De identiteiten van Filon van Byblos

De god El (Archeologisch museum van Aleppo)

Tot de blogs die een mens elke ochtend even moet bekijken, behoort Neerlandistiek, waar Marc van Oostendorp gisteren een erg leuke bijdrage had over de politieke vraag hoe eerlijk het is dat Engels ’s werelds nationale voertaal is. Het International Journal of the Sociology of Language besteedt daaraan aandacht en er zijn, schrijft Van Oostendorp, drie standpunten.

Je kunt het Engels zien als de drager van groot sociaal onrecht en van Anglo-Amerikaanse dominantie op het wereldtoneel; of je kunt het zien als een manier waarop individuen vooruit kunnen komen in de wereld; of als een noodzakelijk instrument om wereldwijd de democratie en de rechtvaardigheid te doen toenemen.

De mythen van Filon van Byblos

Ik pik Van Oostendorps stuk even op omdat ik toevallig bezig ben met een parallel voorbeeld uit het Romeinse Rijk. We hebben het over Filon van Byblos, over wie ik al eerder schreef. Hij leefde in de tweede eeuw na Chr., vermoedelijk in wat nu Libanon heet, en schreef een Fenicische Geschiedenis waarvan we zeven of acht fragmenten hebben. Die hebben overigens geen van alle betrekking op de Fenicische geschiedenis maar gaan, door het toeval van de overlevering, vooral over mythologie.

Het is wel duidelijk dat Filon fier was op zijn Fenicische vaderland. Hij claimt dat de eerste mensen in zijn land woonden en beweert dat zij allemaal uitvindingen hebben gedaan. Je kunt Filons trots voorstellen als je leest wat hij over de oude mythen vertelt. Dat is weliswaar beknopt, maar het is een geweldig drama. Een mythe die hij met een paar woorden afdoet, de zogeheten Ba’al-cyclus, kennen we in meer detail en geeft een indruk van wat verloren is gegaan. Filon heeft die rijkdom nog gekend. Alle reden dus trots te zijn op je Fenicische achtergrond.

Fenicische identiteit

Maar er is een paradox. Filon probeerde het erfgoed van zijn eigen cultuur te beschrijven, niet alleen de mythen die we tegenkwamen, maar ook de geschiedenis en folklore. Dat blijkt een open cultuur te zijn geweest, waarin ruimte was voor de Egyptische Thoth en de godin Tanit uit het verre Numidië. Wat Filon zegt over de Fenicische cultuur, blijkt ook uit ander bewijsmateriaal: literaire teksten, inscripties, munten en andere archeologische vondsten. Een “puur” Fenicische cultuur heeft nooit bestaan.

En ook: de bewoners van steden als Byblos, Beiroet, Sidon en Tyrus beschouwden zichzelf eeuwenlang in de eerste plaats als bewoners van die stadstaten. (U kunt het nalezen in het overbodige boek van Josephine Quinn.) Deze mensen waren ze geen Feniciërs maar Beiroeti’s, Sidoniërs, Tyriërs en – als dit een woord is – Bybliërs. Het waren de Grieken die hen als Feniciërs aanduidden. De Romeinen, wier heerschappij over het oosten gepaard ging met de verspreiding van de Griekse taal en cultuur, gingen de regio eveneens aanduiden als Fenicië.

Anders gezegd: Filons Fenicische identiteit was van buitenaf opgelegd. Het gebruik van het Grieks door de Seleukidische en Romeinse heersers schiep een nieuwe identiteit voor havensteden die zichzelf nooit als eenheid hadden beschouwd. Als Filon van Byblos aangeeft trots te zijn op zijn Fenicische achtergrond, bewijst dit dat hij is gaan denken vanuit een Grieks kader. Hij definieert zich in Griekse termen. Ik zal het niet hebben over het grote sociaal onrecht dat het Grieks het Mediterrane wereldtoneel beheerste, maar Filon biedt een mooi voorbeeld van de complexe en vaak paradoxale interactie van identiteiten.

4 gedachtes over “De identiteiten van Filon van Byblos

  1. Jort Maas

    Ik denk niet dat er ooit een ‘pure’ cultuur in die zin heeft bestaan, enkel uitgedragen door personen die een ander motief hebben.

Reacties zijn gesloten.