zijn vervaardigd, blijkt uit de chemische analyse van het leer van de Rol van de lofprijzingen, dat is geprepareerd met water uit de omgeving. Het is echter onaannemelijk dat álle rollen in Qumran zijn vervaardigd: de claim van de eerste archeologen dat de zaal en de schrijftafel waren geïdentificeerd, staat – voorzichtig geformuleerd – ter discussie. Het lijkt er meer op dat, toen de Romeinen in 66/67 na Chr. begonnen met het neerslaan van de Joodse Opstand, mensen hun boekrollen in veiligheid hebben gebracht op een plaats waar ze al doden begroeven. Dat suggereert dan weer dat we te maken hebben met meer dan alleen het materiaal van één groep, sektarisch of niet.

Kortom: we komen er niet uit of de Dode-Zee-rollen zijn geschreven door de essenen. We weten weer eens onvoldoende. Het is tenslotte oudheidkunde. Over een uur meer.

Deel dit: