Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Lees verder “Gustaf Kossinna (2)”

Historische taalkunde

Je kunt niet alles leren, maar mag wel betreuren dat je opleiding zó kort was dat je cruciale dingen niet hebt meegekregen. Aan AristotelesOrganon, vermoedelijk de grootste filosofische prestatie uit de Oudheid, is tijdens mijn studie geen woord besteed, noch bij de colleges geschiedenis, noch bij filosofie. Ook over oudgermanistiek, d.w.z. de bestudering van de antieke en vroegmiddeleeuwse fase van de Germaanse talen, heb ik weinig gehoord. Ik denk eigenlijk: niets. Terwijl het vak toch niet zonder belang is. Onze taal is immers een mooi stuk antiek erfgoed en kennis daarvan is zeker voor oudheidkundigen die zich met Nederland en Vlaanderen bezighouden, niet bepaald betekenisloos.

Om mijn kennislacune te vullen las ik Lo, donk, horst van Jozef van Loon, emeritus hoogleraar in Antwerpen. Simpel samengevat toont hij aan dat het woord lo in de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen verwees naar een cultuurbos, terwijl donk en horst het Frankische en het Saksische woord waren voor versterkingen in moerassige gebieden. Toen ik onlangs vanuit Vught door het Bossche Broek fietste naar Oeteldonk, begreep ik het meteen.

Lees verder “Historische taalkunde”

Limes en scepsis (2)

De citadel van Velkiko Tarnovo (Bulgarije)
Even nep als de limes-reconstructies: de citadel van Veliko Tarnovo (Bulgarije)

[Ik heb woensdag in Utrecht op een bijeenkomst over de Romeinse limes gesproken over de vraag hoe we wetenschapsscepsis vóór kunnen zijn. In het eerste deel legde ik uit wat wetenschapsscepsis is.]

Gerechtvaardigde argwaan

De limes is een betrekkelijk jong project. Een kwart eeuw geleden hadden nog maar weinig mensen ervan gehoord. Het woord viel ergens in de erfgoedwetgeving, dus helemáál onbekend was hij niet, maar er was een Commissie Van Oostrom voor nodig om de limes te doen inburgeren: de Romeinse Rijksgrens is een van de vijftig “vensters” op het verleden in de canon van de Nederlandse geschiedenis.

Ik geloof niet dat de limes op dit moment diepgevoelde weerzin oproept, maar het project is kwetsbaar voor al dan niet terechte kritiek. Ik wil nu enkele kwetsbaarheden noemen en de eerste daarvan is dat de oudheidkunde als geheel kwetsbaar is geworden. Er zijn teveel idiote dingen gebeurd: de claims van de Israëlische archeologen die inmiddels zó vaak het gelijk van de Bijbel opgroeven dat zelfs de Evangelische Omroep niet meer gelooft dat archeologie een serieus te nemen vak is, de hypes rond Amfipolis en het graf van Nefretite, de “special pleading” om Hannibal over een bepaalde Alpenpas te krijgen, de grote papyrologische schandalen van de laatste jaren (het Evangelie van de Vrouw van Jezus, de leugens over de Sapfo-papyri, de vernietiging van een kartonnage om een evangeliesnipper te bemachtigen).

Lees verder “Limes en scepsis (2)”