Het koninkrijk van de Thuringers

Christelijke helm uit Stöβen (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

Het koninklijk huis van de Thuringers, warover ik het in het vorige blogje had, gaat terug op ene Bisin, die rond het midden van de vijfde eeuw leefde. Die naam – niet per se een herinnering aan de persoon – keert eveneens terug in de middeleeuwse plaatsnamen Bisinstede en Bisiniburg, het huidige Beesenstedt en Bösenburg, niet ver van de Elbe, waar archeologen een nederzetting hebben gevonden die ze identificeren als de burcht van een edelman.

Bisin

Misschien was “Bisin” wel een titel, want we lezen bij Gregorius van Tours over een vorstin Besina of Basina, die eerst met Bisin was getrouwd, maar hem rond 461 zou hebben verlaten om te trouwen met de Frankische vorst Childerik.noot Gregorius van Tours, Geschiedenis van de Franken 2.12. Ze was de moeder van Clovis.

Lees verder “Het koninkrijk van de Thuringers”

De eerste Baiuvaren (1)

Reconstructie van twee Baiuvaren (Museum Aschheim)

In een eerder blogje schreef ik over het lemma dat de Thesaurus Linguae Latinae (het grote oerwoordenboek van de Latijnse taal) wijdde aan de Baiuvaren, zoals de bewoners van het huidige Beieren in de zesde eeuw na Chr. heetten. In dat eerdere blogje behandelde ik het korte tekstje dat bekendstaat als de Frankische Volkentabel.

In de twee blogjes van vandaag neem ik de andere bronnen onder de loep: de oudste vermeldingen van de Baiuvaren. Weliswaar doen ook latere, middeleeuwse auteurs weleens verslag van de zesde eeuw en vermelden ook zij daarbij de Baiuvaren, maar ik beperk me tot de begintijd. De eerste bekende hertog (dux) van de Baiuvaren was Garibald I, die de titel in 548 kreeg van de Frankische koning Theudowald (meer).

Lees verder “De eerste Baiuvaren (1)”

Wat is een diadeem?

Alexander met een diadeem met ramshoorns (Numismatisch museum, Athene)

Het nadeel van een blog die al bijna veertien jaar loopt, is dat je weleens in herhaling moet vervallen. Ik heb weleens eerder geblogd over diademen, die voornaamste tekens van koninklijke waardigheid in de Oudheid. Zo lepelde ik een keer de mooie anekdote op dat op een dag, toen Alexander de Grote een boottochtje maakte op de Eufraat, zijn diadeem afwaaide en in het moeras belandde, en dat Seleukos die zwemmend ophaalde, waarbij hij de haarband droog hield door die op zijn eigen kruin te plaatsen. Zijn koning beloonde hem én liet hem slaan omdat hij het koninklijk attribuut had gedragen – en achteraf bleek het een voorteken van Seleukos’ koninklijke macht.

Eerst even twee voorlopers. De beroemde wagenmenner van Delfi, een van de indrukwekkendste beelden uit de Oudheid, heeft een inderdaad een haarband; een praktisch ding als je in een vierspan moet racen. Het beroemde, rond 420 v.Chr. door de beeldhouwer Polykleitos vervaardigde beeld van de Diadoumenos toont een jonge atleet die zijn haar aan het binden is – de door Winckelmann gegeven naam is een beetje een misvatting. De diadeem werd pas meer dan een gewone haarband toen de Griekse alleenheersers van Syracuse gouden kransen rond hun hoofd begonnen te binden.

Lees verder “Wat is een diadeem?”

De winterzonnewende

Een Arabische zonnewijzer (Archeologische Musea, Istanbul)

Paulus de Diaken was een achtste-eeuwse monnik uit Italië, die een geschiedenis schreef van de Langobarden. Of beter: in zijn tijd claimde de elite van noordelijk Italië – met meer of minder recht – af te stammen van de Germaanse Langobarden, en Paulus zorgde voor een respectabel verleden. Zoals in het genre gebruikelijk was, kwam het beschreven volk vanaf de randen van de aarde naar het centrum van de mediterrane wereld en werd ze stap voor stap beschaafder. De Visigoten zouden vanaf de Oostzee zijn gekomen, de Arabieren vanuit Jemen – dat werk.

En dus kwamen de Langobarden uit het hoge noorden, waar de Romeinse auteur Velleius Paterculus inderdaad een groep met die naam vermeldt,noot Velleius Paterculus, Romeinse geschiedenis 2.106.2. ergens aan de Elbe. Dat is voor Paulus echter nog niet noordelijk genoeg en dus voegt hij toe dat de Langobarden eigenlijk uit Scandinavië kwamen. Dat brengt hem dan tot een digressie over de bolvorm van de aarde, die te aardig is om niet te citeren.

Lees verder “De winterzonnewende”

De “Frankische Volkentabel” in de Thesaurus Linguae Latinae

De Thesaurus Linguae Latinae, het grote oerwoordenboek van de Latijnse taal, kent ook een Onomasticon: een lijst van in het Latijn overgeleverde eigennamen. Het is bijgehouden tot de letter D en dus is er ook een vermelding van de Baiovarii ofwel Baiuvaren ofwel “Beieren”. Dat is vooral leuk omdat we weinig weten over de oorsprong van dit volk.

Zoals het plaatje hierboven toont zijn de Baiovarii blijkbaar een gens Germanica, wat op zich waarschijnlijk correct is, maar verder weinig zegt. De eerste, en dus oudste, vermelding is in een tekst die de TLL aanduidt als de GENER. reg. Franc. Volgens de index van de TLL is dit de generatio regum Francorum, ook wel bekend als de “Frankische Volkentabel”. Jona noemde die al eens.

Lees verder “De “Frankische Volkentabel” in de Thesaurus Linguae Latinae”

Wie waren de Langobarden?

Langobardisch kruis (Trezzo sull’Adda, Museo civico, Milaan)

Alsof we nog niet genoeg lectuur hebben over Ǧibrīl ibn Nūḥ, nog even een blogje n.a.v. aantrekkelijk onderzoek naar de migratie van de Langobarden. Dat is een goed bekende groep die in de zesde eeuw in noordelijk Italië – kort daarvoor Byzantijns geworden – een koninkrijk stichtte. Daarvandaan breidden de Langobarden geleidelijk hun macht naar het zuiden uit. De paus voelde zich onvoldoende beschermd door de keizer en voldoende bedreigd door zijn noorderburen om  de hulp in te roepen van de Franken.

Het traditionele verhaal, te vinden bij Paulus de Diaken, is dat de Langobarden in de loop der eeuwen vanaf de benedenloop van de Elbe naar Hongarije zijn getrokken en daarvandaan naar Italië. Dat is echter een verhaal waarvan er dertien in een dozijn gaan: volk komt van de randen der aarde naar het centrum van de Middellandse Zee en wordt steeds beschaafder, christelijker. Wetenschappers weten al heel lang dat de aantallen migranten klein waren en hooguit een nieuwe elite waren boven de bestaande bevolking. Simpel gezegd: de Byzantijnse elite maakte plaats voor een Langobardische.

Lees verder “Wie waren de Langobarden?”

De Langobardische Cyclus (4): De archeologie

Langobardische fibula (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

[Dit is het laatste blogje Dieter Verhofstadt over de Langobardische cyclus. Het eerste was hier.]

In 2005 en 2007 werden opgravingen verricht in een begraafplaats uit de zesde eeuw in het Hongaarse Szólád. Het is een van een veertigtal bekende begraafplaatsen met zo’n 2000 individuen uit de tijd van de Langobarden. In Szólád werden vijfenveertig skeletten opgegraven en onderworpen aan moleculair genetische en isotopische analyses. De conclusie van het rapport is dat de plek slechts korte tijd is bewoond door een gemeenschap die mogelijk in Pannonië immigreerde is en er weer vertrok in het bestek van twee tot drie generaties.

In 2019 verscheen in Nature een “genetische studie van de migratie in de Langobardische periode”. Ze combineert zevenentachtig mitochondriale reeksen uit negen graven verspreid over Tsjechië, Hongarije en Italië. Ze vergelijkt genetisch materiaal uit graven met Langobardische kenmerken en uit graven waarin dergelijke kenmerken ontbreken, en die de datering van de eerste enigszins voorafgaan. Het doel van de studie is een bijdrage te leveren aan de voornaamste discussie over het bekende archeologische materiaal, namelijk de gelijkenis in de grafcultuur van het vijfde-eeuwse Pannonië en het zesde-eeuwse Noord-Italië. De discussie is of die gelijkenis wijst op migratie of op overdracht van cultuur tussen gemeenschappen die met mekaar in contact stonden.

Lees verder “De Langobardische Cyclus (4): De archeologie”

De Langobardische Cyclus (3): Alboin

Een strijdscène uit een Langobardisch graf (Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

[Dit is het derde van vier blogs van Dieter Verhofstadt over de Langobardische cyclus. Het eerste was hier.]

De legende van Alboin, opgenomen in de Langobardische Cyclus, is het meest “waarheidsgetrouwe” deel. Ze gaat dan ook niet terug op het Dresdener Heldenbuch of andere sagen. De voornaamste en eerder geschiedkundige bron hier is de Langobardische geschiedschrijver Paulus de Diaken. Voor zijn Historia Langobardorum putte hij uit de Origo gentis Langobardorum, het Liber Pontificalis (Boek der pausen), de verloren gegane geschriften van Secundus van Trente en de Annalen van Benevento. Hij verwerkte tevens teksten van Beda de Eerbiedwaardige, Gregorius van Tours en Isidorus van Sevilla.

De historische Alboin

De historische Alboin, zoals we die kennen via Paulus de Diaken, was inderdaad koning van de Langobarden, tussen 560 en 572. De Langobarden en hun buren, de Gepiden, bewoonden toentertijd de Pannonische vlakte: zeg maar westelijk Hongarije. Audoin, vader van Alboin, was in oorlog met Thurisind, koning der Gepiden. In de slag bij Asfeld (552) doodde Alboin een zoon van Thurisind, Turismod.noot Er is geen archeologische bevestiging van die veldslag. Asfeld zou niets anders dan “slagveld” betekenen. Men vermoedt dat de slag plaatsvond tussen de Donau en de Sava.

Lees verder “De Langobardische Cyclus (3): Alboin”

De Langobardische Cyclus (2): “Dresdener Heldenbuch”

Afbeelding uit het “Dresdener Heldenbuch”: Diederik van Bern bestrijdt een reus

[Dit is het tweede van vier blogs van Dieter Verhofstadt over de Langobardische Cyclus. Het eerste was hier.]

Het onderdeel dat me het meest intrigeerde en de aanleiding was voor deze bijdrage, is het drieluik “de Langobardische Cyclus”, “de Amelingen” en “Diederik van Bern”. Ik kende de Keltische materie met o.a. Tristan en Isolde, de Britse Arthurlegende, de Frankische romans rond Karel de Grote, de IJslandse Edda en haar invloed op de Duitse traditie, zoals het Nibelungenlied en het Hildebrandlied. Maar ik was me niet bewust van een andere uitloper van de Germaanse traditie, die wel schatplichtig is aan – of gelijkenissen vertoont met – andere legenden, maar waarvan de hoofdpersonen zich geografisch-historisch in Centraal-Europa bevinden, en met verwijzingen naar het Byzantijnse Rijk of de perikelen tussen diverse stromingen van het christendom.

De Langobardische Cyclus

De term “Langobardische Ccyclus” lijkt bedacht te zijn door Helene Guerber zelf. Ik vind immers voor die zoekterm enkel artikels die teruggaan op haar boek. In haar aanhef op het hoofdstuk vermeldt zij het Dresdener Heldenbuch uitgebracht door Kaspar von der Röhn, die zich volgens Guerber baseerde op de verhalen van Wolfram von Eschenbach en de wellicht fictieve Heinrich von Ofterdingen. De helden in deze “Langobardische Cyclus zijn Alboin, Ortnit en Rother (waarover later meer). De begeerde bruiden zijn Rosamund, Oda en Liebgart. Vijandige koningen, al dan niet de vaders van de begeerde bruiden, heten Cunimund, Constantijn en Imelot. De magische hulp komt van Alberich de Dwerg.

Lees verder “De Langobardische Cyclus (2): “Dresdener Heldenbuch””

De Langobardische Cyclus (1): Keizer en Guerber

Ik las het boek De mooiste mythen en sagen uit de Middeleeuwen, geschreven door Hans P. Keizer en in 1999 uitgegeven door Verba. Keizer heeft allerlei van zulke collecties op zijn naam, ook in het esoterische domein. Ik kon niet veel informatie over hemzelf vinden, maar zijn oeuvre duidt eerder op een vertaler-bloemlezer dan op een origineel auteur. Het boek bevat nochtans geen enkele bronvermelding en presenteert zichzelf evenmin als vertaling, terwijl het me onwaarschijnlijk leek dat het Keizers eigen werk zou zijn.

Van Keizer naar Guerber

Na wat opzoekwerk vond ik inderdaad dat het boek een bewerkte vertaling is van Myths and legends of the Middle Ages van Helene A. Guerber, waarvan de eerste editie verscheen in 1909. Zij was een Amerikaanse lerares en schrijfster van Zwitserse komaf, die leefde van 1859 tot 1929. Ondanks haar grote productiviteit als verteller en bundelaar van verhalen, is er weinig over haar leven bekend. Volgens een “Who’s who” uit 1914 heeft ze gestudeerd in Parijs. Ze moet zeker enige tijd in Europa hebben doorgebracht, aangezien ze in 1906 een omvangrijke gids uitbracht voor Amerikanen die daar willen studeren of reizen. Of een studie van mythologie deel uitmaakte van haar opleiding, is niet bekend. Dat het onderwerp haar interesseerde, is echter een understatement. Ze heeft immers de Romeinse, de Griekse en de Noordse mythologieën gebundeld en voorzien van illustraties in de negentiende-eeuwse, romantische traditie.

Lees verder “De Langobardische Cyclus (1): Keizer en Guerber”