Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (3)

De heuvel met het Karthaagse paleis in Cartagena

[Derde deel van de tekst van mijn toespraakje bij de presentatie van Rome en de Lage Landen van Robert Nouwen, afgelopen zaterdag in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Het eerste deel was hier.]

Doelgroepen

Sta me wat oververeenvoudiging toe en laat me het publiek verdelen in mensen met hoge en lage informatiebehoefte.

Hoge informatiebehoefte Tweede lijn: verdiepende informatie & rechtvaardiging van de informatie Know how?
Know why?
Lage informatiebehoefte Eerste lijn: algemene informatie Know what?

Op het eerste niveau constateren we bijvoorbeeld dat de Romeinen in pakweg Utrecht hun olijfolie importeerden uit Andalusië; op het tweede leggen we vervolgens uit wat Dressel-20-amforen ons vertellen. Waar de behoefte aan verdiepende informatie precies ligt, valt af te leiden uit de vragen die mensen stellen. Musea hebben daar zicht op, en u begrijpt dat ik daarmee eigenlijk zeg dat een museumdirecteur als Robert Nouwen begrijpt wat op het spel staat.

Een kwart van de gestelde vragen betreft hoe oudheidkundigen weten wat ze weten. We kunnen op het tweede niveau dus tevens uitleggen wat een verspreidingskaart van Dressel-20-amforen vertelt en met welke proxydata de olijfoliehandel is gekwantificeerd. Een goede voorlichting bedient, in deze oververeenvoudigde weergave, beide groepen.

De sleuteldoelgroep

Echter, mensen met een hoge informatiebehoefte komen er momenteel doorgaans bekaaid vanaf. De oudheidkundige voorlichting beperkt zich veelal tot de eerste lijn. Vaak wordt dezelfde, eenvoudige en niet zelden verouderde of zelfs ronduit onjuiste informatie herhaald, en te vaak geloven juist geïnteresseerde mensen de claims niet langer. Deze week was er leuk nieuws over de ontdekking van de regels van een Romeins spel, en van begin af aan was er kritiek op de berichtgeving.

We mogen wel enig vertrouwen hebben in de wetenschap, en dan maakt dit wantrouwen de oudheidkundige wetenschappen nodeloos kwetsbaar. Ik noem nog eens de Nijmeegse aquaductenaffaire: uw gemeente wil een toeristisch wandelpad aanleggen langs het aquaduct bij uw achtertuin, maar kan niet uitleggen waarom archeologen weten dat daar een aquaduct is. Dan zet u de hakken in het zand, hijst de rode vlag en gaat, zoals dat tegenwoordig heet, “zelf onderzoek doen”. Met deze wetenschapsscepsis erbij krijgen we een tweede schema.

Wetenschapspositief Sceptisch
Hoge informatiebehoefte Tweede lijn: verdiepende informatie & rechtvaardiging van de informatie Derde lijn: gesprekken
Lage informatiebehoefte Eerste lijn: algemene informatie

De eerste lijn is het algemene aanbod, in de tweede lijn leggen we uit waarop dat is gebaseerd en in de derde lijn proberen we sceptici ervan te overtuigen waarom de wetenschappelijke methode de meest redelijke is. Dat vergt een persoonlijk gesprek waarin de voorlichter een onderscheid aanbrengt tussen enerzijds de wetenschap en anderzijds de bezorgdheid die de betrokkene ervan weerhoudt de methode te aanvaarden. Zo’n gesprek – ik spreek uit ervaring – is tijdrovend. Wil je dat vermijden, dan moet de tweede lijn op orde zijn. Al vóór de problemen ontstaan moet de eerstelijns-informatie zijn gerechtvaardigd.

De tweede lijn dient dus om proactief scepsis te bestrijden. Je verhindert dat mensen met een hoge informatiebehoefte teleurgesteld “zelf onderzoek gaan doen”. Maar er is nog een reden om de tweede lijn serieus te nemen. Je kunt deze mensen ook inzetten vóór de wetenschap. Zij zijn de sleuteldoelgroep: zij kunnen de wetenschap niet alleen beschadigen maar kunnen het wetenschappelijk signaal ook versterken en beschermen.

Ik noem Spanje, waar archeologische musea uitleg bieden van wat oudheidkundigen feitelijk doen. Toen bijvoorbeeld de gemeente Cartagena een bouwvergunning afgaf voor een project waarbij de sporen van een Karthaags paleis dreigden te worden overbouwd, kwam de bevolking in het geweer. De archeologen hadden, door de sleuteldoelgroep te bedienen, hun vak verankerd in het culturele leven en zo de wetenschap beschermd.

Nouwen als communicator

Het is dus niet omdat alle kritiek volledig valt te pareren dat ik pleit voor “Public Understanding of Science”. Die ene procent dwarsliggers bereik je sowieso niet. Wat we met verdieping en methodische uitleg wél bereiken, is dat de groep van pakweg 20% die anti-wetenschappelijk worden kan, niet eveneens wegdrijft. Bovendien kunnen we, door de sleuteldoelgroep meer aandacht te geven dan tegenwoordig het geval is, oudheidkundige kennis cultureel verankeren. En dit is, opnieuw, waarom Rome en de Lage landen belangrijk is. Robert Nouwen bedient de sleuteldoelgroep.

Daarmee maakt hij een andere keuze dan we in Romeins Nederland gewend zijn. Zoals gezegd is de voorlichting te vaak beperkt tot de eerste lijn. De Romeinse limes bijvoorbeeld presenteert zich met een stortvloed aan steeds dezelfde informatie, met als gevolg dat betrouwbare informatie (die er wel is) inmiddels onzichtbaar ligt onder de oppervlakkigheden. Ooit heette dat junk news, tegenwoordig flooding the zone.

Als dit nieuwe wegen in het erfgoedmanagement zijn, lopen we daarover steeds verder het moeras in. Niemand kan momenteel ontdekken welk excess empirical content rechtvaardigt waarom ten gunste van de Romeinse limes de Germanen uit ons geschiedbeeld zijn verwijderd. Ik ben niet de eerste of enige die zich afvraagt of het wel een vooroordeel is dat oudheidkundigen meedraaien met iedere culturele en politieke wind. Daarom is het weldadig een boek over de Romeinse tijd te lezen dat de wetenschappelijke autonomie herneemt. Opnieuw een reden om Rome en de Lage Landen te prijzen.

De toekomst

Is het boek perfect? Nouwen zal als eerste erkennen dat hij keuzes heeft moeten maken. En anderen maken andere keuzes. Ikzelf zou bijvoorbeeld meer hebben gedaan met taalkunde en Romeins Recht. Nouwen zal ook als eerste erkennen dat Rome en de Lage Landen zal verouderen. De vraag naar een volgende synthese zal met elke ontdekking toenemen.

Ik stel me voor dat die volgende synthese geen boek is maar een voor alle doelgroepen toegankelijke website, waarop alleen iets verschijnt dat door een archeoloog, een historicus en een classicus is gefiatteerd. En die website is, net als Neerlandistiek.nl, niet afgesloten met een betaalmuur. Immers, zolang desinformatie gratis is en we voor goede informatie moeten betalen, geldt dat bad information drives out good. Onze digitale synthese mag geen betaalmuurmedeplichtige zijn. Ik denk verder dat de musea geoutilleerd zijn om dit project te beginnen.

Envoi

Terug naar het heden. Nouwen heeft België en Nederland de synthese geschonken die we nodig hadden. We kunnen mensen met een hoge informatiebehoefte, als onderzoekers iets moois ontdekken, op een verantwoorde wijze een verantwoorde context bieden. Classici kunnen zien wat archeologen hebben bereikt, archeologen kunnen profiteren van actuele inzichten van classici en oudhistorici.

Hoe gaan we vanaf hier verder? Ik vertrouw op een symposium over Rome en de Lage Landen. Een symposium over publieksgeschiedenis, over samenwerking tussen de oudheidkundige bloedgroepen, over verdieping. En ik meen dat bij zo’n symposium een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland aanwezig behoort te zijn, inclusief de bekendste historicus van Nederland.

Deel dit:

14 gedachtes over “Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (3)

  1. Jort Maas

    Ik heb het boek ontvangen, maar nog niet kunnen lezen. Een opmerkelijk feit is dat het boek praktisch geen beeldmateriaal bevat. Dat is voor een opvolger van Van Es, en voor een boek dat zich van archeologische bronnen bedient, opmerkelijk te noemen.

    1. Karel van Nimwegen

      Temeer daar Nouwen, als oud-museumdirecteur, volop mogelijkheden heeft om illustratiemateriaal te krijgen.

      Desondanks is dit boek, dat ik inmiddels voor de helft heb gelezen, een feest. Het is goed geschreven, neemt de lezer serieus en kijkt ook wat verderop, zoals naar Trier. De concurrentie is natuurlijk niet groot, maar dit lijkt me inderdaad het beste Romeinenboek in tijden.

      1. Jort Maas

        Zelf geloof ik niet dat ‘veel plaatjes’ of ‘veel tekst’ inherent goed/slecht is. Dat hangt af van het doel dat de auteur heeft. Ik zal het ‘ding an sich’ dan ook pas beoordelen als ik het ook daadwerkelijk heb gelezen. Het is wel zo dat afbeeldingen niet hetzelfde communiceren en archeologie ook wel een visuele discipline is (want ruimtelijk). In ieder geval fijn dat er een nieuw overzicht is.

        1. Frans Buijs

          Wil je een groot publiek bereiken, dan zullen goede illustraties zeker meehelpen. Maar misschien wordt het boek dan weer te dik of te duur…

  2. Saskia Sluiter

    Vergelijk de Frankfurter Allgemeine eens met onze eigen dagbladen: De Frankfurter geeft lappen tekst en informatie. Met hier en daar een plaatje. Onze dagbladen zijn hard op weg plaatjes met tekst aan het worden. En dat gaat ten koste van de diepgang. En het maakt de lezer lui.
    Die moest er even uit. En dan nu op weg naar de boekhandel!

    1. Jort Maas

      Hm, daar ben ik het zeker niet mee eens. Probeer maar eens een archeologisch rapport te schrijven met al haar ruimtelijke argumentaties zonder afbeeldingen.

        1. Jort Maas

          Nee, ze maakt een breder argument over illustraties. En het onderwerp is een synthese op basis van onderzoek.

        2. Tommy

          Ik ben het boek aan het lezen en het is eveneens heel helder geschreven. In eerste instantie vond ik het ontbreken van illustraties ook enigszins een gemis. Maar alle objecten, monumenten et cetera die ik niet kende, kon ik moeiteloos zonder veel tijdsverlies terugvinden. Want inderdaad, zo blijft meer ruimte voor tekst. Wat de “Dressels” betreft in jona’s stukje; dankzij een blogje van zn hand dat ik ooit las, ben ik er pe via een paar boekjes gaan in verdiepen en het is telkens een plezier om in een ‘ongedocumenteerd’ archeologisch stedelijk en vaak stiefmoederlijk behandeld museumpje te kunnen opmerken hoe wijdverspreid amforen van bvb rond de oevers van de Guadalqivir niet waren en vast te stellen, hoe wijdverbreid het gebruik van olijfolie lijkt te zijn!

          1. Tommy

            …voor de “Franskundigen” is ‘Les Romaines en Wallonie’ (éditions Racines) een mooie (illustratieve) aanvulling voor het Franstalige gedeelte van België.

  3. FrankB

    Omdat ik ijdel genoeg ben om te denken dat ik tot die sleuteldoelgroep behoor zal ik het boek lezen. Bovendien ben ik gewoon nieuwsgierig. Een suggestie voor de volgende synthese heb ik ook: De Lage Laden – Waar Romeinen en Germanen elkaar tegenkwamen.

Reacties zijn gesloten.