Gummarus van Lier

De kerk van Sint-Gummarus in Lier

In de categorie “middeleeuwse personages waarvan vrijwel geen mens ooit heeft gehoord” presenteer ik vandaag Gummarus van Lier. Wereldberoemd in het Belgische stadje, en daarbuiten volkomen vergeten. We weten dan ook vrijwel niets over de beste kerel, behalve dan dat hij vermoedelijk in 714 is overleden. Vermoedelijk.

Heiligenleven

Volgens een veel later geschreven heiligenleven leefde hij als kluizenaar op een eilandje in het riviertje de Nete, waar hij een kapelletje heeft gebouwd. Daarmee is hij feitelijk de stichter van het middeleeuwse stadje, dat ook de mystica Beatrijs van Nazareth (1200-1268) onder zijn kinderen telt. Niet geheel onwaarschijnlijk is dat Gummarus stamde uit een adellijke Frankische familie en enige tijd diende aan het Merovingische hof in Metz, waar hij werkte voor de Karolingische hofmeier Pippijn van Herstal (de echtgenoot van de Plectrudis over wie ik al eens blogde).

Lees verder “Gummarus van Lier”

Het Rijk van Toledo (4)

Zomaar mooie decoratie (Archeologisch museum, Mérida)

[Laatste van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

Nu ik in de vorige stukjes een schets heb gegeven van het zesde-eeuwse Rijk van Toledo, zou een vergelijking met de het Frankische rijk van de Merovingen zinvol zijn. Op het Iberische Schiereiland bleven de Romeinse bestuursstructuren grotendeels voortbestaan, terwijl er in Gallië andere vormen ontstonden, die ik niet ken in voldoende detail. Dat maakt het lastig verklaringen te noemen.

Ik wijs er wél op dat in de Frankische gebieden een bestuurlijke tegenstelling ontstond tussen stad en platteland, die zich in de Volle Middeleeuwen zou vertalen in stadsrechten die de poorters wel bezaten en de ommelanders niet. In het Rijk van Toledo bleven de aloude gemeentes bestaan, zonder juridische tegenstellingen tussen stad en land.

Lees verder “Het Rijk van Toledo (4)”

Hak om, die boom

West-Europa, dus zeg maar onze cultuur, is ontstaan in de Frankische tijd. Zoals Jeroen Wijnendaele onlangs in zijn boek over koning Clovis benadrukte, ontstond in de Late Oudheid een politieke eenheid die niet primair op de Middellandse Zee was gericht. Onze taal (ons meest identiteitvormende erfgoed) stamt af van het Frankisch, de oudste laag in onze literatuur is Frankisch, het christendom verspreidde zich in de Frankische tijd. Maar hoe is de kerstening verlopen?

Er zijn allerlei vrome legendes, waarvan iedereen eigenlijk ook wel weet dat het alleen maar vrome legendes zijn. Elk mirakelverhaal veronderstelt immers dat de lieve god de natuurwetten opschortte ten behoeve van deze of gene patiënt, en zoiets hoeven we zelfs niet te overwegen. Tegelijk: op een zeker moment was het christendom aanwezig en het moet ergens vandaan zijn gekomen. En ook: sommige gebeurtenissen zijn voldoende gedocumenteerd om plausibel te zijn. Het lijdt bijvoorbeeld geen twijfel dat bewoners van Oostergo in 754 of 755 aan de Boorne een Frankisch leger hebben aangevallen en dat daarbij de stokoude aartsbisschop Bonifatius van Mainz om het leven kwam.

Lees verder “Hak om, die boom”

Een schijffibula uit Rhenen

Schijffibula uit Rhenen (Stadsmuseum)

Op de expositie “Gouden Vrouwen” in Rhenen, waarover ik al eens blogde, is bovenstaande mantelspeld te zien. De oudheidkundige jargonterm is schijffibula, waarbij fibula het dure woord is voor mantelspeld en schijf voor schijf. Schijffibula’s – code-switchers zeggen fibulae – zijn er in allerlei maten en complexiteiten, en het Rhenense exemplaar behoort tot het wat hogere segment. De techniek waarmee het is vervaardigd, is namelijk de dure versie van het ook al dure email cloisonné. Althans, dat denk ik. Als ik me vergis, mag u het hieronder verbeteren. In elk geval: email cloisonné is al vrij bewerkelijk en kostbaar, en dat maakt de Rhenense mantelspeld, die nog een tikje kostbaarder is, dus een bescheiden topstuk.

Email cloisonné

Bij email cloisonné bestaat een fibula uit verschillende lagen. Aan de onzichtbare achterkant zit de eigenlijke speld, die gemaakt is van ijzer, brons of misschien zelfs zilver. Die zit vast aan een rond metalen plaatje dat de basis is van het voorwerp. Opnieuw: ijzer, brons of zilver. Dit is de zogenaamde draagplaat. Vaak ligt daarover een flinterdun laagje glimmend edelmetaal, waarvan ik de functie zo zal toelichten.

Lees verder “Een schijffibula uit Rhenen”

De Europese canon (1-5)

Tijdens keizer Septimius Severus, wiens ereboog u hier ziet, bereikte het Romeinse Rijk zijn grootste omvang

Een tijdje geleden stelde ik een Europese historische canon voor van tweeënveertig vensters en nodigde ik u uit toevoegingen te doen en verbeteringen te suggereren. Tussen vandaag en de Europese verkiezingen van 6 juni zal ik in elf blogjes de uitkomst aan u presenteren: steeds vijf vensters en daarnaast een stukje waarin ik de keuzes verantwoord. Bedenk wel: een canon een didactisch hulpmiddel, geen in steen gehouwen waarheid. Een canon heeft meer te doen met wetenschapscommunicatie dan met wetenschap. Wie liever een canon van de geschiedwetenschap leest, vindt die hier.

Ter zake nu.

Het Romeinse Rijk

Periode: Tot de zesde eeuw / tot 1453

In het krachtige en welvarende Romeinse Rijk, dat rond 202 na Chr. zijn grootste omvang bereikte, woonde ongeveer een derde van de wereldbevolking. Hoe vitaal de toenmalige cultuur was blijkt wel uit het feit dat het imperium bleef bestaan tot 1453 (later meer) terwijl de voornaamste Romeinse talen – het Grieks, het Latijn en het Aramees – nog springlevend zijn.

Lees verder “De Europese canon (1-5)”

Chrodoara van Amay

Sarcofaag van Chrodoaray van Amay

Twee jaar geleden maakte ik een fietstocht door de Maasvallei. Hoewel de coronamaatregelen op dat moment niet meer zo streng waren, bleken de archeologische musea die ik had willen bezoeken, zonder uitzondering gesloten. Dat gold ook voor de kapittelkerk van Amay, dat u zo’n vijfentwintig kilometer stroomopwaarts van Luik moet zoeken. Daar is een belangrijk Merovingisch graf, maar de kerk was en bleef gesloten. Gisteren had ik meer geluk. Heel veel geluk zelfs, want we arriveerden toen de kerk eigenlijk al dicht was, maar een vriendelijke mevrouw die het wat sneu vond dat ik voor de tweede keer voor niets was gekomen, gaf ons een uitgebreide rondleiding. En zo zag ik dan toch de sarcofaag van Chrodoara van Amay. Het is wat overdreven die aan te duiden als de belangrijkste archeologische vondst in de Lage Landen sinds de opgraving van Dorestad, maar het graf is wel heel erg bijzonder.

Chrodoara

De sarcofaag is in 1977 aangetroffen onder de apsis van de kerk. De inscriptie S(an)C(t)A CHRODOARA identificeerde de overledene, en er bleek ook een kort  rijmpje dat vertelde dat ze had behoord tot de nobilitas (de allerhoogste adel) en dat ze uit haar eigen vermogen heiligdommen had gesticht. Dat edellieden uit eigen vermogen schenkingen deden, was blijkbaar vermeldenswaard.

Lees verder “Chrodoara van Amay”

Nationale en regionale musea

De Merovingische munten van de offerplaats bij het Springendal

Grote kans dat u nog nooit heeft gehoord van Museum Moerman in Apeldoorn. Het bestaat niet meer. Ik kwam er als kind, keek er naar het oude Veluwse aardewerk, begreep voor het eerst hoe verschrikkelijk anders het verleden was geweest en begon historische belangstelling te krijgen. Nu mijn vrienden kinderen hebben, zie ik bij die kleuters hetzelfde. Toen opa en oma nog kind waren was het anders en dat is leuk. Elke onderwijzer en elke geschiedenisleraar weet dit: maak met kinderen een fietstocht langs het plaatselijke verleden en ze ontwikkelen geschiedenisliefde.

De sleutel is dat het verleden weliswaar anders moet zijn (dus verrassend, dus leuk), maar tegelijk herkenbaar. Dat laatste kan zijn doordat het gaat om familieleden (opa en oma) of de eigen regio (de Veluwe). U zult zich herinneren dat toen de politiek in 2006 verzon dat Nederland een nationaal historisch museum behoorde te hebben, nogal wat historici eraan herinnerden dat het geld beter besteed zou zijn aan lokale musea.

Lees verder “Nationale en regionale musea”

Kelten, Hunnen, Avaren, Saksen

Merovingische mantelgesp (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Er zijn een paar gebieden waar de oudheidkunde momenteel vooruitgang boekt. Eén front is het DNA- en het isotopenonderzoek. De zich daar aftekenende conclusie is, zoals bekend, dat mensen vroeger beweeglijker zijn geweest dan altijd was aangenomen. Omdat mensen hun ideeën meenemen, betekent dit dat de hermeneutische buitengrens is weggevallen. De winst is dus vooral voor classici en andere filologen, die een goudmijn aan informatie erbij hebben gekregen. Dit is een echte revolutie, met een wijzigende negatieve heuristiek.

Langzaam wordt het bewijs ook sterker. We wisten al dat de landbouw en de Indo-Europese talen zijn verspreid door migratie. Tot nu toe was de verdere redenatie min of meer “als in de Prehistorie de mensen mobiel waren, waren ze dat zeker in tijden met betere schepen en betere wegen”. Het was een a fortiori-redenering. Dat is altijd onbevredigend, omdat het veronderstelt dat alle andere factoren dezelfde zijn gebleven. (Om er nog een Latijnse term tegenaan te smijten: een ceteris paribus-redenering.) Het is natuurlijk denkbaar dat in het latere tijdperk factoren een rol hebben gespeeld die we nu nog niet herkennen.

Lees verder “Kelten, Hunnen, Avaren, Saksen”

Misverstand: De Friezen

De mantelspeld van Wijnaldum

Misverstand: De Friezen woonden altijd in Friesland

In de loop van de derde eeuw na Chr. gingen veel Germaanse stammen op in grotere federaties. Bekende stammen als de Franken, de Saksen en de Alamannen dateren uit deze tijd. De Friezen lijken hierop een uitzondering te zijn. Zij worden al in de Vroege Keizertijd vermeld als de bewoners van de huidige provincies Noord-Holland en Friesland. Als volk zijn ze ouder dan de genoemde federaties, en ook nu deze allang zijn verdwenen, zijn er in Nederland nog West-Friezen en Friezen, en in Duitsland en Denemarken Oost- en Noord-Friezen.

Dat suggereert een aanzienlijke etnische continuïteit, maar die is al een eeuw geleden ter discussie gesteld. Pieter Boeles (1873-1961), de man die de archeologie van Friesland domineerde in de eerste helft van de twintigste eeuw, wees er in 1905 op dat in de vierde en vijfde eeuw de Saksen, afkomstig uit het noordwesten van Duitsland, zich vestigden in het huidige Groningen, Friesland en Vlaanderen, alvorens het Kanaal over te steken en de koninkrijken van Essex, Sussex en Wessex te stichten. Boeles kwam tot deze gedachte omdat de archeologische vindplaatsen in het noordelijk kustgebied van deze tijd meer overeenkomsten vertonen met de cultuur van de toenmalige Saksen dan met die van de Friezen uit de voorafgaande tijd. Boeles concludeerde dat de oorspronkelijke bewoners waren onderworpen, maar dat hun naam in gebruik was gebleven.

Lees verder “Misverstand: De Friezen”

Koptische schaal

Koptische schaal uit Ewijk (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een tijdje geleden blogde ik over het Interweekum, het viertal avonden dat RomeinenNu en het Rijksmuseum van Oudheden aanbieden om een brug te slaan tussen de Week van de Klassieken en de Romeinenweek. Vier avonden waarop we tonen welke ontwikkelingen er zijn en waarom de Oudheid interessant blijft. Het programma is bijna klaar en ik zal het binnenkort aanbieden. Het zal overigens “Oog op de Oudheid” gaan heten, want “Interweekum” – ach, ik zal niet hoeven uitleggen waarom dat woord geschikter is als werktitel dan als feitelijke naam.

Omdat ik namens RomeinenNu de voorbereidingen doe, heb ik de laatste tijd regelmatig in het RMO vergaderd. Dat deden we meestal in het restaurant en met uitzicht op de vitrine met de laatste aanwinsten. Dat waren eerst wat munten – ik had er graag meer gezien – en nu staat daar bovenstaande “Koptische schaal”.

Lees verder “Koptische schaal”