Vijf dagen Brussel

Brussel, Botanische Tuin

Het idee was om, net als vorig jaar, eind januari een paar dagen te gaan fietsen. Ook om te zien of ik voldoende was gerevalideerd. Vlaanderen leek een mooie bestemming, maar de wind zat in de verkeerde hoek en er was regen voorspeld. Zodat we besloten een hotel in Brussel te nemen, een stad waar zó veel te zien is dat je er moeiteloos twee weken kunt doorbrengen. Bovendien is de treinverbinding vanuit Amsterdam sinds kort sterk verbeterd. En omdat ik het idee heb dat Nederlanders te weinig in België komen, doe ik hier verslag. Misschien inspireert het u tot een bezoek aan de Europese hoofdstad.

Stripverhalen

Ons hotel: Ibis City Centre. Centraal gelegen, opvallend aardig personeel en tussen drie metrostations (Sint-Katelijne, Beurs en De Brouckère), waardoor de hele stad in een oogwenk te bereiken is. Met wat geluk kijk je uit op de Sint-Katelijne-kerk, maar dit keer hadden we niet zoveel geluk. Wel een fijn stille kamer. De Ancienne Belgique is trouwens op loopafstand maar mijn reisgenote zag niets in Front 242, dus dat hebben we maar even gelaten zoals het is.

Jongen met hond, Brygos-schilder (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

Op een regenachtige vrijdag bezochten we de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, waarover ik al heb verteld. (Ik heb voor februari blogjes over museumvoorwerpen in stripverhalen gepland: een, twee.) Daarna wandelden we door de plensbuien langs de Squares en het door Victor Horta ontworpen Hotel van Eetvelde naar het Stripmuseum. Dat is overigens ook gevestigd in een door Horta ontworpen gebouw, namelijk de Magasins Waucquez.

Ik was lang geleden in het Stripmuseum geweest en vond het leuk de collectie opnieuw te zien. Destijds lag de nadruk erg op Hergé, die (zoals bekend) alle regels van het beeldverhaal ontdekte, en André Franquin, die alle uitzonderingen vond. Nu was de collectie meer gericht op de eigentijdse tekenaars, waarbij je uiteraard je eigen favorieten (Marvano en Ken Broeders) nergens ziet. Zo gaan die dingen.

Franquin over kleur

Het centrum

De zaterdag bekeken we de neogotische Sint-Katelijne-kerk, de Begijnhofkerk en de Sint-Michiels- en Goedele-kathedraal, om vervolgens met Jeroen Wijnendaele (de auteur van een goed boek over Clovis) te lunchen op de Grote Markt. Ik zou geen seconde overwegen in Amsterdam op de Dam of het Leidseplein te lunchen, maar ik schaam me niet een toerist te zijn in een andere stad. En trouwens, het uitzicht op de Brusselse Grote Markt is een stuk beter dan op het Leidseplein.

We bezochten het Broodhuis, het museum gewijd aan de geschiedenis van Brussel. Hier is ook het originele beeld van Manneke Pis te zien, dat ik gewoon ordinair blijf vinden. We wandelden nog via het monsterlijke Paleis van Justitie, namen afscheid van Jeroen en wandelden door naar de Hallepoort, waar we te laat waren. Dus wandelden we maar terug naar het hotel.

Sint-Michiel (Broodhuis)

Jugendstil

De zondagmorgen was gewijd aan de Jugendstil. Als Apeldoorner kan ik daar natuurlijk niet onderuit. We namen de metro naar het Maison Hannon, dat ik erg bijzonder vond. Ik weet dat je het licht en het kleurgebruik en het totaalkunstwerk moet bewonderen, en terecht, maar mij vielen vooral de bakelieten stopcontacten op. Het Hortamuseum is op loopafstand, en er zijn nog meer mooie huizen aan het Louis Moricharplein en in de Vanderschrickstraat. Ik moet de leuke markt op het Sint-Gillis-voorplein niet vergeten te vermelden.

Maison Hannon

Ons tweede bezoek aan de Hallepoort had meer succes. Het is gewijd aan de stadsmuren van Brussel en je ziet er ook allerlei oude wapens. Het hoogtepunt was de wapenrusting van aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Vanaf het hoogste niveau heb je een prachtig uitzicht over de stad met op de horizon de Koekelbergbasiliek en het Atomium. Onderweg terug naar het hotel passeerden we bij toeval de plek waar Horta’s Volkshuis heeft gestaan – de sloop is een berucht cultureel misdrijf – en bezochten we de Onze Lieve Vrouwe ter Zavel. Ook plunderde ik nog ergens een stripboekhandel.

Wandelen

Op maandag zijn veel musea gesloten, maar het Atomium, toch hét symbool van Brussel, was dat niet en ik wilde er al heel, heel lang eens heen. Ik ben er vier of vijf keer langs komen fietsen, maar nooit was ik er binnen. We aten wafels in het restaurant, met het mooiste uitzicht over de stad. In een van de bollen is een expositie over de Wereldtentoonstelling van 1958. Wat ontbrak: vermelding van het Afrikaanse dorp (met Afrikaanse bewoners) dat hier destijds stond – iets dat nu écht niet meer zou kunnen. En wat ook ontbrak: de mooie toespraak van koning Boudewijn over een hedendaags humanisme.

In het Atomium

De wandeling terug voerde langs het Designmuseum, een reeks gesloten negentiende-eeuwse kerken en de Botanische Tuin. Helaas bleek Librairie Jona (aanleiding tot het beste blogje dat ik ooit schreef) er niet meer te zijn. De beeldentuin naast het Museum van Schone Kunsten die we wilden bezoeken bleek te bestaan uit zegge en schrijve vier beelden, en de beeldentuin op het De Meeüsplein stelde ook weinig voor. Na aan de Aarlenstraat foto’s te hebben gemaakt van het huis van Wilhelm Vollgraff, de archeoloog die Utrecht zijn Romeinse verleden heeft gegeven, bracht de metro ons terug naar het hotel. We hadden een kleine dertien kilometer gewandeld, dus die revalidatie van me, die is afgerond.

Louvain-la-Neuve

Dinsdag namen we de trein naar Louvain-la-Neuve, bij mijn weten de enige stad ter wereld die is aangelegd als universiteit. Hier is het Hergé-museum, dat echt heel, heel goed is. Veel originele tekeningen natuurlijk, maar ook een weldoordacht verhaal over het ontstaan van de door hem bedachte personages, over het team rondom hem, over invloeden, zoals die van film. Mijn eigen favoriet (lees maar hier) was nergens te zien. Zo gaan die dingen. Heel goed: het gebruik van muziek (Charles Trenet, Joséphine Baker, de Beatles en een aria van Gounoud waarvan de titel me even niet te binnen wil schieten). Ook erg leuk: Hergés schets van een soort fles uit de precolumbiaanse Moche-cultuur, waarvan we vrijdag exemplaren hadden gezien in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis.

Tweemaal Moche-aardewerk

Niet veel verderop is het universiteitsmuseum, dat een gevarieerde collectie heeft, zoals wel meer universiteitsmusea: ze komen immers tot stand doordat allerlei wetenschappers allerlei soorten instrumenten gebruiken en doordat allerlei mensen allerlei verzamelingen nalaten aan de universiteit. Echte topstukken waren er ook hier niet, maar dat werd meer dan gecompenseerd door goede uitleg – hoe je bijvoorbeeld een veertiende-eeuws beeld herkent aan de wijze waarop textiel wordt afgebeeld.

Handhaving

Na vijf volle dagen Brussel hebben we op woensdagmorgen nog een laatste stadswandeling gemaakt. We bekeken de kerk van Onze Lieve Vrouwe ter Kapelle, aten nog eens een wafel, bezochten de stripboekhandel bij het station. Dat vulgaire beeld van die urinerende kleuter viel niet te vermijden.

Stukje stadsmuur

En nu zit ik in het Zuidstation op de trein te wachten. Iemand zat zojuist op een laptop muziek te luisteren, dus ik zat gedwongen met de koptelefoon op – dit model wordt gebruikt door tuinmannen met bladblazers en functioneert beter dan koptelefoons met geluidsonderdrukking – maar dat hoefde niet lang te duren. Een beveiliger droeg de muziekliefhebber namelijk op ergens anders van zijn muziek te genieten. Handhaving, dat is iets wat ik voor Nederland ook zou wensen.

Uiteraard is er in Brussel veel meer te zien, maar dat leest u maar hier of hier of daar of daar. Of in dit boek.

Deel dit:

16 gedachtes over “Vijf dagen Brussel

  1. Huibert Schijf

    En toch, en toch. Niet de straat genoemd naar hem en een standbeeld. Adolphe Quetelet. De grootste wiskundige, astronoom, statisticus en de gemiddelde mens. Kortom de grootste geleerde die België ooit gekend heeft. Hij woonde bovendien ook nog in Brussel.

  2. Ik zou als Belg nooit 5 dagen naar Brussel trekken, al is er dan een dagje LLN bij. Ik heb er drie jaar gewoond en was blij dat ik er weg was. De enige kosmopolitische stad in ons land, maar zo moeilijk! En geen rivier. Allez, de Zenne loopt ergens onder de kasseien te rioleren.
    Misschien moet ik er toch nog eens heen. Meestal rijd ik er in een wijde boog rond. De ring heet dat.
    Mijn muzikale bloedbroeder Wim schreef er ooit een lied over:

    1. Rob Duijf

      Amsterdam is ook best te doorkruisen met het OV, op de fiets of te voet, of liefst te vermijden als je er niks hebt te zoeken.

      Amsterdam heeft ook een ring, maar die is goddank niet te vergelijken met het verkeersinfarct dat R0 heet…

  3. Patrick Desmarets

    Ik bewonder jouw enthousiasme over Brussel Jona. Een groot deel van de Vlamingen denkt er nochtans anders over: voor ongeveer de helft is Brussel onbekend én onbemind. Wellicht omdat Brussel, nochtans naast onze nationale hoofdstad ook die van het Vlaamse Gewest (één van de drie politieke entiteiten van het federale België) vaak negatief in het nieuws komt bij ons in Vlaanderen.

    Er is de minachting voor de Nederlandse taal op veel plaatsen, ook openbare, terwijl Brussel nochtans een wettelijk tweetalig gewest is. De ellenlange files als je ‘s morgens naar Brussel moet. Onbetrouwbaar openbaar vervoer. Er is het gevoel van onveiligheid. Het desastreus budgettair beleid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (één van de drie gewesten). Eigenlijk is de stad quasi-failliet. De stad kampt met een serieus imagoprobleem bij veel Vlamingen.

    Daarnaast heeft Brussel inderdaad zoveel te bieden. Naast het historische en culturele dat u zo mooi beschrijft, zijn er ook het kosmopolitisch karakter van de stad, het ruime en beter betaalde werkaanbod, hoofdstad van Europa, zetel van duizenden internationale organisaties… Het is een levendige en dynamische stad waar veel te beleven valt. Bedankt Jona om dit nog maar eens in de kijker te willen zetten!

    1. Frans Buijs

      Tja, dat is dus het verschil tussen een inwoner van het land en een toerist. Een Amsterdammer zou waarschijnlijk ook wel het één en ander aan te merken op een lofzang op Mokum door een buitenlandse toerist.
      En dat liedje hierboven is echt leuk! En het is gelukkig ook te Vlaams om een lijflied te worden van alle eurosceptische partijen die “Brussel” ook maar wat graag zouden afschaffen.

      1. Rob Duijf

        ‘We hadden een kleine dertien kilometer gewandeld, dus die revalidatie van me, die is afgerond.’

        Bravo! 😀 Het lijkt me een leuke manier om Brussel te verkennen, zeker met een lekkere verse wafel met room en aardbeien.

    2. Die “minachting” leeft nog in de oude Vlaamse geesten maar de realiteit is dat in Brussel niemand nog wakker ligt van de taalstrijd. Franstaligen zijn niet langer “passief aggressief” in hun onkunde van het Nederlands. Vele nieuwe Brusselaars zijn al lang blij dat ze zich in het Frans kunnen uitdrukken. Onze “eigen” jeugd onderhoudt zich over de taalgrens in het Engels. Ik behoor tot de laatste generatie die Frans spreekt en dan mag ik al blij zijn als ik geen Engels terug krijg. De Brusselse jeugd gaat dan weer vaak naar een Nederlandstalige school (vanwege de hogere kwaliteit maar ook door het tweetalige aspect) en spreekt vandaar dikwijls de twee. Dat hoor je goed als jonge voetballers van Anderlecht worden geïnterviewd.
      Met al de rest ben ik het roerend eens!

  4. Jeroen Princen

    Erg genoten van je enthousiaste verslag over 5 dagen in Brussel. Checkte je linkjes en ontdekte dat we ook de liefde voor de boeken van Pascal Verbeken en schilders Robert Seidel en Bruegel delen.

  5. Dirk Zwysen

    Er is inderdaad heel wat te zien in Brussel en het is leuk dat dat zonder problemen kon belopen!

    Brussel is een stad die mensen niet koud laat. Of je bent laaiend enthousiast, of je kan er niet snel genoeg weer weg zijn.
    De stad torst een slecht imago mee van wanorde, onveiligheid en vuiligheid, verergerd door een bestuur (19 gemeenten!) dat deze inefficiëntie tolereert omdat het veel postjes oplevert. Tegelijkertijd is het surreële van de situatie ook de aantrekkingskracht: lekker Belgisch. Al te efficiënt en noordelijk proper hoeft het ook niet te worden.
    Ach, was er maar een Stad halfweg die de gulden middenweg wist te bewandelen…

    1. FrankB

      Dan ben ik weer eens een uitzondering. Ik ben één keer in Brussel geweest; best aardig, maar niet erg dat ik na twee dagen weer wegging.
      Antwerpen en Gent vond ik veel leuker. In Brugge ben ik nooit geweest en in Waalse steden ook niet.

      1. Wat Brugge betreft, ben ik bevooroordeeld: er is een zekere naijver tussen Gent en Brugge, al van in de Middeleeuwen en nu nog altijd zeer levendig in de voetbaltribunes. In Gent noemt men Brugge een kitscherige toeristenval, het “Bokrijk van de polders”. Dat is te streng, want er is echt wel wat te zien, maar ik zou er toch heengaan buiten het hoogseizoen.
        Waalse steden ken ik goed, durf ik zeggen.
        1) Luik is de grootste van de provinciehoofdsteden en best mooi daar aan de Maas. Je kan het combineren met een uitstap naar Spa, als je houdt van stevige architectuur.
        2) Charleroi heeft bij ons de naam foeilelijk te zijn en … dat is het ook. Ik kom er af en toe, en zoals elke stad heeft het wat te bieden, maar je moet een beetje houden van lelijkheid om het mooi te vinden.
        3) Namen is kleiner en daar ben je in een dagje wel rond. Vanuit Nederland zou ik het combineren met Dinant, om er een leuke tweedaagse van te maken. Beide zijn knusse stadjes aan de Maas.
        4) Mons was voor mij een hele aangename verrassing, al kan dat gelegen hebben aan het mooie weer toen ik er één keer was.
        5) Doornik ademt Middeleeuws Vlaanderen uit. Er wordt Frans gesproken maar het is cultureel veel meer verwant met Gent of Brugge dan met voornoemde steden.
        6) Aarlen heeft al echt die Frans-Duitse mengelmoes die je aantreft in het nabije groothertogdom en de Vogezen. Daar en in de Gaume, met hoofdplaats Virton, voel ik me niet meer in eigen land.
        Door ons tweede verblijf in de Franse Ardennen komen wij vaak in Philippeville, Chimay, Couvin en ik ben ook al in Ath, Verviers, Nijvel, Waver, … geweest maar dat zou ik toch geen steden meer noemen.
        Het klinkt “dismissive” maar ik zou een bezoek aan Wallonië altijd aanwenden voor natuurpracht en -pret. Wij zijn echte Ardennenmensen geworden, dus daar kan ik uren over ouwehoeren.

        1. Dirk Zwysen

          Ook hier een hart voor de Ardennen, en zeker de streek ten zuiden van Chimay rond de abdij (niet echt de Ardennen, zegt de purist). Er is in de Ardennen heel wat Keltisch en Romeins terug te vinden.
          Tja, voetbal… vanuit Antwerpen ook weinig sympathie voor blauw-zwart. Zondag hopelijk een goed pak rammel geven.

  6. Ben Van Aarle

    Leuke cityrtip, leuk verhaal. Ik vermoed slechts een foute keuze: niet naar Front 242 te gaan, maar goed ik was er ook niet bij dus zeker weet ik het ook niet.

Reacties zijn gesloten.