De Saksen

Luit van der Tuuk, die u wellicht kent van zijn boeiende boeken over de Franken, Dorestad, de Friezen (e-book), Bonifatius en de Vikingen, heeft alweer een mooi boek geschreven. Het heet gewoon De Saksen, en dat is, zoals hij in de inleiding al aangeeft, een kneedbaar begrip. Eeuwenlang waren de Saksen vooral degenen die door anderen werden aangeduid als de Saksen.

De eerste Saksen

Het probleem is niet eens zozeer dat de Saksen lange tijd “people without history” zijn geweest, die zelf geen bronnen schreven. Zeker, we kennen ze aanvankelijk vooral uit de beschrijvingen van Romeinse en Frankische auteurs, die hun beschouwden als barbaarse tegenstanders. Maar het feitelijke probleem is wezenlijker. De Romeinse en Frankische bronnen zijn namelijk niet alleen vooringenomen, ze zijn voor heel schaars en heel ambigu.

De allereerste vermelding van Saksen is te vinden bij de tweede-eeuwse geleerde Ptolemaios van Alexandrië, die hen – vanuit Romeins gezichtspunt – plaatst voorbij de Elbe, in Sleeswijk-Holstein. Pas anderhalve of twee eeuwen later worden ze opnieuw vermeld, vaak in één adem met de Franken. De Romeinse schrijvers lijken geen onderscheid te hebben kunnen maken. In de vijfde eeuw is “Saksen” dan de naam voor allerhande zeeschuimers op de Noordzee. Hoewel er weinig reden is aan te nemen dat het allemaal vredelievende kooplieden waren, wil de beschuldiging van piraterij weinig meer zeggen dan dat hun praktijken niet aansloten op wat de Romeinen van nette handelaren verwachtten.

Agenda’s en romantiseringen

Elke auteur heeft, zoals dat met alle auteurs het geval is, een agenda. Als je niets hebt te betogen, hoef je immers niets op te schrijven – niemand schrijft op wat vanzelf spreekt. Wanneer Van der Tuuk die agenda’s schetst, is hij op zijn best. De zesde-eeuwse geschiedschrijver Gildas, die verslag doet van de Saksische aanwezigheid in wat nu Engeland heet, is bijvoorbeeld helemaal niet geïnteresseerd in de Saksen, maar heeft het vooral over het morele falen van de post-Romeinse leiders. En als een andere auteur, de negende-eeuwer Rudolf van Fulda, een groep Saksen typeert als nieuwkomers, past dat weliswaar bij het beeld van zeerovers, maar lijkt het vooral een rechtvaardiging van Frankische agressie tegen de Saksen. Daarover zo meteen meer.

Nog een leuke observatie van Van der Tuuk: juist de bronnen die op het eerste gezicht de meeste informatie bevatten, moet je wantrouwen. Het zijn vaak bewerkingen van eerdere bronnen, waar men aan heeft toegevoegd wat in de eigen tijd relevant is. Je zou het romantiseringen kunnen noemen. Ik moest even denken aan de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels, dat we stap voor stap kunnen volgen en in elke bron nog bizarder is dan daarvoor.

Vaste grond

Pas in de Karolingische tijd krijgen we wat meer vastigheid. Woonden de Saksen tot dan toe in Sleeswijk-Holstein aan gene zijde van de Elbe, inmiddels wonen ze – na verblijf op schepen op de Noordzee, in Normandië en op de Britse oostkust – aan deze zijde van de Elbe. Zeg maar op de Noord-Duitse Laagvlakte. Anders gezegd: in het gebied waar Romeinse geschiedschrijvers de Franken plaatsten, plaatsten de Frankische geschiedschrijvers de Saksen.

Ik was blij met het hoofdstuk in De Saksen over de Saksische veldtochten van Karel de Grote. Ik wist daar weinig van, maar wist dat het een fel, wreed conflict was geweest. Maar een beschrijving had ik nog nooit gelezen. Er waren drie fasen, zo leerde ik:

  • Een fase van 772 tot 777, waarin Karel strijdt tegen een Bruno en een Hassio;
  • Een tweede fase van 777 tot 785, waarin Karels voornaamste tegenstander Widukund is;
  • Een derde fase van 792 tot 804, waarin Karel de steun krijgt van Slavische krijgers vanuit het gebied aan de andere kant van de Elbe.

Het is een wrang verhaal, soms onderbroken door diplomatie. Karel probeerde dan de verdeelde Saksen voor zich te winnen door mensen die partij voor hem kozen, op te nemen in de Frankische rijkselite. Het zijn de onderbrekingen van een verslag vol gevechten, deportaties en massale executies. Dat Karel uiteindelijk won, was deels door het gebied te ontsluiten: hij liet bruggen slaan en versterkte nederzettingen aanleggen, die het begin vormden van de verstedelijking.

Kerstening

En natuurlijk was er de kerstening. Van der Tuuk schetst het als een proces van dwang, en ik wil het geloven want ik ben geen mediëvist. Maar ergens is er ook een oudheidkundige stemmetje in mij dat me eraan herinnert dat het althans in de Oudheid de verering van Christus prima te combineren viel met de verering van andere goden. De “exclusivisten”, die zeiden dat wie was gedoopt, geen andere goden meer mocht erkennen, waren lange tijd een minderheid, die later dominant werd en ervoor heeft gezorgd dat minder orthodoxe bronnen niet meer werden gekopieerd. Ook is er een stemmetje in mij dat me eraan herinnert dat in het Midden-Oosten moslims zich lieten dopen omdat het hun beschermde tegen kwade geesten (het “doopsel van Johannes”).

Ik kan me voorstellen dat de Saksische kerstening ook meer gezichten heeft gehad dan de dwang waarover we in de bronnen lezen. Evengoed hebben de christelijke missionarissen talloze eeuwenoude heilige bomen en Irminsuls neergehaald. Je kunt minimaal zeggen dat de christenen hun doelgroep niet uitsluitend met argumenten overtuigden.

Het is in dit deel van De Saksen dat Van der Tuuk ook een man als Lebuïnus, die u wellicht kent van zijn grafkerk in Deventer, een plek geeft in het grotere geschiedverhaal. Van der Tuuk wijst er meteen op dat diens reputatie aanvankelijk niet zo heel groot was, maar dat hij belangrijk werd gemaakt toen de bisschop van Utrecht tijdelijk zijn residentie verlegde naar Deventer.

Het zijn dit soort constateringen die De Saksen tot een fijn boek maken. Ik heb het boek met heel veel plezier gelezen. Als u iemand kent of iemand bent met belangstelling voor de Vroege Middeleeuwen, dan weet u wat Sinterklaas te doen staat.


Het zoroastrisme

december 22, 2023

De Tetrarchie

februari 23, 2024
Deel dit:

8 gedachtes over “De Saksen

  1. A. den Teuling

    Een bevriende archeoloog vertelde mij dat in Drenthe tot in de dertiende eeuw niet-christelijke rituelen werden uitgevoerd, zoals het begraven van offergaven.
    De verhalen over zeerovers/kooplieden doen duidelijk denken aan het verschil in perceptie van de vikingtochten: in Scandinavië ondernemende ontdekkingsreizigers, in de rest van Europa piraten. Na de kerstening (officieel althans) rond het jaar 1000 worden ze opeens minder roofzuchtig in Europese ogen. Ik denk dat de vikingen in een lange traditie stonden. Ook de vroege Friezen worden in bijv. Britse bronnen als zeerovers aangeduid, ondanks hun handelspost in Londen.

  2. Het is ook grappig dat zo ongeveer om de honderd jaar door de kerk op werd geroepen om megalieten te vernietigen. Als je dat om de honderd jaar moet herhalen, dan is het duidelijk dat die vernietiging maar mondjesmaat gebeurde. Gelukkig…

  3. Ben Spaans

    ‘…dat hun praktijken niet aansloten op wat de Romeinen van nette handelaren verwachten’….?
    Denk je bij dit soort formuleringen zelf nooit eens…?🤔

  4. Dirk Zwysen

    “Een bevriende archeoloog vertelde mij dat in Drenthe tot in de dertiende eeuw niet-christelijke rituelen werden uitgevoerd, zoals het begraven van offergaven.”

    Misschien zagen de beoefenaars ervan deze niet als onchristelijk. Tenslotte houden ook devote exclusivistische christenen zich bezig met kerstbomen en paaseieren. Hoefijzers, midwinterhoorns, meibomen, … betekenen ook niet dat er een heidense onderstroom vloeit.

  5. Jos Houtsma

    Van mij had Van der Tuuk best wat stelliger mogen opperen dat de ‘Saksen’ in ieder geval vanaf de 2e eeuw gewoon een eerdere editie waren van de Noormannen, en dat ze net als de latere editie de Engelse oostkust en delen van de Franse westkust koloniseerden.

  6. “De zesde-eeuwse geschiedschrijver Gildas, die verslag doet van de Saksische aanwezigheid in wat nu Engeland heet, is bijvoorbeeld helemaal niet geïnteresseerd in de Saksen, maar heeft het vooral over het morele falen van de post-Romeinse leiders.”

    En dat is geen agenda, dat is logisch. Want Gildas is helemaal geen historicus.
    Niet in de klassieke zin – hij claimt nergens een ‘historia’ te schrijven.
    En niet in de moderne zin – Gildas is een monnik die een preek schrijft – zijn ‘de excidio et conquestu britanniae (óver de verwoesting en verovering van de britse provincies’) gaat over de reden van de huidige toestand, niet over de geschiedenis van het land.

    Dat hij toch vaak ten onrechte wordt opgevoerd als historicus komt door zijn schaarse en vaak volkomen ondateerbare historische ‘anekdotes’, zoals namen van leiders uit de vijfde en vroege zesde eeuw (Aetius, Amdrosius, Maelgwn).

    En omdat de grote Beda Venerabilis (ook wel ‘geschiedschrijver van de Engelsen’ genoemd) in de achtste eeuw geheel op Gildas moest terugvallen omdat hij naast diens werk slechts beschikte over een paar koningslijsten en legendarische beschrijvingen van het ontstaan van de Angelsaksische koninkrijken uit zijn tijd.

    Ik hoop echt dat Luit van der Tuuk Gildas niet als historicus heeft gebruikt, want dat begaat hij echt een faux pas.

Reacties zijn gesloten.