Twee weken geleden blogde ik over de theorie van Jerome Murphy-O’Connor en Fik Meijer dat de apostel Paulus niet afkomstig was uit Tarsos, zoals aangegeven in de Handelingen van de Apostelen, maar uit Gischala in Galilea. Dat baseren ze op een laat-vierde-eeuwse bron, Hieronymus. De Nederlandse oudheidkundige Paul Leunissen stuurde me een artikel waarin hij uitlegde waarom dit niet plausibel was. De opmerking van Hieronymus biedt echter meer informatie dan alleen over een (niet) mogelijke geboorteplaats.
Ze zeggen dat de ouders van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie (tota provincia) door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsos, een stad in Cilicië, en dat de jonge Paulus de omstandigheden van zijn ouders is gevolgd.noot Hieronymus, Commentaar op Philemon 23-24.
Wie ooit Jeruzalem heeft bezocht, kent pater Jerome Murphy-O’Connor, de auteur van de enthousiasmerende archeologische reisgids waarmee duizenden bezoekers hun bezoek aan de stad diepgang gaven. Wat je ook denkt van de archeologie in Israël, met Father Jerry was het in elk geval nooit saai. Dat geldt ook voor zijn hypothese dat de apostel Paulus niet afkomstig zou zijn uit de stad Tarsos in Cilicië maar uit Gischala in Galilea.
Hieronymus’ alternatief
Dat idee is op het eerste gezicht wat vreemd. In zijn eigen brieven noemt Paulus zijn vaderstad weliswaar niet, maar de auteur van de Handelingen van de Apostelen, “Lukas”, vermeldt Tarsos herhaaldelijk. Lukas’ Paulus identificeert zichzelf bijvoorbeeld als “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”nootHandelingen 21.39; NBV21. Vgl. Handelingen 9.11 en 22.3. Nu wijkt het beeld van Paulus in de Handelingen weleens af van dat in Paulus’ eigen brieven, dus enige twijfel is gerechtvaardigd – zoals bij alle antieke teksten. Dat legitimeert dat Murphy-O’Connor serieus omzag naar een opmerking in Hieronymus’ laatantieke commentaar op Paulus’ Brief aan Filemon. Hier is de vertaling van Paul Leunissen, die me een tijdje geleden een artikel toestuurde dat hij aan de kwestie had gewijd.
Italische soldaat, vierde eeuw v.Chr. (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)
Ik geloof dat ik al eens heb verteld dat een van de plannen die ik voor de wat langere termijn heb voor deze blog, een geschiedenis is van Rome in de vierde eeuw v.Chr. Die bestaat in hoofdlijnen uit de boeken zes tot en met tien (“de tweede pentade”, in jargon) van de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius, in combinatie met andere bronnen, zoals Diodoros, en het archeologisch materiaal. In deze periode wist Rome, dat in 387 v.Chr. nog een nederlaag had geleden tegen een schare Gallische krijgers, centraal Italië aan zich te onderwerpen en de rest met verdragen aan zich te binden. In 295 v.Chr. was, met de slag bij Sentinum, een grootmacht ontstaan die het kon opnemen tegen de hellenistische staten in het oosten.
De materie behoort niet tot de “grote” oudheidkundige thema’s, zoals de Atheense democratie, de antieke economie of het keizerschap van Augustus. De Romeinse geschiedenis begint eigenlijk pas met de Tweede Punische Oorlog, terwijl archeologen meer belangstelling hebben voor archaïsch Italië – denk aan de Nederlandse opgravingen in Satricum en Crustumerium. Wat natuurlijk niet betekent dat er nóóit iets wordt opgegraven uit de vierde eeuw, maar ik heb niet de indruk dat er veel gebeurt.
Een van de vragen ging over het oude Ierland. Dit is oud-Ierse “bijenkorf”-architectuur
Net als vorig jaar gebruik ik de laatste blogjes van 2023 om uw vragen te beantwoorden. Gisteren behandelde ik vier vragen over de oude talen en zojuist ging ik in op vijf andere onderwerpen. Nu de laatste vragen.
Wat weten we van Ierland na de Romeinse verovering van Engeland en Wales?
Daarvoor ging ik te rade bij Herman Clerinx, de auteur van boeken als boek De god met de maretak. Kelten in de Lage Landen (waarover ik het hier had). Die herinnerde me eraan dat we geen geschreven bronnen hebben uit deze tijd en dat de archeologie ons niet veel verder helpt. De IJzertijd is een archeologisch probleem. “Ons beeld over Ierland in die periode is erg brokkelig,” schrijf Clerinx. “Pas vanaf de vijfde eeuw wordt het beeld duidelijker.”
[Joris Verheijen, wiens blog u hier vindt, studeerde geschiedenis en filosofie en werkt in het middelbaar onderwijs. Hij stuurde me onlangs de onderstaande recensie toe van drie boeken over de apostel Paulus.]
In de loop van de negentiende eeuw zochten sommige atheïsten de confrontatie met de kerk en haar vertegenwoordigers. Met Jezus gingen ze echter zachtzinniger om en zo ontstond de nog altijd populaire neiging om onderscheid te maken tussen de “goede Jezus” en de “slechte Paulus”. De Franse schrijver Ernest Renan omschreef de apostel als een “lelijk Joodje”, iemand die de gezonde “arische” kern van Jezus’ leer had verziekt. Ook Nietzsche, de zelfbenoemde Antichrist, richtte zijn pijlen vooral op Paulus en de door hem geïnspireerde kerkhervormers Luther en Calvijn. Ze hadden de mens hulpeloos gemaakt, om de macht van God te vergroten, en ze hadden het aardse leven van alle waarde ontdaan ten gunste van het hiernamaals.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw keerde het onderscheid tussen de “goede Jezus” en de “slechte Paulus” terug in de kritiek van sommige feministen, die in Paulus de chauvinistische vrouwenhater bij uitstek zagen. Sinds de millenniumwisseling is er echter een opvallende kentering te zien: een stroom aan wetenschappelijke en populairwetenschappelijke publicaties over Paulus, die dat negatieve beeld nuanceren en corrigeren. In deze beschouwing bespreek ik drie sterk verschillende Nederlandstalige boeken van de afgelopen jaren: Paulus: een leven tussen Jeruzalem en Rome (2012) van de historicus Fik Meijer, Paulus en de rest (2010) van de theoloog Bert Jan Lietaert Peerbolte en Het uitschot en de geest: Paulus onder filosofen (2018) van de filosoof Gert-Jan van der Heiden.
Ik moet even iets rechtzetten. Op oudejaarsdag schreef ik een stukje over de bevroren Rijn, een onderwerp waarover ik eerder had geblogd. Ik had er in dat eerste stukje op gewezen dat iedereen elkaar overschrijft dat de Germanen in 405 na Chr. een bevroren rivier zouden zijn overgestoken. Nu kan dat heel goed werkelijk zijn gebeurd, maar het blijkt niet uit onze bronnen.
Ik opperde in dat eerste stukje dat dit idee terugging op een passage uit Edward Gibbons Decline and Fall of the Roman Empire. Ik had toen gedacht dat de Britse oudhistoricus een passage uit Herodianos voor ogen had gehad, waarin deze schrijft dat de Rijn altijd bevriest, maar ik aarzelde. Die tekst had Gibbon vermoedelijk al een paar jaar niet voor ogen gehad toen hij schreef over de gebeurtenissen in de vroege vijfde eeuw. In mijn tweede stukje opperde ik dat hij weleens door een passage uit een vierde-eeuwse lofrede op het idee kon zijn gebracht.
Byzantijns mozaïek met Petrus (Chora-kerk, Istanbul)
[Ik wijd vandaag een stuk aan het boek Petrus. Leerling, leraar, mythe van Fik Meijer. Ik wil tonen dat er voor geschiedschrijving en wetenschapscommunicatie kwaliteitsnormen zijn. Meijer haalt die niet, zal bij menig lezer scepsis oproepen en draagt zo bij aan het afkalvende draagvlak voor de oudheidkundige wetenschappen. Het eerste deel is hier.]
Einfühlen en de sociale wetenschappen
Ik verraad geen geloofsgeheim als ik zeg dat Petrus en Paulus elkaar niet lagen. Meijer noemt het slot van Paulus’ Brief aan de Romeinen, waarin de auteur iedereen de groeten doet maar niet Petrus, van wie de katholieke kerk aanneemt dat hij in Rome is geweest. Meijer:
De mogelijkheid dat [Petrus] zich wel in Rome bevond, maar actief was onder gelovigen die zich … hadden verenigd in een soort Petrus-partij, die op een andere golflengte zat dan de Paulus-groep, is nagenoeg uit te sluiten. Paulus zou zich wel erg hebben laten kennen als hij om die reden Petrus niet had genoemd. Meer voor de hand ligt dat Petrus op dat moment, in 56-57, niet in Rome was. (blz.107-108)
Dit is een schoolvoorbeeld van de stap in de hermeneutische cyclus die bekendstaat als einfühlen: de historicus wil iets verklaren, onderzoekt de situatie, leeft zich in de actoren in en beredeneert waarom een persoon als deze onder omstandigheden als deze zal handelen op deze manier. Een man als Paulus zou, zelfs als hij meningsverschillen had met Petrus, hem de groeten hebben gedaan. Het subjectieve karakter moge duidelijk zijn: een onderzoeker die houdt van harmonie, zal een ander type actor reconstrueren dan een onderzoeker die bereid is de hakken in het zand te zetten. Zeker als het gaat om de oude wereld, waarover we weinig informatie hebben, is einfühlen geen heel betrouwbare methode.
[Ik wijd vandaag een stuk aan het boek Petrus. Leerling, leraar, mythe van Fik Meijer. Ik wil tonen dat er voor geschiedschrijving en wetenschapscommunicatie kwaliteitsnormen zijn. Meijer haalt die niet, zal bij menig lezer scepsis oproepen en draagt zo bij aan het afkalvende draagvlak voor de oudheidkundige wetenschappen. Het eerste deel is hier.]
Verouderde interpretaties
Zie ik het goed, dan citeert Meijer niet-Griekstalige joodse teksten (apocriefen, Dode Zee-rollen en rabbijnse literatuur) allemaal uit de secundaire literatuur. Net als in Jezus en de vijfde evangelist is Petrus dus een boek over een jood, geschreven zonder te kijken naar de joodse bronnen. De uitzondering die deze regel bevestigt is de Grieks-schrijvende joodse historicus Flavius Josephus, die Meijer vrijwel letterlijk volgt.
Josephus was een aristocraat die zich aan zijn privileges verplicht voelde op te komen voor de Joden én hun leiders. (Daarin was hij overigens niet anders dan zijn tijdgenoten Tacitus en Ploutarchos.) In Josephus’ visie waren niet alle Joden anti-Romeins, maar was het verzet beperkt tot een kleine groep, die niet luisterde naar het goedbedoelde leiderschap van de joodse elite. Die kleine groep zou sinds de Romeinse annexatie voortdurend de orde hebben verstoord: in de jaren tussen 6 en 66 na Chr. zou het van kwaad tot erger zijn gegaan tot de Joodse Oorlog was uitgebroken en in 70 Jeruzalemwas verwoest. Althans volgens Josephus.
Wie via een boek van Fik Meijer kennismaakt met de Oudheid, herkent misschien dat de auteur een karikatuur biedt van wat wetenschap is. Dat is een probleem. Hij kan zich namelijk ook presenteren als lid van de academische gemeenschap, waardoor (ten onrechte) de indruk ontstaat dat oudhistorici wetenschappelijk niet meekomen, wat er op zijn beurt toe leidt dat bona fide oudheidkundigen niet de aandacht krijgen die ze verdienen.
Meijers vorige boek, Jezus en de vijfde evangelist, illustreerde het mechanisme. Het bood Jezusmythicisten op een presenteerblaadje de argumenten om te concluderen dat de emeritus-hoogleraar, en dus de wetenschap waarin hij een leerstoel bekleedde, het spoor volkomen bijster is. Helemaal onterecht is die conclusie niet: vijfendertig jaar academisch wanbeleid trekken hun sporen. Desondanks is oude geschiedenis nog altijd een serieuze activiteit. Dat wil ik tonen aan de hand van Meijers Petrus. Leerling, leraar, mythe.
Het gaat me daarbij niet om Meijers o zo zichtbare slordigheden. Ook gaat het niet om het feit dat hij (zoals wel meer oudhistorici) het grote publiek denkt te kunnen informeren op een wijze die al een kwart eeuw verouderd is. Ik wil me in plaats daarvan concentreren op fouten die voortkomen uit het onvoldoende toepassen van de historische methoden. Daardoor is Petrus, net als Jezus en de vijfde evangelist, geen geschiedenisboek zoals je van een historicus verwacht maar in feite een boek met een christelijke agenda.
De ernstigste consequentie van de snel groeiende publicatieberg is gelegen in de steeds toenemende starheid van de wetenschap. Immers, in iedere publicatie wordt gebruik gemaakt van stukken theorie en techniek, overgenomen uit andere publicaties, die ieder op hun beurt weer verwijzingen bevatten naar een volgende vertienvoudigde laag publicaties, enzovoort. Voor een kritische lezer is er zodoende geen beginnen meer aan om de betwijfelde uitkomsten van een publicatie ter discussie te stellen. Het graafwerk naar de wortels van de bewering zou al aanzienlijk meer dan een gemiddeld wetenschappelijk mensenleven in beslag nemen. Die consequentie is daarom zo ernstig, omdat de kritiseerbaarheid ermee verloren gaat, waarmee de wetenschap tot in de kern wordt geraakt.
Aan het woord was chemicus André Klukhuhn, destijds hoofd van het Studium Generale in Utrecht en auteur van Hypothese van het heden (1989). Pagina voor pagina legt hij uit hoe de wetenschap in de jaren tachtig het moeras in aan het lopen was. Sindsdien heeft hij jaar na jaar meer gelijk gekregen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.