Dood paard

Paardenskelet uit Gonur Deppe
Paardenskelet uit Gonur Deppe

Misschien wel de grootste ontdekking van de geesteswetenschappen:

  • eerst ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie,
  • vervolgens het proces van reconstructie van deze oertaal,
  • daarna het leggen van een verband met de archeologische resten van de Yamnaya-cultuur (Yamna-cultuur, koergan-cultuur, putgrafcultuur…) die tussen 3600 en 2300 v.Chr. heeft bestaan in Oekraïne/Zuid-Rusland
  • tot slot de bevestiging daarvan door het DNA-onderzoek.

Taalkundigen, historici, archeologen, DNA-onderzoekers: in de geesteswetenschappen bereik je vooral resultaat als je je niet beperkt tot kleine specialismen. De impact van de ontdekking is ondertussen immens: we zijn volken gaan definiëren aan de hand van taal, wat eigenlijk een heel rare innovatie is geweest, met vérstrekkende politieke gevolgen, zoals iedere Belg u kan uitleggen.

Op de achtergrond speelt dan nog een andere, even interessante kwestie: de verklaring waarom de Indo-Europese taalfamilie zich van Ierland tot India en van Spanje tot Siberië heeft kunnen verspreiden. Er zijn diverse factoren te noemen, zoals de genetische mutatie die een deel van het afweersysteem onklaar maakte, waardoor mensen met wat ik maar even “Indo-Europees DNA” zal noemen (u mag de benodigde slagen om de arm zelf invoegen) niet langer allergisch reageerden op melk van andere diersoorten. Normaal gesproken zou je ziek worden van koeien- of geitenmelk, maar Indo-Europeanen hebben daar minder last van en dat gaf ze in een koud klimaat een extra bron van voedingsstoffen. Een andere verklaring, mijns inziens belangrijker, is dat ze beschikten over paarden.

Lees verder “Dood paard”

De Anatolische beschavingen (4)

Het zogenaamde “graf van koning Midas” in Gordion

[Dit is het vierde deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]

De ontruiming van de Hettitische hoofdstad Hattusa was een teken des tijds. De oude netwerken waarmee tin en koper waren geruild (de bestanddelen van brons), vielen uiteen. Wat restte was het goedkopere ijzer, dat overal te vinden is. Kleine én ooit grote staten schakelden erop over, en dat had een democratiserend effect: de supermachten van weleer hadden geen strategische voordelen meer. Tegelijk en samenhangend met de instorting van de grote Bronstijdrijken en de opkomst van de IJzertijdrijkjes, waren er migraties, die meestal worden aangeduid als de “Zeevolkeren”: in Anatolië breidden de noordelijke nomaden hun invloed uit naar het zuiden, in het zuiden van de Anatolische hoogvlakte lag het koninkrijkje Muski, vanuit het zuidoosten kwamen de Arameeërs, en vanuit het noordwesten trokken de Frygiërs het gebied binnen.

Moderne kopie van een van de Neo-Hettitische orthostaten in Arslantepe
Moderne kopie van een van de Neo-Hettitische orthostaten in Arslantepe

Van deze laatsten was de hoofdstad Gordion, die tot op de huidige dag wordt gedomineerd door talloze grote grafheuvels. In een ervan ligt, naar men wel beweert, de legendarische koning Midas begraven. We beklommen de citadel, waar eeuwen later Alexander de Grote de beroemde “gordiaanse knoop” zou doorhakken. De Frygiërs lieten ook hun sporen na in Ankara en Hattusa, waar mooie standbeelden zijn gevonden van de moedergodin (meer…), en in Alacahöyük. Er is wel geopperd dat het zojuist genoemde koninkrijk Muski identiek is aan Frygië, maar volgens mij is dat topografisch onmogelijk.

Ondertussen waren er ook nog staten die de tradities voortzetten van het oude Hettitische Rijk. Helaas lukte het ons niet om Karchemis te bereiken (een ingecalculeerde mislukking overigens – we rekenden er niet echt op), maar we bezochten wel het prachtig in een bos aan een meer gelegen Karatepe, de opgraving van Zincirli en het fenomenale Arslantepe. Ook hier leefden de kunstenaars zich uit in mooie stadspoorten en fraaie orthostaten. Ik ga zeker nog eens terug om deze steden te bekijken, met – hopelijk – wat meer kans op succes in Karchemis.

Muzikanten op een Neo-Hettitische orthostaat in Karatepe
Muzikanten op een Neo-Hettitische orthostaat in Karatepe

Deze zogeheten Neo-Hettitische staatjes bleven, met Aramese en andere invloeden, nog enkele eeuwen bestaan. Wat in Griekenland wel eens wordt aangeduid als de “Dark Ages”, is dat in Turkije beslist niet meer, al zou ik ook weer niet zo ver willen gaan te beweren dat we ons bevinden in het volle licht der geschiedenis.

Eén Neo-Hettiet wil ik nog noemen: Uria, een soldaat die (volgens de Bijbel) in de tiende eeuw in het verre Jeruzalem koning David diende. De vorst werd verliefd op Uria’s echtgenote, Batseba, en stuurde haar man naar het front met een brief aan zijn commandant, waarin de koning opdracht gaf aan zijn commandant om de brenger van de brief aan het front te laten strijden, opdat hij zou sneuvelen. Het is maar één kijkje naar de details van het leven in deze tijd. Ik zou er graag meer hebben, en wie weet wordt in Karchemis, Karatepe, Zincirli of Arslantepe nog eens een stevig kleitablettenarchief gevonden.

[wordt vervolgd]

De Anatolische beschavingen (3)

Een typische schenkkan uit het Oude Rijk; museum van Hattusa
Een typische schenkkan uit het Oude Rijk; museum van Hattusa

[Dit is het derde deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]

Aan het Rijk van de Hettieten herinneren talloze monumenten in centraal-Turkije. De voornaamste nederzetting was natuurlijk de hoofdstad Hattusa, niet ver ten oosten van Ankara. Er is een deel van de Hettitische stadsmuur gereconstrueerd en daarnaast ligt een gigantisch tempelcomplex, dat dateert uit de tijd van het Oude Rijk: de periode tot ongeveer 1400. Daaruit stamt ook de koningsburcht, hoewel de bebouwing die daarop nu is te zien, dateert uit het Nieuwe Rijk, ruwweg de periode 1400-1200. Ik beken dat ik die burcht wat tegen vind vallen.

Hattusa werd in de veertiende eeuw uitgebreid met een bovenstad. Als de graansilo’s (wel opgegraven maar niet meer te bezichtigen) een aanwijzing vormen, woonden er in deze tijd zo’n 30.000 mensen. In de bovenstad zijn opvallend veel tempels zijn gevonden en ik vind de gedachte aantrekkelijk dat het tevens de ambassades waren van de steden die de goden vereerden die ook in deze tempels hun huis hadden. De stadsmuur om de bovenstad was voorzien van drie poorten: de Leeuwenpoort, de Sfinxenpoort en de Koningspoort. Alleen de laatste heeft een logische locatie, de twee andere zijn onpraktisch geplaatst en het zou me niet verbazen als ze alleen werden gebruikt bij speciale gelegenheden.

Lees verder “De Anatolische beschavingen (3)”

De Anatolische beschavingen (2)

“Zonneschijf” uit Alacahöyük, nu in het museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara.

[Dit is het tweede deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]

De opkomst van de steden en het ontstaan van de staat vonden plaats tijdens de overgang van de Kopertijd naar de Vroege Bronstijd, zo rond 3000 v.Chr. Rond 2750 ging Arslantepe ten onder. De opgraving van Alacahöyük documenteert de tweede helft van het Vroeg Brons. Er zijn dertien koningsgraven gevonden – vijf ervan zijn momenteel te zien – waarin wonderlijke bronzen of zilveren voorwerpen zijn opgegraven die, om het oneerbiedig te zeggen, nog het meest lijken op mattenkloppers. Men noemt ze “zonneschijven”, maar dat is omdat we niet weten wat ze wél zijn.

Tegen het einde van de Vroege Bronstijd trokken nieuwe volken Anatolië binnen, die Indo-Europese talen spraken. Daarvan stammen drie talen uit de historische periode af: het Luwisch, dat we later aantreffen in het zuiden en westen van Turkije (bijvoorbeeld in Troje), een daarmee verwante taal die in een eigen schrift werd geschreven en daarom “hiëroglifisch Luwisch” wordt genoemd, en de taal van de Hettieten.

Lees verder “De Anatolische beschavingen (2)”