Cornelis de Bruijn (11) Java

Het VOC-fort Galle in Ceylon, waar Cornelis de Bruijn verbleef

Dit is het elfde van dertien blogjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Ceylon

Op 25 oktober 1705 ging Cornelis de Bruijn, hersteld van ziekte, in Gamron aan boord van de Mydregt, waarmee hij voer naar Kochi in het zuidwesten van India. Hij keek verbaasd naar de dolfijnen en vliegende vissen. Eenmaal in Kochi verbleef hij bij functionarissen van de VOC, alvorens door te varen naar Ceylon, waar de Hollanders verschillende handelsposten hadden, zoals Galle bij de zuidkaap van het eiland.

De Bruijn verbleef hier lang genoeg om een ​​krokodillenjacht te observeren, en biedt in zijn Reizen over Moskovie, door Persie en Indie een uitvoerige beschrijving van de natuurlijke rijkdom van het land. Na de viering van Kerstmis en Nieuwjaar verliet hij Ceylon op 6 januari 1706.

Lees verder “Cornelis de Bruijn (11) Java”

Geliefd boek: Snouck Hurgronje

Christiaan Snouck Hurgronje

Voor sommige negentiende-eeuwse reizigers was hun grote reis het begin van een wetenschappelijke loopbaan, zoals bij de Engelsman Charles Darwin, de Duitser Alexander von Humboldt of de Nederlander Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936). Hij was de grootste Nederlandse islamkenner van zijn generatie. Hij had die kennis onder andere verkregen door zijn veldwerk. Mekka in de tweede helft van de negentiende eeuw. Schetsen uit het dagelijks leven (Atlas 2007) luidt de Nederlandse titel van zijn grote studie. Het boek is goed leesbaar vanuit het Duits vertaald. De vertaling is voorzien van een uitgebreide inleiding en met een magnifieke collectie foto’s die Snouck Hurgronje zelf heeft verzameld.

Iedere moderne antropoloog zal Snouck Hurgronje’s veldwerk in dat voor Moslims zo heilige bedevaartsoort herkennen als een gewaagde − bij ontdekking zou hij zonder pardon zijn geëxecuteerd − en misschien controversiële vorm van participerende observatie. Hij had zich goed voorbereid door zich tot de islam te bekeren en hij vermomde zich als pelgrim. Nadat Snouck Hurgronje in Mekka aankwam, kocht hij via een tussenhandelaar een slavin, een jonge, Ethiopische vrouw, van wie de naam onbekend is gebleven, net als de rest van haar leven. De Ethiopische vrouw werd zijn belangrijkste informante over het leven van vrouwen in Saoedi-Arabië. Ook tegenwoordig nog een gesloten wereld voor mannelijke onderzoekers.

Lees verder “Geliefd boek: Snouck Hurgronje”

De Europese canon (41-45)

De Eerste Balkanoorlog

Overmorgen zijn de Europese verkiezingen en met het oog daarop blog ik deze week over de Europese canon. Vandaag vijf onderwerpen vol geweld, met ergens op de achtergrond de doorbraak van het modernisme. De Eerste Wereldoorlog werd gewonnen door de partijen die het meeste innoveerden, en vernieuwing werd het toverwoord van de twintigste eeuw.

De instorting van het Europese systeem

Periode: 1911-1922

Alternatieven: Eerste Wereldoorlog, Vrede van Versailles

Tussen de Europese mogendheden waren altijd fricties en spanningen, maar zolang er koloniën te verdelen waren, was er een bliksemafleider. Toen het verkeerd begon te gaan, was dat dan ook op het laatste stukje wereld dat nog niet was verdeeld: op de Balkan. Het Ottomaanse Rijk was verzwakt, Italië viel het aan in Libië (1911) en in het jaar erop vielen ook Servië, Montenegro, Griekenland en Bulgarije aan. Dat was de Eerste Balkanoorlog. Die duurde bijna acht maanden; de Ottomanen verloren vrijwel al hun Europese bezittingen. De vrede duurde één maand. Toen brak de Tweede Balkanoorlog uit, waarin Servië, Montenegro, Griekenland en het Ottomaanse Rijk zich keerden tegen Bulgarije.

Lees verder “De Europese canon (41-45)”

Agrarische exploitatie: Rome en Indonesië

Agarische exploitatie in Nederlands-Indië (Universiteitsbibliotheek Leiden)

Wie helpt? Ik zit even met een vraag. Onlangs blogde ik over de Romeinse economie, die natuurlijk vooral agrarisch was. Ik heb niet uitgebreid stilgestaan bij een volgens mij redelijk belangrijk aspect, namelijk de interactie van productiewijzen. Een antieke boer zou het liefst alleen voor zichzelf produceren. De vakterm is dat hij streefde naar autarkie, wat je ooit zou hebben vertaald als “zelfgenoegzaamheid”, maar dat woord heeft een andere betekenis gekregen. In elk geval: de antieke boer was een peasant, zoals de overgrote meerderheid van de mensen die de afgelopen twaalfduizend jaar op deze planeet hebben rondgelopen.

Nu was er een vervelende bijkomstigheid: de overheid. Die eiste een deel van de opbrengst. Zolang dit in natura gebeurde, viel daarmee te leven. Maar de Romeinse overheid eiste belasting in klinkende zilveren munt. Die heeft een autarke boer niet, tenzij hij iets gaat verkopen. Anders gezegd: hij moet gaan produceren voor de markt.

Lees verder “Agrarische exploitatie: Rome en Indonesië”

Geliefd boek: Ontsporing van geweld

De laatste jaren zijn er veel boeken verschenen over de dekolonisatie van Indonesië. Zie bijvoorbeeld het voortreffelijke Merdeka. De strijd om de Indonesische Onafhankelijkheid van Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze (Zutphen, 2022). De politionele acties (tussen 1947 en 1949) van het Nederlandse leger in Indonesië hebben daarbij terecht veel aandacht gekregen. Die politionele acties met honderdduizend Nederlandse militairen waren in een tijd dat het uitgeputte Nederland enigszins begon te herstellen van het verdriet, de armoede en de materiële schade van de Tweede Wereldoorlog. Net als bij andere Europese koloniale machten, waren de Nederlandse belangen kennelijk te groot om de Nederlands-Indië zo maar op te geven.

Ontsporing van Geweld

Het zal naar aanleiding van de huidige aandacht voor de dekolonisatie van Indonesië zijn dat er een herdruk is verschenen van een boek dat ruim vijftig jaar geleden voor het eerst werd gepubliceerd. J.A.A. van Doorn (1925-2008) en W.J. Hendrix, Ontsporing van Geweld. Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict (Rotterdam, 1970). Ik bezit die eerste druk met veel streepjes. Het boek biedt een gedetailleerde beschrijving van die politionele acties. De auteurs waren als militair tijdens de politionele acties ter plekke. Ze hebben goed gekeken en zorgvuldig genoteerd wat er gebeurde. In het boek hebben ze hun ervaringen van toen gecombineerd met in 1970 nieuwe historische kennis en sociologische inzichten. Dat maakt het boek een belangrijke gevalstudie.

Lees verder “Geliefd boek: Ontsporing van geweld”

Snouck Hurgronje

Wie in Leiden over het Rapenburg naar het Academiegebouw wandelt, passeert op nummer 61 het huis waar Christiaan Snouck Hurgronje heeft gewoond. Afgezien van de in steen gebeitelde naam herinnert er weinig aan de geleerde, die leefde van 1857 tot 1936 en tot op de dag van vandaag ietwat omstreden is. Snouck was namelijk de islamoloog die de strategie ontwierp waarmee generaal Van Heutsz tussen 1898 en 1903 de bevolking van Atjeh onderwierp. Niet iedereen kan, om het zacht uit te drukken, waardering opbrengen voor de architect van een koloniale oorlog.

Er is echter meer. Snouck Hurgronje had zich in 1885, minimaal in naam, bekeerd tot de islam en had enige tijd in Mekka en gewoond en gestudeerd. Voor menig moslim gold hij als vertrouwenspersoon, ja als leraar. Tegelijk schreef hij rapporten voor de Nederlands-Indische autoriteiten, waarin hij doorgaf wat hem was verteld. Was het, zoals Snouck Hurgronjes biograaf Philip Dröge in zijn onlangs verschenen boek Pelgrim opmerkt, wel eerlijk van de Nederlandse geleerde om de mensen die hem bewonderden, zó te belazeren? Was hij niet in feite gewoon een spion?

Lees verder “Snouck Hurgronje”

De brug over de Kwai (12)

De auteur en de brug in 1980
De auteur en de brug in 1980

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Kleding

Bij indiensttreding kregen we uiteraard uniformen, die gezien het klimaat was gemaakt van katoen. We kregen een lange broek die van onderen heel nauw was omdat er puttee’s omheen moesten, een jasje, hemd en onderbroek, sokken en soldatenschoenen (half-leer, half-linnen met kopspijkers op zolen en hakken), en dan puttee’s. Van alles twee. De puttee’s moest je over de onderkant van je broekspijpen en de bovenkant van je schoenen wikkelen. Tenslotte een stalen helm. Alle kleding was groen, ook ondergoed en handdoek. Eén stel kleding aan, één stel in je rugzak. Verder kreeg je een aluminium veldfles en drie etenspannetjes.

Toen we krijgsgevangen werden had iedereen in principe deze uitrusting nog (behalve de helm). Hiermee moesten we het tot het eind van de oorlog doen. Hoe het gebeurde weet ik niet meer, maar we raakten steeds meer dingen kwijt, verloren, gestolen of versleten.

Lees verder “De brug over de Kwai (12)”

De brug over de Kwai (11)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Huisvesting

Als gevangenen waren wij op Java en in Singapore steeds gehuisvest in kazernes, in stenen gebouwen dus. We werden wel nauw gelegerd. In een kazerne waar normaal tweehonderd militairen (met hun vrouwen en kinderen) in gelegerd waren, dus zeg achthonderd mensen, stopten de Japanners 3600 krijgsgevangenen. Ieder kreeg een plaatsje van 2 bij 1 meter, soms 2 meter bij 75 centimeter. Deze afmetingen hebben de hele oorlog door gegolden.

Je lag op de grond op een deken of op een matje,  matrassen waren er niet. Ik had een kussensloop waar een deel van mijn kleding in zat als kussen.

In Thailand lagen we in bamboehutten, honderd meter lang, vijf meter breed. In het midden een pad van 1 meter breed, links en rechts een verhoging van 75 cm hoog, waar wij op lagen. Ieder weer 2 bij 1 meter. Aan het hoofdeinde een schot van bilik (gevlochten bamboe) van 50 cm, daarboven 50 cm open ruimte, daarboven het atapdak dat schuin omhoog iets overstak, zodat we droog bleven. We lagen op dunne (1 tot 2 cm) bamboes. In Martonna lagen we in Japanse legertenten, twintig man in een tent van 7 bij 5 meter grondvlak. Op de grond wat dwarsbalken, daarop weer dunne bamboes.

Lees verder “De brug over de Kwai (11)”

De brug over de Kwai (10)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

De bevrijding

In Tamoeang was niet veel te doen. We moesten een diepe droge gracht om het kamp heen graven van vier meter diep en breed, en viermaal 500 meter lang. Op de hoeken kwamen pillboxen met schietopeningen naar buiten en ook naar binnen. Het zag ernaar uit dat de Jappen ons hierin bij elkaar zouden drijven als de geallieerden dichtbij zouden komen. De Jappen konden ons dan makkelijk in bedwang houden en eventueel allemaal dood schieten. De geallieerden zaten echter nog ver, bij Rangoon, bijna 1000 km van ons kamp. Wel hoorden we regelmatig geallieerde bommenwerpers overvliegen.

Als er geen achterstand op het werk was kregen we ongeveer eens per maand een amateurcabaretvoorstelling. Op een augustusavond in 1945, terwijl wij net zo’n cabaretvoorstelling hadden, kwam plotseling een Engelse sergeant-majoor het toneel ophollen om te vertellen dat de Japanse kampcommandant liet mededelen dat de oorlog afgelopen was. Hierop werd spontaan het God Save the King en het Wilhelmus gezongen. We hebben die nacht niet meer geslapen.

Lees verder “De brug over de Kwai (10)”

De brug over de Kwai (9)

De auteur in 1945
De auteur in 1945

[Deze weken plaats ik op mijn blog het verhaal met de oorlogsherinneringen van dhr Dick van Zoonen. Een overzichtspagina is daar.]

Houthakken

In Nong Pladuk zaten wij niet erg lang. Een keer werden wij met honderd man met een trein met een reservebrug 80 km de jungle ingestuurd om de brugdelen in de jungle te verbergen. Kennelijk moesten deze brugdelen dienen voor eventuele reparaties na bombardementen van de grote brug over de rivier de Kwai.. Dat karwei duurde twee dagen.

In november 1944 moest een ploeg van vijfonderd man de jungle in om hout te hakken, brandhout voor de stoom locomotieven. Ik was één van die vijfhonderd, allen Hollanders. Onze officieren waren toen al van ons gescheiden en in aparte kampen gezet. We hadden wel onze eigen sergeants en sergeant-majoors en ook per vijfhonderd man een dokter. Deze leiding was erg belangrijk om de orde te bewaren, te zorgen dat er niet te veel gestolen werd, dieven te bestraffen (met stokslagen) en om te zorgen voor hygiëne en voor eerlijke verdeling van het eten. Dit soort discipline is misschien ook de reden geweest dat de krijgsgevangenen het er in het algemeen veel beter afbrachten dan de Aziatische koelies, die de Jap ook in grote aantallen (162.000) inzette op de spoorlijn. Wij hadden 20% doden, de koelies veel meer.

Lees verder “De brug over de Kwai (9)”