Israël en Juda

Jeruzalem, “Large Stone Structure”: dit is vrijwel zeker niet het paleis van koning Salomo, maar dat roeptoeteren archeologen wel de wereld in.

In de reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek,  Een kennismaking met de oude wereld, heb ik al aangegeven dat er na de crisis van de twaalfde eeuw v.Chr. grote veranderingen optraden in het Nabije Oosten. De Bronstijd was voorbij, de IJzertijd begon, en omdat ijzer overal te vinden is, werden kleine politieke eenheden levensvatbaar. Je hoefde niet langer aangesloten te zijn op de grote handelsnetwerken voor tin en koper om toch mee te kunnen doen. Ik heb de Aramese en Neohittitische staatjes in Syrië al genoemd, de Feniciërs eveneens, dus we gaan wat zuidelijker: Israël en Juda.

Die kennen we! We hebben immers de Bijbel, met het grote narratief van de Deuteronomistische Geschiedschrijver. We lezen over de Richteren, over de opkomst van de monarchie ten tijde van de profeet Samuël, over de tragische koning Saul, over koning David, over koning Salomo, over de splitsing van het rijk en over de twee koninkrijken. Israël lag in het noorden, had Samaria als hoofdstad en hield het uit tot 724 v.Chr., toen de Assyriërs het overnamen. Jeruzalem was de hoofdstad van het zuidelijke rijkje Juda, dat in 587 of 586 v.Chr. werd geliquideerd door Nebukadnezzar van Babylonië. Duidelijk verhaal.

Eén perspectief

De Blois en Van der Spek maken duidelijk waar het probleem zit. De teksten van de Bijbel

zijn zo consciëntieus bewaard omdat deze godsdiensten, in tegenstelling tot de andere oudoosterse religies, tot op heden voortleven. Voor de historicus is het een probleem dat de teksten in de huidige vorm pas betrekkelijk laat tot stand gekomen zijn – namelijk tijdens de Babylonische ballingschap rond 550 v.Chr. of nog later – en bovendien een duidelijke boodschap hebben: het volk Israël mag alleen zijn eigen god JHWH (Jahweh) vereren, volgens Zijn normen en wetten leven en geen andere goden nalopen.

De teksten documenteren daardoor maar een deel van de toenmalige wereld. “In de koninkrijken Israël en Juda werden ook andere goden vereerd.” De Bijbel presenteert dat als afgoderij, wat het vanuit het perspectief van de samenstellers natuurlijk ook was, maar niet vanuit het perspectief van bijvoorbeeld de priesters van Ba’al.

Externe bevestigingen

De Blois en Van der Spek attenderen er ook op dat de verhalen die je in de Bijbel tegenkomt voordat de Deuteronomistische Geschiedschrijver het woord neemt, zelden externe bevestiging krijgen.

Veel meer dan het feit dat Ramses II Pitom en Raämses gebouwd heeft en dat zijn opvolger Merne-Ptah bij een veldtocht naar Palestina ‘het volk van Israël’ tegenkwam, heeft men niet gevonden.

De landname door Jozua is vooralsnog ook geen archeologisch feit. Dat geldt ook voor David. De Blois en Van der Spek weten dat er een Aramese inscriptie is die het “huis van David” vermeldt; vermoedelijk is er nog een, maar externe bevestigingen blijven verder zeldzaam. Pas als de Assyriërs in de buurt komen, krijgen we aanvullingen. Dan blijkt het verhaal van de Deuteronomistische Geschiedschrijver, ondanks zijn eenzijdige perspectief, wel redelijk te kloppen.

Ik noemde de Assyriërs. Het lijkt er sterk op dat hun imperialisme ervoor zorgde dat hun buurvolken zich gingen organiseren. De Aramese en Neohittitische staatjes, de Fenicische steden, Israël en Juda, de Ammonieten, Moabieten en Edomieten. Steeds ontstond centraal gezag, steeds verbreedde de schriftcultuur zich en ontstonden geschreven bronnen. Geschreven bronnen die er voor de voorafgaande periode niet waren. Dat maakt het bijbelse verhaal, hoe mooi en vertrouwd ook, een herinnering aan een vervlogen tijd.

Of het betrouwbaar is, we weten het niet. Zelf wil ik de eenheidsstaat van David en Salomo wel accepteren als historisch feit, maar het bewijs ervoor is flinterdun. Omdat het zo vaak zo onzeker is, is de IJzertijd minstens zo fascinerend als de Bronstijd.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

4 gedachtes over “Israël en Juda

  1. Frans Buijs

    Aan de andere kant: dat figuren als David en Saul compleet uit de duim gezogen zijn lijkt me ook onwaarschijnlijk.

      1. Ben Spaans

        Agamemnon? Menelaos? Priamos? Nestor?
        Lijkt flauw, maar met alles wat we nu ‘weten’ over Mycene en Troje hebben we eigenlijk nog steeds geen benul wat er ‘echt’ kan zijn gebeurd toch…?

    1. FrankB

      Dus is JonaL’s (en mijn) favoriete antwoord weer van toepassing: we weten het niet. Toch kunnen we wel een boompje opzetten. We beginnen met twee koninkrijken genaamd Israel en Juda. Die hadden koningen. Ook koningen hebben voormoederen en voorvaderen. Die hadden namen. Twee van de laatsten kunnen we net zo goed David en Salomo noemen, al was het maar bij gebrek aan beter. De echte vraag wordt dan of die twee nog koning genoemd mogen worden. Daar is veel over geschreven.
      Bij Mozes en Jozua ligt dat nog wel anders. Er zijn geen empirische data die een trektocht door de Sinai bevestigen, noch de verovering van Jericho. Dat is een serieuze aanwijzing voor de dikke duim, want er is erg goed gezocht.
      Een leuk twijfelgeval is koning Arthur. We weten zeker dat er rond 450 CE nog Romeinen in Brittannië woonden. We weten ook dat ze 150 jaar later verdwenen waren. Gildas, Bede en Nennius hebben het over de Slag bij de Berg Badon, gewonnen door de Romano-Britten. Zegevierende legers hebben aanvoerders. Maar wie was dat? Hoe heette hij? Stond hij aan de basis van legenden zo populair dat ze de vorige eeuw nog verfilmd werden?
      Wie de plek vindt van die slag verdient een speciaal in het leven geroepen Nobelprijs voor de archeologie.

Reacties zijn gesloten.