Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Lees verder “Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie”

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Lees verder “Historisme en grotemannengeschiedenis”

De historische canon

Stelt je voor dat astronomen een canon zouden opstellen van wat iedereen over hun vak moest weten. Zou dat een overzicht opleveren van sterrenbeelden? Nee natuurlijk. Ze zouden de telescoop, de periodieke terugkeer van kometen, radioastronomie en zwaartekrachtgolfdetectors noemen. Een wetenschap onderstreept haar belang immers niet met de objecten die ze onderzoekt, maar met de ontdekte patronen. En haar vooruitgang blijkt uit vernieuwende methoden, nieuwe soorten inzicht en nieuwe bijdragen aan andere disciplines.

Het is, dacht ik althans, logisch je niet te presenteren met de onderzoeksobjecten. Presenteer een wetenschap als wetenschap. De canon die de Commissie Van Oostrom voor de Nederlandse geschiedenis heeft opgesteld, beperkt zich echter wel tot de objecten en draagt zo bij aan het beeld dat geschiedvorsing geen echte wetenschap is. Het gaat om hunebedden, de Romeinse limes, Karel de Grote en wat dies meer zij. Onderwerpen, kortom, die zich lenen voor een blogje hier of een causerie daar, maar die niet tonen waarom geschiedenis een wetenschap is. Hieronder is mijn alternatief.

Lees verder “De historische canon”

Die eeuwige negentiende eeuw

Ceci n'est pas un roi: Djedefre (Louvre)
Ceci n’est pas un roi: Djedefre (Louvre)

Het kernprobleem van de oudheidkundige disciplines is het tekort aan data. Je hebt, denk ik, ongeveer vijftien boekenkasten nodig om alle literaire teksten, papyri, kleitabletten en monumentale inscripties bij elkaar te zetten. Laten we zeggen honderd strekkende meter. (Ter vergelijking: de Nederlandse Rijksoverheid produceert zo’n anderhalve kilometer archief per jaar.) Uiteraard moeten we hieraan de snel toenemende hoeveelheid archeologische data toevoegen, maar desondanks mag ik wel stellen dat de oudheidkunde meer dan andere wetenschappen wordt geteisterd door datagebrek. Het nadenken hierover maakt het vak ook zo boeiend.

Nou willen we dat verleden graag verklaren. Anders is geschiedenis ook maar one damn thing after another. Als je weinig data hebt, wordt dat verklaren – per definitie het leggen van verbanden tussen gegevens – echter knap lastig. Er zijn historici die denken dat de verbanden die er ooit waren überhaupt niet langer te reconstrueren zijn. De schaarse stukjes informatie krijgen pas betekenis als historici ze in een nieuw verhaal samenbrengen. Zulke verhalen zijn dan echter nauwelijks wetenschappelijk te noemen: wat empirisch zwak is, is lastig te toetsen en daardoor ook moeilijk te weerleggen.

Lees verder “Die eeuwige negentiende eeuw”

Caesar in Kessel: terugblik (2)

IJzertijdarmbanden uit Rossum (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In de diverse discussies over Caesars aanwezigheid in Kessel keerde de opmerking terug dat het te kort door de bocht was het afslachten van de Tencteri en de Usipetes te typeren als genocide. Voor die kritiek valt zeker iets te zeggen: het klinkt te modern. Het is alsof je een Romeinse consul aanduidt als premier.

Het kort-door-de-bocht gebruik van het moderne woord past helaas bij de schreeuwerige wijze waarop “het nieuws werd gebroken”: een interview met archeoloog Roymans bij De Wereld Draait Door. Het item deed denken aan het filmpje, onlangs op De Speld, over een schrijver in een TV-programma die niets inhoudelijks mag zeggen en uiteindelijk door een hoepel moet springen. Talkshows zijn domweg niet het geschikte medium om dit type nieuws te brengen: veel verder dan “dit zijn de feiten en daarmee moet u het doen” kun je op TV immers niet komen, terwijl dit keer de feiten – reeds bekende baggervondsten – onveranderd dezelfde waren. Het nieuwe was een herinterpretatie, en dat kun je op TV niet uitleggen. Wat resteerde was… ja, wat was het eigenlijk? In elk geval gênant amateuristisch.

Lees verder “Caesar in Kessel: terugblik (2)”