[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Vandaag begint de tweede reeks over China: over Confucius.]
De tijd van de Oostelijke Zhou-dynastie (770-256 v.Chr.) wordt traditioneel ingedeeld in twee perioden. Het eerste tijdvak duurt grofweg tweehonderdvijftig jaar, en wordt de Periode van Lente en Herfst genoemd. Aan het eind van die periode leefde Confucius.
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: de chronologie van Egypte, Charax, restauratietechniek, een superbelangrijk boek, beschadigd erfgoed en – het wordt een gewoonte – de bedreigde geesteswetenschappen.
Kenneth Kitchen
Als u deze blog leest, houdt u van geschiedenisboeken, waarin de resultaten van wetenschappelijk onderzoek worden gepresenteerd. Sommige onderwerpen trekken wat meer de aandacht, andere wat minder, en in die tweede categorie valt zeker het onderzoek naar de antieke chronologie. (Ik heb weleens een boek voorgesteld met de titel “hoe oud is het?” maar geen uitgever durft eraan te beginnen.) Maar een juiste chronologie is verondersteld bij alle andere onderzoek.
[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier; het eerste deel over China was daar, en hieronder staat het derde deel, dat gaat over drie belangrijke geschriften uit de Zhou-tijd, en over de problemen tegen het einde van die periode.]
Waar we de Shang-tijd vooral kennen door hun inscripties van offerbotten, waren de Zhou echte schrijvers en verhalenvertellers. Veel geschriften uit de vroege Zhou-tijd, de zogeheten Westelijke Zhou, kwamen later terecht in de Chinese canonieke literatuur. Ik behandel de belangrijkste drie.noot Ik geef daarbij eerst de naam van het werk in het Nederlands, daarna de pinyin-schrijfwijze (de officiële door China gehanteerde methode om Chinees in westers schrift om te zetten), en vervolgens een paar verouderde schrijfwijzen die de lezer in oudere of minder wetenschappelijke stukken zou kunnen lezen, zodat duidelijk is dat het hier om hetzelfde gaat.
De ark van Noach (Gevelsteen op de Schreierstoren, Amsterdam)
Een kleine drie weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal vandaag de vragen beantwoorden over de joodse wereld. Dat waren er opvallend veel.
Het verhaal van de “zondvloed” komt in uiteenlopende versies voor in zowat elke cultuur. Is er ooit een universele ramp gebeurd en wanneer zouden we deze kunnen situeren ?
Voor zover ik weet zijn de meeste verhalen over een grote overstroming en een kleine groep mensen die de beschaving (plus veestapel) redt, te herleiden tot een beperkt aantal originelen. De bekendste stamt uit Mesopotamië, met als varianten het Bijbelverhaal en een versie uit India en Perzië. De “Noach” in deze verhalen verneemt van de godheid waaronder de oerwateren ressorteren over de naderende ramp en bouwt een schip. Een ander origineel is dat van de vroege bewoners van de Amerika’s. Hierin dankt de mensheid haar redding aan een bergtop. Een derde verhaal komt uit China, waar archeologen op zoek zijn naar een historische gebeurtenis.
Armband uit El Carambolo (Nationaal archeologisch museum, Madrid)
Ergens rond het midden van de zesde eeuw v.Chr. naderde een Perzisch leger de Griekse stad Fokaia in Ionië, in het westen van het huidige Turkije. Als Herodotos het daarover heeft, last hij een van de uitweidingen in die zijn werk zo onderhoudend maken.
De Fokeeërs zijn de eerste Grieken geweest die verre zeereizen hebben ondernomen. Het is aan hen te danken dat de route naar de Adriatische Zee, Etrurië, Iberië en Tartessos bekend is geworden. … Op een van hun tochten zijn ze dus in Tartessos beland. Hier kwamen ze op goede voet te staan met de plaatselijke heerser, een zekere Arganthonios, die niet minder dan tachtig jaar heeft geregeerd en al met al honderdtwintig jaar oud is geworden. Hij is zo op ze gesteld geraakt dat hij hun in het begin zelfs heeft aangeraden om Ionië voorgoed te verlaten en zich in zijn rijk te vestigen, ze mochten zelf een plaats uitkiezen. De Fokeeërs gingen hier niet op in.noot Herodotos, Historiën 1.163; vert. Van Dolen.
Ierse mantelspeld, ca 800 (National Museum of Scotland, Edinburgh)
Mijn rondreis door Schotland had als verste doel het blootgekomen neolithische dorp Skara Brae op Orkney’s Mainland, het grootste van de eilandengroep Orkney-eilanden. De nog noordelijker gelegen Shetland-eilanden en de Outer Hebrides vielen buiten het reisplan. In grote lijnen was het plan langs de oostkust naar het noorden via Edinburgh, en terug langs de westkust met het eiland Skye en Glasgow, en dan weer terug naar de veerboot in Newcastle-upon-Tyne.
Historische resten uit de Middeleeuwen en later bestaan veelal uit de ruïnes van burchten, vervallen na politieke verwikkelingen en verandering van de eindeloze oorlogvoering, en van abdijen en kerken, die na de reformatie geheel of gedeeltelijk zijn gesloopt. Geholpen door het lidmaatschap van de Scottish Historical Society heb ik er in mijn zevenweekse rondreis talloze van bezocht. De reis ging natuurlijk ook door een overweldigend landschap.
Laat-Neolithisch aardewerk uit China (Musée Guimet, Parijs)
Deze blog gaat over de antieke wereld, dus de periode tussen pak ’m beet 3000 v.Chr. en 650 na Chr. De chronologische afbakening is simpel: daarvóór hebben we vooral archeologische bewijsmateriaal, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om te komen tot werkelijke geschiedschrijving. In de westelijke periferie ligt de einddatum iets later, maar voor het economisch, stedelijk en cultureel zwaartepunt van de antieke wereld, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, vormt het jaar 650 een mooi eindpunt.
De geografische grens is minder scherp. Daarom besteed ik ook regelmatig aandacht aan de Sao– en de Nok-culturen in subsaharaal Afrika en aan de culturen van Centraal-Eurazië. De Zijderoute is een fijn thema. Zo af en toe komt dus China in beeld, zoals bij de Romeinse beschrijving van het Zijdeland en de Chinese beschrijving van de staat Dà Qín, maar ik heb nooit een echt blogje gewijd aan het Verre Oosten. Een poging dus, met een kritische paragraaf aan het einde.
Een neolithische ram (Archeologisch museum, Wroclaw)
In 2024 heb ik voor de derde keer met de camper een vakantiereis gemaakt rond de Oostzee. De eerste twee keer was met mijn vrouw, en omdat zij graag het hele rondje, inclusief Scandinavië, af wilde maken, namen wij te weinig tijd voor Polen. Wij bereisden voornamelijk cultuur en natuur. Sinds haar overlijden probeer ik alle dingen die wij samen hadden overgeslagen alsnog te doen, en zo had ik het afgelopen jaar meer tijd uitgetrokken voor Polen.
Polen is te ver om alleen in één dag te rijden. Een logische pleisterplaats zou Halle geweest zijn, waar sinds ons eerste bezoek een nieuwe opstelling was gerealiseerd in het Museum vor Vor- und Frühgeschichte. Vorig jaar was ik daar al samen met mijn dochter, eveneens classica, geweest, vanwege een tentoonstelling Reiternomaden: Hunnen, Awaren, Ungarn, over de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen. Natuurlijk hebben wij tevens de indrukwekkende blijvende tentoonstelling over de Nebraschijf genoten, en ook de rest van het museum is een openbaring.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer aandacht voor wat we niet weten en wat we leren weten.
***
Peter James
Onlangs is Peter James overleden, misschien niet de meest invloedrijke oudheidkundige, maar wel een van de interessantere. Zijn veld was de antieke chronologie, en dat is een onderwerp waarover veel minder met zekerheid bekend is dan wel wordt aangenomen. Nog onlangs legde Wim Raven op deze blog uit dat de levensjaren van de profeet Mohammed eigenlijk onbekend zijn. Er zijn alleszins redelijke tegenwerpingen tegen de gangbare chronologie, waar de komende jaren alleen maar meer aandacht aan besteed zal moeten worden – een van de gevolgen van de DNA-revolutie.
Nu zijn er, als het gaat om het Nabije Oosten, vanouds malle chronologische reconstructies, die vaak voortkomen uit een verlangen vast te stellen dat de verhalen uit de Bijbel op een bepaalde manier waar zijn. Als Mozes in de woestijn een lichtzuil zag, dan was dat de uitbarstende vulkaan Thera en dan was de Uittocht in de zeventiende eeuw v.Chr. Dat werk. En omdat er ruimte is voor twijfel, is er ook ruimte voor kwakhistorische reconstructies, zoals die van Immanuel Velikovsky.
Omdat ik volgend voorjaar een reis naar Jordanië organiseer, leek het me aardig om iets te vertellen over de volken die daar vroeger woonden. Dat waren aanvankelijk de IJzertijdrijkjes van de Ammonieten, Moabieten en Edomieten, ruwweg even oud als Juda en Israël, aan de overzijde van de rivier de Jordaan. Hun woongebieden werden ingelijfd in de rijken van de Assyriërs, Babyloniërs en Perzen. Toen Alexander de Grote laatstgenoemden had onderworpen, kwam de regio in handen van hellenistische heersers; we lezen dan over de Nabateeërs. De Romeinen stichtten er een Dekapolis, een “tienstedenbond”, en uiteindelijk zien we dat de macht verschuift naar de Arabieren, die al voor de komst van de islam dominant zijn. Al die volken zijn al aan bod geweest of komen nog aan bod. Vandaag echter: de Edomieten.
Edom lag direct ten zuiden van de Dode Zee, aan weerszijden van de slenk die we de Araba noemen, de bijbelse Zoutvallei. De naam van het koninkrijk, Edom dus, betekent zoiets als “het rode land” en verwijst vermoedelijk naar de rossige kleuren van het Seir-gebergte. De naam is heel oud, want ze duikt al op in Egyptische teksten. Zo mochten tijdens de regering van koning Merenptah (r.1213-1203) “de Šasu-nomaden uit Edom” het koninkrijk van de Nijl betreden. Deze vermelding is interessant omdat ze bewijst dat er in de Late Bronstijd nomaden heen en weer trokken door de Sinaïwoestijn. Dat biedt een context voor de verhalen over de tocht van Mozes en de Hebreeën. Lees verder “De Edomieten”→
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.