Fik Meijers Romeinse Rijk (3)

De Elbe
De Elbe

[Dit is het derde deel van een beschouwing over Fik Meijers Macht zonder grenzen. Het eerste deel leest u hier. Ik leg hieronder uit wat een historicus doet met bronnen.]

Representatief of niet?

Ik beschreef in mijn vorige stuk dat oudhistorische kennis weliswaar is gebaseerd op bronnen, maar dat je er rekening mee moet houden dat die bevooroordeeld zouden kunnen zijn. Wat zéker verdacht is, is hun representativiteit. Min of meer het eerste wat studenten leren bij hun colleges oude geschiedenis is – of zou moeten zijn – dat we onze kennis van het verre verleden voor een groot deel baseren op geschreven teksten en dat we die moeten wantrouwen juist omdat het geschreven teksten zijn. Wat werd (en wordt) opgeschreven, heeft immers betrekking op het uitzonderlijke en ongebruikelijke. De informatie in onze geschreven bronnen is dus zelden representatief.

Meijer lijkt dit probleem niet te herkennen. Het voorbeeld dat ik eruit licht is de toespraak van een officier op blz. 110-111. De achtergrond is dat Romeinse soldaten in de tweede eeuw v.Chr. geacht werden zes keer op campagne mee te gaan. Niet elke legionair bleek, na terugkeer, even geschikt voor het leven op de boerderij en sommigen keerden terug naar het leger. Bij wijze van voorbeeld wijst Meijer op een redevoering waarin een Spurius Ligustinus zou hebben verteld in niet minder dan tweeëntwintig campagnes te hebben gediend. Het is zowel een fraaie toespraak als een extreem voorbeeld. Anders gezegd: Ligustinus’ carrière is bekend omdat ze exceptioneel was en kan dus nooit en te nimmer worden gepresenteerd als representatief. Desondanks noemt Meijer dit “een mooi voorbeeld” en citeert hij de rede in extenso.

Conflicterende bronnen

Bronnen spreken elkaar ook regelmatig tegen. Hoe ga je daar als historicus mee om? Laten we een voorbeeld nemen: de landwet die Tiberius Gracchus in het jaar 133 v.Chr. voorstelde. De Romeinen hadden de gewoonte veroverd land aan hun burgers te verpachten, maar de rijken bezaten daarvan wel erg veel. De nieuwe landwet stelde een maximumgrens, beëindigde dus de pacht voor veel rijke mensen en wees de vrijgekomen landerijen toe aan nieuwe, minder vermogende pachters. Voor deze gebeurtenis hebben we drie bronnen. (Een iugerum is een oppervlaktemaat.)

  • Titus Livius: “Tiberius Sempronius Gracchus diende een landwet in. Niemand mocht meer dan 1000 iugera staatsland bezitten.” (bron)
  • Ploutarchos: “Er werd een wet uitgevaardigd die het bezit van meer dan 500 iugera verbood.” (bron)
  • Appianus: “Hij stelde een wet voor die inhield dat niemand meer dan 500 iugera staatsland mocht bezitten en voegde een bepaling toe dat elk van de zonen van de pachters de helft daarvan mocht pachten.” (bron)

Wie geloven we? Livius’ duizend, Ploutarchos’ vijfhonderd of Appianus’ vijfhonderd met aanvullingen? Ik weet het niet, niemand weet het, niemand die het weten kán. Meijer schrijft op blz. 121:

Ze konden rekenen op percelen van maximaal dertig iugera, bijna negen hectare. Iedere “onteigende grondbezitter” mocht 500 iugera (125 ha) in bezit houden en nog eens 250 iugera voor elk van zijn twee oudste zoons.

Het staat er echt: in de eerste zin bedraagt een iugerum nog 0,30 hectare en in de volgende 0,25 hectare. Een voor iedereen herkenbare slordigheid, waarvan er vele zijn in Macht zonder grenzen. Erger is echter dat wat hier staat domweg geen geschiedschrijving is, waarin het erom gaat te vertellen wat er eigenlijk is gebeurd, maar dat we te maken hebben met pure speculatie. Meijer voegt zomaar een element toe dat niet in de bronnen staat (namelijk dat de “zoon-bepaling” zich beperkte tot de twee eerstgeborenen) en presenteert een eindresultaat dat met alle bronnen in tegenspraak is. En dat terwijl het helemaal niet nodig is een schijnoplossing te presenteren. Hoeveel boeiender is het immers om de lezer gewoon het probleem uit te leggen en deelgenoot te maken aan de historische speurtocht!

Het is niet het enige geval waar Meijer speculatie presenteert als feit. Op blz. 194 schrijft hij dat de Romeinen de rijksgrens van de Rijn naar de Elbe wilden verschuiven. De Romeinse generaal Tiberius was die laatste rivier al eens overgestoken (volgens Meijer althans – het was in feite Lucius Domitius Ahenobarbus). De simpele waarheid is dat niet één tekst vermeldt dat de Romeinen de ambitie hebben gehad de Elbe als grens te nemen, al kenden ze deze stroom en hadden ze die verkend. De archeologie duidt er evenmin op: er zijn wél militaire bases opgegraven tussen Rijn en Weser, maar niet tussen Weser en Elbe.

Positivisme

De geschreven bronnen zijn belangrijk en je mag niets negeren. Dat wil echter niet zeggen dat je er bent als je maar weergeeft wat er in die bronnen staat. Het grootste deel van het verleden is immers niet in onze bronnen terug te vinden en als de historicus wil vertellen hoe het werkelijk is geweest, zal hij minimaal een beredeneerde hypothese moeten opstellen over datgene waarover hij geen informatie bezit.

Meijer beperkt zich vaak tot het navertellen van datgene waarover hij bronnen heeft. Er zitten dus gaten in zijn verhaal. Die zijn tot op zekere hoogte onvermijdelijk maar Meijer gaat regelmatig een stap verder door ervan uit te gaan dat als er geen bron is, er ook niets belangrijks was. De (vaak impliciete) aanname dat onze bronnen alle informatie bieden die je nodig hebt voor een representatief beeld van het verleden, staat bekend als positivisme. Een voorbeeld vinden we op blz. 245, waar Meijer schrijft dat in de tweede eeuw v.Chr. de verdeeldheid onder de Joden was gegroeid.

Dat staat maar te bezien. De Joodse Bijbel vertelt de geschiedenis tot ruwweg 300 v.Chr. en de daarop volgende eeuw is niet zo goed gedocumenteerd. De volgende historische teksten zijn de boeken der Makkabeeën, die ergens na 200 beginnen en inderdaad verdeeldheid beschrijven. Er is echter geen draad bewijs dat deze verdeeldheid was gegroeid: we weten namelijk domweg niet wat er in de derde eeuw v.Chr. is gebeurd. De toegenomen verdeeldheid die Meijer noemt, correspondeert met een toegenomen aantal bronnen, maar we weten niet wat er feitelijk is gebeurd.

(Tussen haakjes: de weinige informatie die we hebben over de derde eeuw, te vinden in Flavius Josephus, suggereert een tegenstelling binnen de elite over een pro-Ptolemaïsche of een pro-Seleukidische koers, terwijl de Tempelrol, een van de belangrijkste Dode Zee-rollen, bewijst dat er verdeeldheid was over de cultus. Het is echter te weinig om al te stellige uitspraken te doen.)

Genegeerde bronnen

“Das wahre Faktum steht nicht in den Quellen”, zoals de grote historicus Droysen al het bovenstaande samenvatte. De auteurs van onze bronnen hebben vooroordelen en mogen dus niet al te letterlijk worden genomen. Het is onduidelijk of de bronnen representatief zijn. Ze spreken elkaar tegen. Er is ook nog eens een verleden dat niet in de bronnen staat. Een geschiedenisstudent leert aan al die dingen denken. Wat hij niet hoeft te leren – het spreekt namelijk vanzelf – is dat hij die bronnen ook daadwerkelijk moet lezen. Nu kan geen mens alles lezen, maar Meijer lijkt wel erg belangrijke bronnen te hebben overgeslagen.

Op blz. 251 lezen we bijvoorbeeld dat de verdedigers van Masada Zeloten zouden zijn geweest. Het voornaamste verslag van deze gebeurtenis is te vinden in Flavius Josephus’ Joodse Oorlog en daar lezen we dat het ging om de Sicariërs. Je vraagt je af of Meijer Josephus heeft gelezen.

Een ander voorbeeld vinden we op blz. 287, waar Meijer schrijft dat keizer Septimius Severus een triomftocht hield nadat hij de Parthen had verslagen. In feite hield hij er juist geen, omdat zijn voornaamste zege in een burgeroorlog was geweest. Enkele jaren later diende zich een nieuwe gelegenheid aan, en dit keer had Severus’ roem een beter gehalte, maar opnieuw was er geen triomftocht omdat de arme drommel leed aan jicht. Dit staat in de Historia Augusta, en wel hier en daar, maar Meijer lijkt deze toch nauwelijks obscuur te noemen tekst niet te hebben gelezen.

Het fraaiste voorbeeld van niet-lezen vinden we op blz. 322: Meijer vertelt dat Constantijn de Grote aan de vooravond van de slag bij de Milvische Brug een droom zou hebben gehad. Hij – ik bedoel Meijer – vermeldt de tegenspraak van Lactantius en Eusebius, maar Meijer betwijfelt niet dat er iets is gebeurd. Had hij nu maar het advies gevolgd dat hij, als docent, zijn studenten zal hebben gegeven: lees bronnen helemaal. Lactantius beschrijft twee veldslagen (Constantijn tegen Maxentius bij de Milvische Brug; Licinius tegen Daia) en hij beschrijft ook twee dromen, waarin zowel Licinius als Constantijn goddelijke steun krijgen toegezegd. Het is dus een literair motief en geen historische gebeurtenis. (Voor de liefhebber: meer over het visioen hier.)

Tot hier en niet verder. Ik hoop te hebben getoond dat Meijer de historisch methoden onvoldoende beheerst en daardoor zijn lezers onjuist informeert. Veel van die fouten, zoals die waarmee ik het volgende stukje zal beginnen, zijn voor iedereen zichtbaar. En dat is wat me zorgen baart: hoogleraren moeten geen slonzigheid uitstralen want zo geven ze de oudheidkundige disciplines de reputatie geen diepgang te hebben.

[En het erge is: er is al twintig jaar niets gedaan om de voorlichting op peil te houden, waardoor ze nu moeilijk valt te herstellen. Dit stuk wordt dus nog enkele keren vervolgd.]

13 gedachtes over “Fik Meijers Romeinse Rijk (3)

  1. Nee, dat verwacht ik niet. Meijer heeft de hele lijst driemaal voorgelegd gekregen door zijn uitgever, Mark Pieters, en Meijer wil niet rectificeren, zelfs waar dat makkelijk kan, zoals met die iugera.

    Wat ik van deze reeks? Ik wil mensen die me benaderen over Meijer kunnen schrijven: hij kan het niet, lees het dáár maar. Dat bespaart mij veel tijd.

    Verder hoop ik aan te tonen dat er een systeem is ontstaan rond auteurs als Van Rossem, Meijer en Pleij dat zware schade toebrengt aan het beeld van de geschiedvorsing als wetenschap. En dat stukje, dat ga ik eens rond sturen naar een paar mensen.

  2. Jacob

    Gebrek aan kennis van bronnen is duidelijk een probleem. Dat is on-academisch in het geval van een emeritus hoogleraar. Ik ben daarom benieuwd naar wat de sleutel voor Meijers succes is (geweest). Hij moet flink veel goed werk hebben verricht, omdat hij anders geen hoogleraar was geworden, en hij moet aantrekkelijk schrijven/charisma hebben om bij groot publiek populair te worden.

    1. Dirk

      Volgens mij gaat het zo: iemand schrijft een spectaculair boek (als Meijer over de keizers schrijft wordt het steeds maar bonter, het lijkt de bedoeling dat je zulke ogen trekt dat je je oogbollen moet tegenhouden) en dat wordt opgepikt door de media, die oudheidkunde enkel interessant vinden als het zo indrukwekkend is als peplumfilms, mysterieus als Indiana Jones of geil als Caligula.
      Nadat deze persoon zijn zeg heeft gedaan in krant A heeft hij wat bekendheid en weten de journalisten van krant B, weekblad C en talkshow D meteen wie ze kunnen bellen wanneer de oudheid ter sprake komt. Luiheid? Tijdsdruk? Gebrek aan opleiding? Zijn de serieuze wetenschappers niet assertief genoeg? Waarschijnlijk dit alles, en nog wat meer.

  3. Verontrustend en triest. Heeft Meijer de verkeerde studie gevolgd?

    Het 1e jaars college van Hans Teitler dat ik nooit ben vergeten ging over 3 conflicterende bronnen over de Slag bij Saguntum. Dat bleek een lakmoesproef. Bij mij heeft het de ogen geopend en het vuur aangewakkerd. Maar er waren ook studenten die in verwarring en paniek afhaakten en toch maar voor Rechten kozen.

    In het geval van Meijer lijkt het mij echter niet zozeer ongeschiktheid of onbekwaamheid, als wel het vercommercialiseerde circus rond bestsellerauteur, waardoor de kwaliteit van zijn werk onder druk is komen te staan.

  4. Gherardus Havingha

    “Je vraagt je af of Meijer Josephus heeft gelezen.”

    Je zou zeggen van wel…:

    Flavius Josephus, Antiquitates Iudaicae, trad. comm. F.J.A.M. Meijer – M.A. Wes, 3 dln., Baarn, 1997-1998. ISBN 9026314159, ISBN 9026314558, ISBN 9026314566

    Flavius Josephus, Contra Apionem, trad. comm. F.J.A.M. Meijer – M.A. Wes, Baarn, 1999. ISBN 9026315635

    Flavius Josephus, Bellum Iudaicum, Vita, trad. comm. F.J.A.M. Meijer – M.A. Wes, Baarn, 1992. ISBN 9026311524

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s