De vorst van Oss

Het vorstengraf van Oss (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik was afgelopen zondag voor een lezing van Petra Sijpestijn in het Rijksmuseum van Oudheden en maakte van de gelegenheid gebruik om de mooie Cyprusexpositie te bekijken en ook even te wandelen over de afdeling Nederlandse archeologie. Een aanleiding was er niet, maar die heb je natuurlijk ook niet nodig. En zo stond ik ineens voor de vitrine met het Vorstengraf van Oss.

Dat is een bijzonder iets. Het begint in de Bronstijd (2000-800 v.Chr.), als een enorme grafheuvel wordt opgeworpen. Doorsnede: ruim vijftig meter. Hoogte: drie tot vier meter. Fast forward naar de IJzertijd, zeg pakweg 650 v.Chr., als de mensen hun doden bijzetten in urnen. De mensen zoeken de oeroude grafheuvel op om daarin een voornaam persoon – we mogen hem “de vorst van Oss” noemen – bij te zetten. Ze graven een kuil en plaatsen daarin een soort emmer, een situla, met daarin de gecremeerde resten van de overledene. De emmer, eigenlijk een vat om wijn in te mengen, komt uit het oostelijk Alpengebied en is een kostbaar artikel.

Lees verder “De vorst van Oss”

De IJzertijd

Kop van een man uit Idalion (Neues Museum, Berlijn)

In de Bronstijd was Cyprus bewoond geweest door mensen die een taal spraken die we tegenwoordig “Eteocypriotisch” noemen. Er waren handelscontacten geweest met de Mykeense Grieken, die zich na de ondergang van de paleisburchten hadden gevestigd op Cyprus en het Peloponnesische dialect hadden meegenomen.

Na de ineenstorting van het handelssysteem van de Bronstijd, dat zich uitstrekte tot aan de tinmijnen aan de Atlantische kust, begon de tijd die we aanduiden als de Duistere Eeuwen, zeg maar de tijd tussen 1150 en 850 v.Chr. De traditionele naam is niet helemaal terecht, want juist de veronderstelde duisterheid heeft archeologen aangetrokken en de afgelopen halve eeuw is er veel bekend geworden, zeker voor het Neohittitische Anatolië en Syrië.

In deze tijd werden de drie schriftsoorten van Cyprus vervangen door een vierde, dat eenvoudigweg “Cypriotisch” wordt genoemd en is afgeleid van Cypro-Minoïsch-1. Het lijkt wel wat op het Lineair-B van de Mykeense Grieken, werd gebruikt om zowel Grieks als Eteocypriotisch te schrijven en zou nog eeuwen in gebruik zijn.

Lees verder “De IJzertijd”

Cyprus in crisis

Bronzen standaard uit Enkomi (Cyprus Museum, Nicosia)

Zo rond 1200 v.Chr. raakte het oostelijke Middellandse Zee-gebied in een enorme crisis. Verschillende steden werden verwoest (zoals Ugarit) en andere werden verlaten (zoals de Hittitische hoofdstad Hattusa). In Griekenland werden de Mykeense burchten opgegeven en dit is ook de tijd waar de Trojaanse Oorlog wordt geplaatst. In Egypte begon de Derde Tussentijd, in de Levant traden de Arameeërs aan. Op Cyprus werden Enkomi en Kition geplunderd. Deze crisis wordt doorgaans geassocieerd met de “Zeevolken” die worden genoemd in de teksten van farao Ramses III. Een fijn boek over deze materie is dat van Eric Cline.

In deze verwarde tijd vestigden verschillende groepen Griekse immigranten zich op Cyprus, bijvoorbeeld in Maa (Palaiokastro). De Griekse dialecten die later, in de archaïsche en klassieke tijd, op Cyprus werden gesproken, bewijzen dat de kolonisten zijn gearriveerd vanaf de Peloponnesos. Latere Griekse mythen over helden uit de Trojaanse oorlog die zich op Cyprus vestigen, lijken echo’s te bevatten van deze gebeurtenissen. In elk geval wordt vanaf de twaalfde eeuw v.Chr. op Cyprus Grieks gesproken.

Lees verder “Cyprus in crisis”

Karmir Blur

Karmir Blur

De Armeense hoofdstad Yerevan dateert, in de huidige vorm, uit de twintigste eeuw. In het zuiden liggen echter oudere nederzettingen: Shengavit, dat teruggaat tot het immer fascinerende Chalcolithicum; de Urartese en Perzische stad Erebuni, ruim achtentwintig eeuwen oud en de eerste drager van de naam die wij tegenwoordig schrijven als “Yerevan”; en Karmir Blur ofwel Teishebani, een eveneens Urartese nederzetting, die niet zo lang heeft bestaan en daardoor archeologisch interessant is, omdat alle vondsten vrij precies zijn te dateren, namelijk tussen pakweg 650 en 600 v.Chr.

De Armeense naam Karmir Blur betekent zoiets als “de rode heuvel” en verwijst naar de verbrande tichelstenen van de antieke muren; de antieke naam verwijst naar de god Teisheba, de Urartese oorlogsgod. De citadel en een deel van de benedenstad zijn al lang geleden opgegraven en het staat vast dat ze zijn verwoest rond 600 v.Chr. door mensen die waren bewapend met Skythische bogen. Het kunnen dus Skythen zijn geweest, maar ook Kimmeriërs of Meden. We weten het weer eens niet en het onderzoek ligt stil omdat de opgegraven stad in de jaren negentig voor de tweede keer werd verwoest.

Lees verder “Karmir Blur”

Een Hallstatt-wagen uit de Elzas

Reconstructie van een wagen uit de Hallstatttijd (Palais Rohan, Straatsburg)

Ik heb al eerder geschreven over de Indo-Europese migraties, waarvoor inmiddels zeer sterke DNA-aanwijzingen zijn. Een oudere aanwijzing is de verspreiding van de grafheuvels die in jargon worden aangeduid als kurgan. Zo’n heuvel is in feite het zand dat overblijft als je in een put een houten grafkamer hebt gebouwd en de boel weer dichtgooit. In die grafkamer lagen, behalve de gebruikelijke grafgiften en de resten van de overledene, ook diens paarden en wagen. Deze begraafwijze verspreidde zich met de Indo-Europees-sprekenden naar het westen en bleef eeuwen bestaan; terwijl de oudste voorbeelden dateren uit het derde millennium v.Chr. (in de Kaukasus; recent ontdekt voorbeeld), is een zeer jong voorbeeld het graf van Karanovo in Bulgarije, dat stamt uit de Romeinse tijd.

De karren die met de doden werden meegegeven hadden meestal dichte wielen. Het waren dus vervoermiddelen en geen strijdwagens, die bespaakte wielen hadden. Niet dat er geen graven zijn met strijdwagens; in Nederland bezit het Allard Pierson-museum een reconstructie uit Cyprus, getrokken door vier paarden en voorzien van twee spaakwielen. Duidelijk gebouwd op snelheid, al is maar de vraag of zulke wagens werkelijk in de strijd zijn benut. Homeros beschrijft ze als een soort taxi’s die de zwaarbepantserde krijgers naar het front rijden.

Lees verder “Een Hallstatt-wagen uit de Elzas”

Kwakgeschiedenis: Karahunj

De centrale cirkel rond de lage grafheuvel van vlakke stenen

Het megalithische complex van Karahunj of Zorats Karer in Armenië, waar ik vorige week ging kijken, is een van de indrukwekkendste plekken die ik ooit heb gezien. Toch is het helemaal niet groot. Het gaat om weinig meer dan een lage grafheuvel van vlakke grauwe stenen, omgeven door een cirkel van veertig menhirs, elk zo’n twee meter hoog, waarvandaan twee linten van rechtopstaande stenen zich uitstrekken naar het noorden en zuiden. In het uiterste noorden en zuiden staan nog wat aanvullende menhirs. In totaal zijn er 222 of 223 stenen brokken basalt.

In vierentachtig daarvan zijn gaten geboord, waardoor soms een fluitend geluid schijnt te klinken. Ik heb het niet zelf gehoord maar het geldt als verklaring voor de naam Karahunj (“de sprekende stenen”). De fluitende stenen zullen indrukwekkend zijn, want ze staan in een verder overdonderend leeg, desolaat landschap, vlakbij een ravijn.

Hoe oud zou het complex zijn? Hier ontspoort de zaak en begint het vermaak.

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Karahunj”

MoM | De vooringenomen waarneming

Gaston Maspero

Drie weken geleden is in Krommenie het onderzoek hernomen naar een al sinds de jaren zestig bekende vindplaats, waar mogelijk een Romeinse wachttoren heeft gestaan. Mocht dat zo blijken te zijn, zo lezen we, dan moeten de geschiedenisboeken worden aangepast, want dit zou ten noorden van de Romeinse rijksgrens zijn geweest. Twee politieke partijen en Zaanstad hebben zich al voorgenomen de stadswijk in kwestie een Romeins tintje te geven. Of dat gebeurt, is aan de politici, maar het herschrijven van de geschiedenisboeken is aan wetenschappers en ik kan u alvast verklappen dat die toch wel wat meer nodig zullen hebben dan een wachttoren voordat ze hun beeld van Romeins Noord-Holland bijstellen. De wachttoren die in 2014 bij Almere is ontdekt, heeft hen ook niet doen besluiten de geschiedenisboeken aan te passen. Het zijn overdreven claims als die in Krommenie die maken dat veel wat hoger opgeleide mensen de archeologie niet langer helemaal serieus kunnen nemen.

En dat is jammer, want soms is er wel degelijk nieuws. Echt nieuws. Een vondst die wel kan leiden tot het het herschrijven van een pagina in de geschiedenisboeken, is het kleine potje dat in Lent is gevonden in een afvalkuil uit de IJzertijd en dat afgelopen donderdag plotseling in het nieuws was. Het opmerkelijke aan het zesentwintig eeuwen oude “potje van Lent” is dat er tekens in staan gegrift. Misschien, zo meent archeoloog Peter van den Broeke, zijn de tekens “aangebracht door iemand die interessant wilde doen en deed of hij kon schrijven, iemand die in zuidelijke streken was geweest of er vandaan kwam, het schrift in zijn hoofd had en het probeerde na te bootsen”. Dat betekent dus dat het allereerste begin van de schriftcultuur – laten we zeggen de fase die we kennen van kleuters die letters natekenen – een eeuw of zes eerder moet worden geplaatst dan we dachten. Tijd voor nieuwe geschiedenisboeken dus.

Lees verder “MoM | De vooringenomen waarneming”