Sarcofaag en masker

Romeinse sarcofaag, Tripoli

In een poort in het Kruisvaarderskasteel dat boven de Libanese stad Tripoli uittorent, staan enkele grauwe Romeinse sarcofagen opgesteld. Ik weet niet hoe ze er zijn gekomen en kan ze niet preciezer dateren dan in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling, maar ik weet toevallig wel dat plunderaars de bovenstaande sarcofaag hebben beschadigd door te proberen met een slijptol de zes afbeeldingen los te maken van de rest van de lijkkist.

Met hun flaporen, grijnslach en gestileerde kapsel ogen de mensen wat klungelig geportretteerd. Ik had nog nooit zoiets gezien. Dat wil zeggen: op een Romeinse sarcofaag. Maar zó vreemd zijn deze portretjes niet: ze lijken te staan in een oudere traditie, zoals u hieronder ziet.

Lees verder “Sarcofaag en masker”

Een ruiter uit Byblos

Fenicisch ruiterbeeldje (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Nog even een kleinigheidje uit Byblos, de havenstad waarover ik onlangs heb geblogd: een beeldje van een ruiter. Het is tegenwoordig te zien in de zwaar onderschatte Koninklijke Musea voor Kunst- en Geschiedenis in Brussel. Kijk hier even wat u, als u daar nog nooit bent geweest, allemaal hebt gemist.

Dit soort beeldjes zijn niet uniek. Ze dateren uit ongeveer 700 v.Chr. en zijn ook gevonden in Amrit in het zuiden van Syrië, het antieke Marathous. Ik lees dat kunsthistorici vermoeden dat er Grieks-Cypriotische invloeden in deze beeldjes zijn te herkennen, en dat is zowel interessant als logisch. In deze tijd zijn er immers allerlei Levantijnse invloeden in Griekenland, met het alfabet als bekendste voorbeeld, dus het viel te verwachten dat er ook Griekse invloeden zijn geweest in de Levant.

Lees verder “Een ruiter uit Byblos”

Byblos in de IJzertijd (en daarna)

Fenicische toren

De steden van Fenicië, waaronder Byblos, hadden te maken met een geduchte vijand: het Assyrië waarover ik vorig jaar al zoveel heb geschreven (overzicht). De Assyrische koningen eisten tribuut van de havensteden, die weinig anders konden doen dan hun handelsnetwerken benutten om het gevraagde te bemachtigen. Zo rond 800 strekte dit netwerk zich uit tot Karthago in Tunesië en verder, tot aan de Atlantische Oceaan.

Zoals ik in mijn vorige stukje aangaf werd Byblos langs deze handelsroutes overvleugeld door andere steden, vooral Tyrus, maar de Byblische kooplieden wisten nieuwe markten aan te boren, zoals Griekenland, dat via Byblos papyrus importeerde uit Egypte. Ik heb vaak horen vertellen dat het Griekse woord voor boek, biblion, is afgeleid van “Byblos”, maar ik weet niet of dat waar is. Uit deze periode, die in Libanon niet heel goed is gedocumenteerd, is in Byblos nog een toren te zien. Ik kom later deze week nog even terug op een vondst uit deze tijd.

Lees verder “Byblos in de IJzertijd (en daarna)”

Van vele boeken te maken is geen einde (2)

Het is Boekenweek, dus laat ik eens schrijven over boeken. Ooit kocht ik die sneller dan ik ze kon lezen. Ik ben inmiddels terughoudender maar veel maakt dat niet uit, want naarmate ik minder boeken koop, krijg ik er meer toegestuurd, vaak met een verzoek of ik ze op deze blog wil recenseren. Driekwart van die boeken is overbodig: je vindt dezelfde informatie sneller op het internet en dan kun je via hyperlinks nog meer vinden ook. Daar schrijf ik dus niet over. Andere boeken zijn wel de moeite waard, maar ik vind er nauwelijks tijd voor. Vandaag dan toch een paar signalementen.

Eén: de langverwachte Landmark-Caesar is er eindelijk. En dat is goed nieuws, heel goed nieuws. De Landmark-reeks is dé standaard voor vertaalde antieke teksten: nieuwe vertalingen, verhelderend beeldmateriaal, een goede inleiding, appendices, dubbele annotatie, goede landkaarten. Kortom, een feest voor wie wil lezen, nuttig voor wie informatie nodig heeft. Een boek zoals het in deze digitale tijd hoort. Ik kom er nog op terug want alle lof verdient meer dan deze ene alinea.

Lees verder “Van vele boeken te maken is geen einde (2)”

Fenicië, Assyrië, Egypte, Karthago & Italië

Fenicisch edelsmeedwerk (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Op de Nineveh-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden is ook één van mijn favoriete voorwerpen uit de oude wereld te zien: de hierboven afgebeelde schaal. Die bestaat uit vier ringen: middenin is een steenbok te zien met een jong, omgeven door lotusbloemen; daar omheen is een leeuwenjacht te zien; de derde cirkel toont soldaten; de rand ten slotte is leeg gelaten.

Klik het hierboven even aan, ik heb speciaal een wat groter plaatje dan anders neergezet. (Meer foto’s vindt u hier.) Misschien ziet u wat er zo wonderlijk is aan dit voorwerp.

Lees verder “Fenicië, Assyrië, Egypte, Karthago & Italië”

Context is alles

Beeldje van een Nubiër (Metropolitan Museum of Art, New York)
Beeldje van een Nubiër (Metropolitan Museum of Art, New York)

Ik blogde er vorige maand over dat de Iraakse en andere troepen die Mosul bevrijdden van ISIS-terroristen, omzichtig om de ruïnes van de oude Assyrische hoofdstad Nineve heen trokken. De soldaten gaan zorgvuldiger om met de oudheden dan de verzamelaars, want het staat vast dat gestolen oudheden uit Irak en Syrië inmiddels zonder gêne in de kunsthandel worden aangeboden. Er lijkt sinds de plundering van de Egyptische musea en grafvelden weinig te zijn geleerd.

Het beeldje hierboven is niet door roof verkregen. De vindplaats is bekend: het komt uit het antieke Kalhu, tegenwoordig Nimrod en is in 1960 opgegraven door de British School of Archaeology. Doordat het afkomstig is uit een gecontroleerde opgraving, weten we dat het behoort tot een verzameling van zes beeldjes die ooit stonden op één sokkel – eigenlijk meer een lat. Dit is een stukje informatie dat we niet zouden hebben als dit beeldje illegaal op de markt was gebracht.

Lees verder “Context is alles”

Renan, Renan, steeds Renan (4)

Ernest Renan, de ontdekker van het oude Fenicië

[Dit is het laatste van vier stukjes over een Franse geleerde die ik werkelijk overal lijk tegen te komen. Het eerste was hier.]

Ik heb nu driemaal geblogd over de Franse geleerde Ernest Renan, die, zoals zoveel van zijn tijdgenoten, dacht vanuit een sjabloon over oostelijke, Semitisch-sprekende, nomadische, religieuze volken en westelijke, Indo-Europees-sprekende, in steden wonende, meer filosofisch ingestelde volken. De sjabloon is onhoudbaar, maar Renan was niet de enige die meende dat er een karakterverschil bestond tussen Oost en West. Nog altijd zijn er kwakhistorici die denken dat de Griekse overwinning in de Perzische Oorlogen verhinderde dat het ontluikende, verondersteld vrije westen zou zijn gesmoord door het tirannieke, verondersteld mystieke oosten.

Wat Renans ideeën in positieve zin onderscheidde van deze in feite pre-wetenschappelijke opvattingen, was dat hij de sjabloon niet voor vanzelfsprekend aannam, maar kritisch doorlichtte. Ibn Rushd behoorde, als Arabischsprekende, tot de oosterse wereld, maar was toch een filosoof die de westerse wereld had helpen vormen. Omgekeerd kon Renan van Jezus van Nazaret stellen dat deze altijd in zijn joodse (Semitische) wereld was gebleven: daar paste de sjabloon volgens hem dus wel.

Renan beperkte zich niet tot óf Griekenland en Rome óf het Nabije Oosten: over beide had hij iets te melden. Hij beperkte zich bovendien niet tot één tijdperk: de Oudheid boeide hem evenveel als de Middeleeuwen, terwijl hij ook een beroemd essay heeft geschreven over het karakter van het nationalisme en daarnaast de eigentijdse discussie niet schuwde. Wat ik pas kort geleden ontdekte, was dat hij bovendien een van de eerste archeologen was. Hij is de ontdekker van Fenicië, en hoewel ik de naam al op wel honderd manieren was tegengekomen, verbaasde dit me toch.

Let wel, we hebben het over 1860. Als wetenschap bestond de archeologie nog niet, maar er werd al wel gegraven – denk aan Pompeii en Voorburg. Het zou echter nog tien jaar duren tot Schliemann de stratigrafische methode ontwikkelde en we echt van een wetenschap kunnen spreken.

Herdenkingssteen voor het Franse expeditieleger (Nahr al-Kalb)

Renans kans kwam toen Napoleon III, die zich vaak opwierp als beschermer van christelijke minderheden, intervenieerde in Libanon om de maronitische christenen te beschermen tegen de druzen. Zoals zijn oom een groep geleerden had meegenomen toen hij in 1798 naar Egypte was gegaan, zo voegde ook Napoleon III archeologen toe aan zijn expeditieleger.

Helaas was Renans kennis van ruïnes niet groot. Een in Libanon wonende Française vond haar gast een verwaande kwast en verkneukelde zich toen deze eens een Romeins stuk muur aanzag voor een Fenicisch overblijfsel. (De fout is niet zonder zeer recente parallel, overigens.) Niettemin leerde Renan snel en kon hij dankzij de steun van het expeditieleger onderzoek doen in Byblos, Arwad, Sidon en Tyrus.

Hij liet systematisch dagboeken bijhouden – iets nieuws – en werkelijk alles intekenen wat er in te tekenen viel. Een deel van het materiaal uit de later gepubliceerde Mission de Phénicie (1865-1874) is nog altijd relevant, omdat Renans mensen dingen hebben kunnen tekenen die er nu niet meer zijn. De boeken tonen ook dat Renan een wetenschappelijker geest had dan de dappere avonturiers die de Description de l’Égypte hadden gepubliceerd: in dat werk wemelt het van de romantische tekeningen, terwijl de Mission de Phénicie een veel zakelijker toon aanslaat. Ondertussen bleef ook Renan een kind van zijn tijd: zoals de geleerden van Napoleon I allerlei oudheden hadden meegenomen uit Egypte, zo voelde de ontdekker van Fenicië zich vrij talloze oudheden mee te nemen naar het paleis van Napoleon III, het Louvre dus, waar de sarcofagen nog altijd zijn te zien. (Weer een plaats waar ik dacht: “Je komt die kerel ook overal tegen!”)

Wat Renan vond, was opnieuw een uitzondering op zijn sjabloon: de Feniciërs spraken weliswaar een Semitische taal, en dachten dus als Semieten, maar ze woonden in steden. Weliswaar bewees hun lange-afstand-scheepvaart dat ze nog iets nomadisch over zich hadden, maar het was evident dat ze afweken van wat men destijds verwachtte. Renan heeft de sjabloon desondanks niet verworpen. Daarvoor waren de twintigste-eeuwse sociale wetenschappen nodig, die uitlegden hoe je brede generalisaties en lange continuïteiten kunt vaststellen.

De Mission de Phénicie vormde de grondslag van de Libanese archeologie, maar meer dan dat: de hierin gepostuleerde “andersheid” van de Feniciërs, werd in de twintigste eeuw ineens belangrijk voor de Libanezen om te bewijzen dat zij geen gewone Arabieren waren.

Zoals ik al een paar keer aangaf, duikt de naam Renan steeds weer op. Het Jezusonderzoek, de Arabische invloed op de scholastieke filosofie, de nationalismediscussie, de archeologie van Fenicië: hij heeft overal iets over gezegd, en ook al vergiste hij zich vaak, hij dacht wetenschappelijker dan de meeste oudheidkundigen. Hij beperkte zijn bewijsmateriaal niet tot óf oude teksten óf archeologische vondsten; hij beperkte zijn aandacht niet tot óf het Semitische Oosten óf het Grieks-Romeinse Westen; hij beperkte zich niet tot één tijdvak.

En vooral: hij zocht niet slechts naar bewijs vóór een stelling, maar zocht ook aanwijzingen voor het tegendeel. Die denkhouding is nog altijd veel te zeldzaam.

Literatuur

H. Laurens, “Ernest Renan’s Expedition to Phoenicia”, in: Z. Bahrani e.a., Scramble for the Past. A Story of Archaeology in the Ottoman Empire, 1753-1914 (2011) 213-231