Brabantse sagen

Bronstijd-grafheuvels, Toterfout

De archeologische interpretatie stoelt op diverse poten. Zoals vergelijking: dit is een Romeins castellum want het lijkt op al bekende castella. Een meer tot de verbeelding sprekende interpretatiewijze noem ik gemakshalve “laboratorium”: door steeds weer nieuwe technieken is de archeologie momenteel de innovatiefste van de oudheidkundige disciplines. Verder benutten archeologen inzichten uit andere vakgebieden. Het ontstaan van de Taalgrens graaf je niet op, maar baseer je op teksten.

Archeologie in isolement

Nu volgt mijn maandelijkse gemopper: archeologen zijn met teksten onvoldoende vertrouwd. In de jaren ’80 propten de universiteiten de stof van vijf à zes jaar in vier jaar. De nadruk lag voortaan bij de technieken, terwijl kennis van de tekstwetenschappen gemarginaliseerd raakte. Deze smallere, technischere archeologie werd daarna geïnstitutionaliseerd in een onderzoeksschool, zoals ook andere disciplines in deze tijd geïnstitutionaliseerd versmalden.

Terwijl de archeologie technisch innoveert, stagneert ze dus in het contact met andere disciplines. Archeologen baseren zich inmiddels schokkend vaak op door hun collega’s ondergraven inzichten. Omgekeerd blijven interessante archeologische inzichten onbekend bij die collega’s. De situatie is verre van ideaal. Wil de archeologie een op waarheid berustende bijdrage leveren aan onze cultuur, dan moet ze uit haar isolement.

Sagen en volksvertellingen

Ik veerde op uit mijn sombere toekomstverwachting toen Nico Roymans vertelde dat hij na zijn emeritaat onderzoek was gaan doen naar Brabantse sagen. Afgelopen zomer pakten we een terrasje.

Sagen en volkscultuur vormden ooit een bron van oudheidkundige informatie. Toen keken oudheidkundigen naar zulke verhalen om te zien of daarin echo’s doorklonken van historische gebeurtenissen. Die zijn er natuurlijk ook: de Beowulf vermeldt een Deense invasie van het Rijnland die plaatsvond rond 525, en achter Diederik van Bern verrijst de gedaante van Theodorik de Grote. Uit het twintigste-eeuwse onderzoek naar mondelinge literatuur is echter duidelijk gebleken dat vertellers grote vrijheden namen. Wie gebeurtenissen uit het diepe verleden wil reconstrueren, blijkt maar weinig te hebben aan de mondelinge overlevering. Archeologen zijn daarom de oude sagen gaan negeren, niet zelden omdat vroege volkskundigen ook een onbedorven ziel van “het volk” wilden documenteren.

De kaalslag uit de jaren ’80 belette heroverweging. Een tekst als de Beowulf is immers nuttig voor wie een mentale wereld wil reconstrueren, en dat geldt ook voor de volksvertellingen die in de negentiende en twintigste eeuw zijn opgetekend op het platteland. Ze bieden zicht op de vergane mentale wereld van de voorindustriële, agrarische wereld. In jargon: dit is emisch bewijsmateriaal voor de landbouwcultuur. In gewone mensentaal: hier horen we niet de geleerde waarnemer maar de boeren zelf.

Kabouterberg, Hoogeloon

Transformaties

Nico Roymans, zelf afkomstig uit Brabant en jarenlang actief bij het zogeheten Kempenproject, zoekt niet naar historische gebeurtenissen of naar de ziel van het Brabantse volk. Hij wil volksverhalen benutten om een soort geschiedenis van het genre “sage” te schrijven. De verhalen die men ooit vertelde, hebben in de loop der eeuwen namelijk veranderingen ondergaan: andere maatschappelijke structuren, andere sagen.

Een eerste transformatie is dat mensen in de Middeleeuwen de verhalen die ze al hadden, integreerden in een christelijk wereldbeeld. De oude goden werden demonen. Een tweede aanpassing van de vertelcultuur vond plaats in de zestiende eeuw: toen begon de bestrijding van hekserij een rol te spelen. Beide transformaties zijn goed gedocumenteerd en zijn te gebruiken als vertrekpunt voor verder historisch, etnografisch en archeologisch onderzoek.

Gekerstende voorouders

Al eerder heeft Roymans erop gewezen dat Noord-Brabant rond de Crisis van de Derde Eeuw behoorlijk leegliep. Er waren weinig mensen en dus ook geen herinneringen aan het eerdere erfgoed. In de Late Oudheid trokken Germanen dit vacuüm binnen. Her en der zagen ze oeroude grafheuvels, en in de buurt daarvan begonnen ze hun doden bij te zetten: Merovingische graven in en naast Bronstijdbegravingen.

Dit is de archeologische basis. Het interessante is nu dat deze grafheuvels vaak worden geassocieerd met verhalen over kabouters, die in de Brabantse volksmond ook “alven” heten. Hoewel de christelijke kerk ze typeerde als demonen, zijn alven vaak goedaardige wezens, die leven onder de grond als aardgeesten en tevens als huisgeesten een familie beschermen. Het woord alve komt uit de Germaanse talen en verwijst in de Scandinavische tak daarvan naar sage-wezens die iets te doen hadden met de voorouders.

Het is dus helemaal niet zo’n gekke gedachte dat Brabantse kabouterverhalen de moderne varianten zijn van aloude verhalen over Frankische voorouders. Vooroudervering was in christelijke tijden niet meer toegestaan en transformeerde dus tot sagen over alven.

Heksen en godinnen

Ook op de zestiende-eeuwse transformatie werpen de latere sagen enig licht. In die tijd traden de kerkelijke autoriteiten fel op tegen hekserij. De verkregen bekentenissen zijn onder tortuur verkregen (voorbeeld) en het is duidelijk dat we daar de stemmen van de vrouwen niet of zelden horen. We lezen vooral wat de juristen dachten dat er aan de hand was, en hoogopgeleid als ze waren, wisten ze alles over de duivel, die in de zestiende eeuw in de mode was. Er was sprake van een extreme diabolisering van bepaalde vrouwen.

Maar wie waren die vrouwen? Men denkt wel aan sjamanisme, dus mensen die in trance raken en denken iets anders te zijn dan een mens en zo kennis uit een parallelle wereld denken op te doen. De kerk beschouwde deze praktijk als des duivels – vandaar dat we kerkelijke en juridische bronnen moeten wantrouwen. Opmerkelijk is nu dat de Brabantse hekserijverhalen wel het beeld reproduceren van de kwaadaardige, ongeluk brengende tovenares, maar niet dat van de heks als volgeling van de satanische anti-kerk. In een voorchristelijke context dienen we rekening te houden met magische vrouwen met een meer ambivalente betekenis, die een zeker respect genoten binnen lokale gemeenschappen.

De Aumenahenische Matres (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

Wellicht kunnen we nog een niveau dieper graven, via het middeleeuwse sjamanisme naar de Oudheid. En dan zien we misschien de contouren van iemand als de Bructerische profetes Veleda, of een verband met de moedergodinnen (Matres, Matronae, Deae) uit het Rijnland en Belgica.

Natuurlijk zit in dit onderzoek een element van speculatie, maar dat is eigen aan de interpretatieve wetenschap die de archeologie nu eenmaal is. En interpretatie gaat beter als je je netten breder gooit en kijkt over de buitengrens van de versmalde archeologie. Zo’n brede aanpak is geen interdisciplinariteit, maar onderdeel van het vak: de dialoog met andere disciplines is simpelweg noodzakelijk om de archeologie überhaupt te laten functioneren.

Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.