
Laat ik het maar meteen toegeven: de kop boven deze blog is gekozen om de aandacht te trekken. Als de wet van Betteridge hier van toepassing is, luidt het antwoord op de vraag immers “nee” – maar dat antwoord is dan wel in strijd met wat altijd over de Griekse godsdienst horen en lezen. In elk geval: al zal mijn conclusie straks toch misschien wat teleurstellen, ik hoop wel dat u nog even doorleest. Want die conclusie komt pas aan het eind.
Wat is een theós?
Laten we het er eerst over eens zijn dat we met een polytheïstische godsdienst bedoelen: een godsdienst waarbij de aanhangers ervan geloven in meer dan één god. Gold dat voor de godsdienst van de oude Grieken?
Het Griekse woord voor “god” was en is theós (θεός). Dat woord komt in de Griekse literatuur eindeloos vaak voor, zowel in het enkelvoud als in het meervoud. Daarmee lijkt een antwoord op de vraag boven deze blog al zo goed als gegeven: de Grieken hadden het heel vaak over “goden” (theoí, θεοί) en geloofden dus blijkbaar in het bestaan van meerdere exemplaren van die soort.
Maar dat antwoord verdient wel enige nuancering. Kijkt u mee naar een paar korte quotes in de Griekse literatuur waar het over “god(en)”, dus theós/theoí, gaat.
- In de Odyssee, die op naam staat van ene Homerus (ca. 700 v.Chr.), ziet Odysseus’ zoon Telémachus in de kamer waar hij zich bevindt plotseling een onverklaarbaar licht. Zijn reactie: “Ongetwijfeld is er hier een theós”.noot
- Hesiodus (eveneens ca. 700 v.Chr.) heeft het over ‘roddel’: “wat veel mensen doen. Dat (nl. roddelen) is een theós.”noot
- Van de filosoof Thales van Milete (ca. 624 – ca. 545 v.Chr.) is deze quote overgeleverd: “Alle dingen zitten vol theoi.”noot
- In de tragedie Choëphoroi (“Offerplengsters”) van toneelschrijver Aischylos (ca. 525-456 v.Chr.) zingt het koor: “Succesvol zijn, dat is voor mensen theós – en meer dan theós!”noot
- In een éénregelig fragment van die allergrootste toneelschrijver (Sophocles dus, 496-406 v.Chr.) lezen we: “Daar arriveerde de overvloedige Feestmaal, de eerbiedwaardigste van de theoí”.noot
- In de tragedie Helena van toneelschrijver Euripides (480-406 v.Chr.) ontmoet de hoofdpersoon na jaren onverwachts weer haar echtgenoot. Ze roept uit: “O theoí! (Ook het weerzien met vrienden is immers theós)!”noot
- Het begin van een gebed, een fragment uit een toneelstuk van de komediedichter Menander (342-291 v.Chr.): “Grootste van de theoí , schaamteloos als u bent… als ik u tenminste als theós moet aanroepen. Jawel, dat moet, omdat tegenwoordig het uitoefenen van macht als theós wordt gezien.”noot
Ik heb deze quotes gekozen omdat ze een staalkaart vormen van situaties waarin Grieken het over theos/theoi hadden. Of de vertaling “god/goden” in elk van die situaties even adequaat is, weet ik nog niet zo zeker.
Prädikatsbegriff
Daarom wordt het hoog tijd om nu de Duitser Ulrich van Wilamowitz-Moellendorf (1848-1931) te introduceren, misschien wel de grootste classicus die er geweest is. In een vermaard boek, Der Glaube der Hellenen, doet hij de scherpzinnige observatie dat het woordje Griekse woordje theós van nature een Prädikatsbegriff is. Dat wil zeggen: een Griek zegt liever dat iets/of iemand theós is, dan dat (een) theós iets/iemand is. Daarmee komt de betekenis van theós dus in de buurt van een bijvoeglijk naamwoord zoals “heilig”, of “goddelijk”.
Aardig is, dat de historische taalwetenschap dit inzicht lijkt te kunnen ondersteunen. Want om de een of andere reden hebben de oudste Grieken het Proto-Indo-Europese woord voor god (*deiwo-, vgl. het Latijnse deus, “god”) opgegeven. In plaats daarvan gingen ze het woord theós gebruiken, dat verwant is aan Latijnse woorden als festus, “feestelijk”, en fanum, dat oorspronkelijk ‘het heilige/goddelijke’ betekende (en vandaar “heiligdom”).
Wanneer dus theós in wezen een Prädikatsbegriff is, een woord waarmee je iets over iets of iemand zegt, luidt de volgende vraag natuurlijk: wat beweert een Griek dan over iets/iemand, wanneer hij hem/haar/het theós noemt? Wie of wat komt voor de kwalificatie theós in aanmerking?
Het goddelijke
De citaten hierboven laten in elk geval zien, dat het woordje theós bepaald niet alleen voor personen gebruikt wordt. Grieken gebruiken het om onverklaarbare situaties aan te duiden, of “roddel”, of succes hebben, of een groots feestmaal, of het onverwacht weerzien van vrienden, of het uitoefenen van power. En dat konden ze doen omdat ze het woordje theós gebruikten om te verwijzen naar een concrete manifestatie van een achterliggende, onpersoonlijke macht. Die macht zou je “het goddelijke” kunnen noemen.
Theoi zijn verschijningsvormen van dat goddelijke. Sommige theoi hebben altijd een persoonlijke vorm, en dan heten ze Zeus, of Apollo, of Athene; wij noemen ze dan “goden”. Maar belangrijk is daarbij te bedenken: iemand is niet goddelijk omdat hij/zij een theós is, hij/zij is een theós omdat hij goddelijk is, d.w.z. een verschijningsvorm van het achterliggende, abstracte goddelijke. Nog wat duidelijker uitgedrukt: hij ís dat achterliggende goddelijke, maar dan in een concrete verschijningsvorm.
Theoi kunnen ook zelf verschijnen in onpersoonlijke vorm: roddel, het weerzien van vrienden, een onverwachte buitenkans, een onbegrijpelijke gebeurtenis. Maar wat al die theoi, persoonlijk of onpersoonlijk, tenslotte gemeen hebben dat het machten zijn die de menselijke kracht, of het menselijk bevattingsvermogen, kortom: het menselijke, overstijgen, of minstens een belangrijke bovenmenselijke dimensie hebben. Dat die machten niet per se positief zijn (ruzie, roddel, oorlog) impliceert dat “het goddelijke” dat dus ook niet was. De Griekse godsdienst heeft over het algemeen geen ethische component; Griekse persoonlijke theoi gedragen zich doorgaans geen haar beter dan de mensen door wie ze werden vereerd.
Geen personificatie
Dat theoi, in welke vorm ze zich ook vertonen, manifestaties zijn van een achterliggende goddelijke macht (en daarmee ten diepste die kracht zelf in een situationeel bepaald jasje) verklaart dus, waarom een Griek ruzie en roddel, liefde, water, vuur, natuurkrachten, een toevalstreffer, noodlot, recht, gastvrijheid (die laatste twee zijn fundamentele principes waarop de samenleving berust en daarmee “bovenmenselijk”) enz. probleemloos theoi kon noemen.
Dat heeft niet, zoals nog wel eens wordt beweerd, te maken met personificatie: het zijn net zulke echte theoi als Zeus en Apollo, want uitdrukkingen van de bovenmenselijke werkelijkheid die achter ze schuil gaat. Daarom kan een Griekse auteur liefde “Aphrodite’ noemen, en oorlog “Ares”. Ook dat heeft niets te maken met personificatie: Aphrodite en liefde zijn, net als Ares en oorlog, twee verschijningsvormen (resp. een persoonlijke en een onpersoonlijke) van dezelfde goddelijke macht. Die macht kan zich uiten in de vorm van allerhande theoi, stuk voor stuk dus verschijningsvormen van één en dezelfde Goddelijkheid.
Was de godsdienst van de oude Grieken dus polytheïstisch? Ja hoor, want de Grieken vereerden talloze theoi. Maar de uitspraak dat dat Griekse polytheïsme een uitdrukking was van een onderliggend monotheïsme, vind ik toch te uitdagend om ongezegd te laten.
[Een gastbijdrage van Gert Knepper, die niet alleen veel weet van Griekse taal en cultuur en goden, maar ook een biografie schreef van Theo Verhoeven, de ontdekker van de Floresmens.]
Zelfde tijdvak
B1: Het leven van Boeddhajuni 6, 2024
De Cypriotische stad Salamisjuli 9, 2024
Klassieke literatuur (6d): filosofiejuni 26, 2018

Dit was bijzonder leerzaam – dit had ik nooit kunnen denken. Maar ik zou dan nog wel een stap verder willen gaan. Als wij het hebben over monotheisme/polytheisme hebben we het over niet-lichamelijke personen, niet over verschijningsvormen van het goddelijke. Daaruit volgt volgens mij dat de etiketten monotheisme en polytheisme categorieën zijn die simpelweg niet van toepassing zijn op het Antieke Griekse religieus denken. Het is net zo onzinnig als praten over een strafschop bij kunstschaatsen.
Denk ik.
Het is de pointe van de bestudering van de Oudheid dat je ontdekt de verkeerde vragen te stellen en begrijpt dat je categorieën anders zijn. 😉
Natuurlijk was de godsdienst van de oude Grieken polytheïstisch. Wat Gert Knepper laat zien is niets meer of minder dan dat de goden een eigenschap deelden, nl. de eigenschap van de goddelijkheid – en dat die eigenschap ook kon worden toegepast als er niet direct een god betrokken was. Ik ben het eens met FrankB, dat de termen monotheïsme en polytheïsme in het oude Griekenland niet toepasselijk zijn: het concept monotheïsme was voor de Grieken simpelweg niet aan de orde.
Ik zou het liever zo zeggen: wie of wat deel heeft aan het Goddelijke, is een god. Dat Goddelijke is meer, of liever gezegd: iets anders dan, een eigenschap. Het is een zelfstandige entiteit, die ook bestaat wanneer hij zich niet in goden manifesteert. Dat Goddelijke is dus geen eigenschap – maar het hééft wel eigenschappen. Zo laat Herodotus (1.32) de Lydische koning Croesus bijvoorbeeld zeggen, dat Het Goddelijke ‘naijverig’ is.
Dat klinkt dan weer heel erg bijbels. “Want Ik, de Here uw God, ben een naijverig God”
(Uit mijn hoofd, de kerk verlaat je nooit echt helemaal.)
Daar zat ik ook aan te denken, dat “verschijningsvormen van het goddelijke” ook in het Nieuwe Testament terug te vinden is. Maar ja, als ongelovige heb ik van dat boek nog minder verstand dan van het Antieke Griekenland.
Ik houd het bij ‘het goddelijke’ en alle andere toestanden, zaken en figuren, klein en groot, zijn emanaties van dat goddelijke.
Bedankt voor dit interessant stukje!
De meeste Grieken zullen zich die vragen helemaal ook niet gesteld hebben. Dat een of andere theos/theoi voor regen, zonneschijn en gezonde baby’s zorgde was veel belangrijker.
De intellectuelen die zich hier wel om bekommerden en wat men als een mysterie ervoer in definities en structuren probeerden te vatten, vinden eeuwen later hun opvolgers in de discussies rond de natuur van Christus.
Zeker. Toen was inmiddels de Logos theós.
Dat was interessant!
De Romeinen hadden voor een groot deel het Griekse pantheon overgenomen. Keken zij op dezelfde manier aan tegen de persoonlijke en onpersoonlijke manifestaties van die abstracte ‘goddelijke macht’ (wat dat ook moge zijn, als het al bestaat) als de Grieken?
Ik denk niet dat ze het overnamen. Ze zochten goden die ze gelijk konden stellen, ongeveer zoals de Grieken hun Herakles identificeerden met Melqart.
De Romeinen vonden de Grieken en hun cultuur buitengewoon interessant. De Grieken kenden vele goden, maar ze hadden het idee dat er twaalf bijzondere goden waren, die op de berg Olympus woonden. Dat identiteiten zie je één op één terug bij Romeinen.
Als je uitgaat van gelijkstellen, dan zouden de Romeinen hetzelfde idee hebben gehad van een uitgebreid pantheon met een ’top twaalf’ met dezelfde eigenschappen als Griekse?
Dat idee van een twaalftal hebben ze ook overgenomen. Het aardige is dat het los stond van de invulling. Begin vierde eeuw v.Chr. wilden ze in Rome wél een twaalftal extra aandacht geven, maar maakten ze een selectie die op geen enkele manier correspondeerde met de Olympische goden.
Overigens kan het twaalftal een Indo-Europees substraat zijn, want ook in Lycië vereerde men twaalf goden. Dat kan duiden op een oeroude vorm, al zou ik er bij een weddenschap niet al te veel geld op inzetten. Een krat bier misschien, maar niet méér.
‘Begin vierde eeuw v.Chr. wilden ze in Rome wél een twaalftal extra aandacht geven, maar maakten ze een selectie die op geen enkele manier correspondeerde met de Olympische goden.’
Je laat me in totale verwarring achter…
De twaalf Olympische goden waren bij mijn weten:
Romeins – Grieks
1. Jupiter – Zeus (Oppergod)
2. Juno – Hera (Hemel, licht en maan)
3. Minerva – Athena (Verstand, vindingrijkheid en wijsheid)
4. Mars – Ares (Oorlog)
5 -Neptunus – Poseidon (Golven, water, zee)
6 – Ceres – Demeter (Akkerbouw, graan en moederliefde)
7 – Mercurius – Hermes (Handel, reizigers en winst)
8 – Diana – Artemis (O.a. jacht)
9 – Apollo – Apollo (Redding)
10 – Bacchus – Dionysos (Wijn, dronkenschap)
11 – Venus – Aphrodite (Liefde, tuinen, wijngaarden)
12 – Vulcanus – Hephaistos (Vuur, edelsmeden, smeden, vulkanen)
Wat ontgaat mij hier?
Ik weet er niet genoeg van, maar Mars was oorspronkelijk meer een landbouwgod (vandaar maart). Misschien is hij met Ares gelijkgesteld omdat met de lente ook het nieuwe oorlogsseizoen begon. Gaandeweg is dan het krijgshaftige gaan domineren en kreeg hij meer trekken van zijn bloeddorstige Griekse alter ego.
Ja, dat klopt. Mars was oorspronkelijk een vruchtbaarheidsgod en de beschermer van het vee. Hij was bij alle Italische volken bekend. De Etrusken kenden hem als Laran. Hij was de zoon van Jupiter en Juno en werd later geïdentificeerd met de eigenschappen van de Griekse oorlogsgod Ares. En hij was de vader van Romulus en Remus. Wellicht daarom werd Mars de meest vereerde god in het Imperium Romanum.
Er schuilt een christelijk addertje onder het Knepperiaanse gras: het onpersoonlijke goddelijke wordt gaandeweg de entiteit Goddelijkheid.
Ik denk dat het meer ‘algemeen’ christelijk is, en dat deze tekst uit Jesaja er een belangrijke rol bij speelt:
Jesaja 55:10-11
“Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert zonder eerst de aarde te doordrenken, haar te bevruchten en te laten gedijen, zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten- (11) zo geldt dit ook voor Mijn WOORD, dat VOORTKOMT uit Mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied.”
.
Als je vers 11 van Jesaja 55 aandachtig leest dan zie je dat het Woord wordt losgemaakt van de Persoon (God) die de tekst uitspreekt. Het Woord dat uit het ‘Spreken’ van God voortkomt, wordt een ‘zelfstandige entiteit’ (een in zichzelf bestaande werkelijkheid), en vanaf dat moment leeft Gods Woord een zelfstandig bestaan (een eigen leven).
In het Johannes Evangelie staat het als volgt:
`
‘Zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo heeft ook de Zoon leven in zichzelf; dat heeft de Vader hem gegeven’ (Joh.5:26).
‘Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf’ (Joh.10:18).
‘Ik ben vrij om het te geven en weer terug te nemen’ (Joh.10:19).
Ik zou moeten nazoeken waar ik ook alweer de observatie vandaan heb dat in de mythologie alle goden ondergeschikt zijn aan het lot, maar een monotheïstische inslag is wel de hoofdmoot van de gehele Griekse filosofie, en die kwam ergens vandaan. Het duidelijkst is dit bij de Stoa en Plato, maar het is al aanwezig bij Herakleitos en Xenophanes. In die filosofie is God niet zoals in de christelijke filosofie ‘het goede’ en opperrechter en hoeder van het hiernamaals, maar eerder het Al: de waarheid logos en de natuur, iets dat niet zozeer ‘goed’ is vanwege een moreel oordeel, maar wat je maar beter kan respecteren als je niet doodongelukkig wil worden – je verzetten tegen de dingen die zijn zoals ze zijn heeft immers niet zoveel zin. De opvatting van Plato, waarin ‘het goede’ een voorchristelijk moreel absolutisme is met name neoplatonistisch. De directe platonisten na Plato hadden een meer relativistische benadering.
Leuk stuk: het bevestigt een beeld dat ik al kende met een heel andere invalshoek. Ik zie er geen “verchristelijking” van de Griekse mythologie in, eerder andersom: kijk uit voor de neiging om achter iedere vorm van monotheïstisme altijd maar weer het christendom te zoeken – dat is niet de enige vorm daarvan en ook zeker niet de oudste.
Volgens mij is dat het Griekse begrip Moira, of lotsbestemming. Het was oorspronkelijk een schrikgodin.
Homerus schrijft dat wat de lotsgodin Moira vastlegde onherroepelijk was. Zowel stervelingen als goden waren aan dat lot gebonden.
Schikgodin
Klopt. Dank je wel.
Mooi stuk, maar ik vraag mij wel af: is het karakter van het Griekse “polytheisme”, afgezien van de afwijkende etymologie van het woord theós, hierin (nl. goden als verschijningsvormen van…) uniek en wezenlijk anders dan andere polytheïstische stelsels uit de Oudheid?
Bij mijn weten geloofden Egyptenaren dat hun goden en godinnen op zichzelf bestaande entiteiten waren. Er was dus geen sprake van één op zichzelf bestaande goddelijke entiteit die zich op verschillende manieren in de wereld kon manifesteren, als ik Gerts betoog goed begrijp.
Uw aanname geldt beslist niet voor de Thebaanse theologen van het Nieuwe Rijk; die kenden de schepper- en oergod Amon(-Re) als ‘De Ene die zich tot miljoenen maakt’. Zelf is hij causa sui, de unieke Ene die zichzelf heeft verwekt en gevormd. Alle dingen in zijn schepping groot en klein, te beginnen de veelheid der goden, zijn verschijningsvormen van zijn wezen, schepselen onder de gedaanten en namen waarvan hij zich kenbaar maakt . Wie hij ten diepste is, kan echter niet geweten worden; hij ‘verbergt (jmn) zijn naam als Amon (Jmn)’. Geschapen wereld en pantheon als de ontvouwing Gods, zogezegd, of als de menigvuldigheid der goddelijke singulariteit, zo men wil. De vermaarde egyptoloog Erik Hornung heeft hier prachtig en bevattelijk over geschreven in zijn boek Der Eine und die Vielen; is ook in het Engels vertaald.
Dank u wel. Ik had Amon over het hoofd gezien.
Ad: Henry Stadhouders
Mooi verwoord! Dank.
Het boek van E. Hornung ‘Der Eine und die Viele, Ägyptische Gottesvorstellungen’ 1973, is te downloaden van internet:
https://drive.google.com/file/d/1gygAWf7zhmwvzC4XHw6Z0sYEBXuO9H48/view?usp=drivesdk