Het einde van de Romeinse Republiek (2)

Een betere foto van Dyrrhachion heb ik niet

[Gisteren beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend.]

De verovering van Italië was een simpele zaak. Zoals Titus Livius het verwoordde bestormde Caesar de wereld met het Dertiende Legioen, waarvan de soldaten aan hun negende dienstjaar begonnen. Pompeius beschikte over twee legioenen, die allebei ooit deel hadden uitgemaakt van Caesars Gallische leger: het Eerste, dat op het punt stond af te zwaaien, en het Vijftiende. Toen een groot deel van laatstgenoemde eenheid overliep naar de invaller, kon Pompeius niet anders doen dan Italië ontruimen en zich terugtrekken in het oosten.

Caesar nam Rome in en analyseerde de situatie: Pompeius’ troepen waren in Spanje zonder generaal en Pompeius was in het oosten zonder troepen. Caesar lichtte niet minder dan vijftien nieuwe legioenen, stuurde ze als garnizoen naar Gallië en trok zelf naar Spanje, waar hij met zijn oude Gallische legioenen de Pompeianen versloeg. Tegelijk trok een van zijn ondercommandanten met het overgelopen deel van het Vijftiende en het nieuwe Zestiende naar Afrika, maar dit leger werd vernietigd door de troepen van de Senaatsgetrouwe gouverneur. Aan het eind van het jaar was Caesar terug in Italië, zag tussen de bedrijven door kans enkele economische maatregelen te nemen en lichtte nog eens vier legioenen. In het volgende jaar, 48 v.Chr., voegde hij er nog eens zeven aan toe, zodat alle nummers tot en met drieëndertig waren vertegenwoordigd, behalve XV en XVI.

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (2)”

Het einde van de Romeinse Republiek (1)

De brug over de Rubico

Een tijdje geleden beschreef ik hoe Julius Caesar in Alesia Vercingetorix versloeg. Het was niet het einde van de Gallische Oorlog, die nog ruim een jaar zou duren, maar de einduitkomst stond na die gebeurtenis vast. Het Romeinse Rijk strekte zich voortaan uit vanaf de Eufraat in het oosten naar de Atlantische Oceaan in het westen. Het was desondanks toch te klein voor én Julius Caesar én zijn schoonzoon-en-rivaal Pompeius én de conservatieve leden van de Senaat.

Het eerbiedwaardige staatsorgaan had al een kleine eeuw geprobeerd de opkomst van militaire potentaten te verhinderen en was er vaak in geslaagd de macht van al te succesvolle commandanten in te perken. Maar daarvoor hadden Pompeius en Caesar inmiddels teveel overwinningen behaald en teveel rijkdommen verworven, Pompeius in het oosten en Caesar nu in Gallië. Ze waren te groot geworden om nog genoegen te nemen met wat lange tijd voor een senator de hoogste eer was geweest: een triomftocht waarbij zijn collega’s hem bewonderend toejuichten en voor één dag erkenden als eerste onder gelijken. Voor zowel Pompeius als Caesar gold dat ze altijd de eerste man in Rome wilden zijn, de man met de grootste dignitas, “waardigheid”.

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (1)”

Alesia (1)

Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Veel Romeinse auteurs meenden dat de verovering van Karthago – ik blogde er al over – het begin was geweest van een periode van zedenverval. Geldzucht en machtswellust hadden hun intrede gedaan, de Romeinen hadden hun oprechtheid verloren, list en geweld waren acceptabele politieke middelen geworden. Het was van kwaad tot erger gegaan doordat militaire leiders de Senaat onder druk zetten en de Volksvergadering paaiden met geschenken, waardoor het volk lui en vadsig zou zijn geworden.

Titus Livius gaf de lezers die zijn geschiedwerk ter hand namen het advies erop te letten hoe de moraal eerst begon af te brokkelen, vervolgens meer en meer verviel en uiteindelijk in hoog tempo ineenstortte. De enige antieke auteur die verder keek dan het zogenaamde verval van normen en waarden, was Appianus van Alexandrië, die aan het begin van zijn boek over de Burgeroorlogen de diepere sociaal-economische veranderingen beschreef.

Lees verder “Alesia (1)”

Caesar in Zuid-Limburg

Een van de twee nieuw-ontdekte schatten (© Vrije Universiteit)

Ik was vanmorgen bij een persconferentie in het Limburgs Museum in Venlo. Wat daar werd aangekondigd was echt leuk: de ontdekking van twee Keltische muntschatten in de buurt van de rivier de Maas, ter hoogte van Sittard. Op de foto hierboven ziet u een van die schatten en u leest er op de website van het Handelsblad meer over.

De dubbele schatvondst is niet de eerst ontdekte muntschat uit deze periode. We kenden er al negen uit België en Nederland en ook nog één uit Duitsland. Het wonderlijke is dat ze allemaal dateren van pakweg 60-50 v.Chr. Daarnaast zijn er uit dit decennium ook nog ruim 130 losse muntvondsten bekend, die dus niet tot een schat worden gerekend. Ter vergelijking: uit de voorafgaande eeuw kennen we slechts twee muntschatten. Na het midden van de eerste eeuw v.Chr. neemt het aantal munt- en schatvondsten dan weer drastisch af. Er is dus een even scherpe toe- als afname en die piek kan geen toeval zijn. Archeoloog Nico Roymans van de VU legt een verband met de veldtochten van Julius Caesar.

Lees verder “Caesar in Zuid-Limburg”

Caesar schreef nepnieuws, of toch niet?

Caesar (Altes Museum, Berlijn)

Dat was groot nieuws, in december 2015: archeoloog Nico Roymans van de Vrije Universiteit kondigde aan bij Kessel aan de Maas de materiële overblijfselen te hebben gevonden van een gevecht dat de Romeinse veldheer Julius Caesar daar in 55 v.Chr. zou hebben geleverd met twee Germaanse stammen. In de daarop volgende weken voerden de archeologen een pittige discussie, waarbij opviel dat zowel Roymans als zijn critici aannamen dat Caesar, die het gevecht vermeldde in zijn Gallische Oorlog, zijn beschrijving bedoeld heeft als feitenverslag.

Het is inderdaad verleidelijk Caesar zo te lezen. De Gallische Oorlog is namelijk een heel toegankelijke en buitengewoon spannende tekst. Zo staat of valt het succes van de oorlog met de strijd om één Gallische nederzetting, Alesia, staat of valt het succes van die belegering vervolgens met één gevecht om één fort, staat of valt het succes van dat gevecht met één manoeuvre en herwinnen de legionairs hun moed bij de aanblik van de rode veldheersmantel van één man, Julius Caesar. Meeslepend proza! Zelfs al weet je dat de auteur de zaken zó presenteert dat hij er zelf goed van afkomt, dan nog is het makkelijk je te laten overrompelen en je kritische zin te verliezen.

Lees verder “Caesar schreef nepnieuws, of toch niet?”

MoM | Hermeskeil

De opgraving van Hermeskeil in de regen. Het vennootschappelijke automobiel in de achtergrond.

De laatste keer dat ik mijn zakenpartner zag was met oudejaar. Hij is momenteel in Korea voor de opnamen van een programma dat, zo lees ik bij een doorgaans goed-geïnformeerd medium, “Sterren Schaatsen Rondjes op het IJs” heet. Als hij straks in Nederland terug is, ga ik naar Cyprus. Kortom, ik zie hem te weinig. Vorig jaar lukte het echter om eens samen op vakantie te gaan en zoals de vaste lezers van deze blog weten, bezochten we Bastenaken, de Titelberg en Trier.

Op een regenachtige dag gingen we naar Hermeskeil, waar momenteel een opgraving plaatsvindt die de archeologie als wetenschap verder zou kunnen brengen. Ik heb de problematiek al vaker behandeld: het staat vast dat Julius Caesar iets heeft veroverd dat hij Gallië noemde, maar we weten niet wat hij precies onderwierp. Al in de negentiende eeuw hebben archeologen – ze werden gefinancierd door Napoleon III – versterkingen uit het midden van de eerste eeuw v.Chr. gevonden, maar alles wat ze vonden lag ten zuiden van de Seine. En dat terwijl Romeinse forten, zelfs als het gaat om die voor kleine eenheden, niet echt moeilijk terug te vinden zijn. De opgraver van het kleine fort bij Maldegem, Hugo Thoen, was verbaasd dat in Gallia Belgica in een kleine anderhalve eeuw niet één van Caesars enorme legioenbases was geïdentificeerd. Daarmee bepaalde Thoen de parameters van de discussie: was Caesars rapport van zijn noordelijkste veroveringen geen bluf?

Lees verder “MoM | Hermeskeil”

Klassieke literatuur (5b): geschiedschrijving

Kleio, de muze van de geschiedschrijving. Mozaïek uit Zeugma, nu in Gazi Antep.

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich werkelijk in de klassieke letteren wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een cursus, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur kun je verder Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus lezen, maar voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek niet.]

Ik heb u eergisteren al voorgesteld aan Herodotos, de auteur van de Historiën, en aan Thoukydides, die het genre dat we gemakshalve “geschiedenis” noemen versmalde tot de daden van enkele grote mannen. Vandaag behandel ik enkele andere schrijvers, en dan begin ik met Xenofon, een van de onderhoudendste auteurs uit de Oudheid. Dat is ook niet zo vreemd, want behalve auteur was hij huurling, econoom, filosoof, paardenfokker, reiziger, balling, biograaf, romancier, generaal en hoveling. Met zo’n leven ben je natuurlijk niet in staat iets te schrijven dat saai is.

En inderdaad: zijn Hellenika (een geschiedenis van zijn eigen tijd), zijn biografie van koning Agesilaos en zijn geromantiseerde boek over de jeugd van Cyrus de Grote zijn buitengewoon lezenswaardig. Maar de Anabasis, het ooggetuigenverslag van een burgeroorlog in het Perzische Rijk, spant de kroon: Xenofon gaat mee op pad in het huurlingenleger van een rebel, is aanwezig bij de beslissende (verloren) veldslag, en commandeert een deel van het leger als het probeert terug te keren naar Griekenland – dwars door het besneeuwde oosten van wat nu Turkije heet. Van de 14.000 soldaten keerden er 6000 terug.

De Anabasis is verschillende keren in het Nederlands vertaald (onder andere door Gerard Koolschijn en Nicolaas Matsier en door Marc Moonen) maar die vertalingen zijn bij mijn weten niet meer leverbaar. Koolschijn vertaalde in 1990 ook de Hellenika maar ik adviseer de Landmark-vertaling, die voldoet aan de eisen die we aan een vertaling stellen in de eenentwintigste eeuw. Een Landmark-Anabasis is in de maak. John Nagelkerke vertaalde in 1999 het boek over de jeugd van Cyrus (Kyros de Grote. De vorming van een vorst): een boek dat wat meer aandacht had verdiend.

Lees verder “Klassieke literatuur (5b): geschiedschrijving”

Marcus Antonius

Marcus Antonius (Museum voor Schone Kunsten, Boedapest)
Marcus Antonius (Museum voor Schone Kunsten, Boedapest)

Ergens is het gewoon een sprookje: de dappere soldaat die trouwt met de prinses en zou kunnen heersen als koning. Daarnaast is het een ontroerende tragedie als een koningstelg probeert haar land te redden, geen middel onbenut laat en faalt. Als het verhaal zich dan ook nog afspeelt in een mysterieus land als Egypte, is succes verzekerd.

En inderdaad. De Romeinse generaal Marcus Antonius en de Egyptische koningin Cleopatra behoren tot de bekendste personages uit de Europese cultuurgeschiedenis. In de Renaissance schreef Giovanni Boccaccio al over het tweetal, William Shakespeare bracht het verhaal op de planken, Blaise Pascal achtte Cleopatra’s neuslengte van wereldhistorische belang, ruim 210 schilders en 100 componisten benutten de stof. Er gaat geen jaar voorbij zonder dat een gemakzuchtige netwerkcoördinator de Hollywoodfilm met Elisabeth Taylor en Richard Burton programmeert. Nu de materie vervelend wordt, is er de parodie. De Duitse romantici wisten er al raad mee, stripliefhebbers koesteren Asterix en Cleopatra, en de moord op Julius Caesar in het pismelige Carry on Cleo is ooit uitgeroepen tot een van de hoogtepunten van de Britse komedie.

Lees verder “Marcus Antonius”

Caesar in Kessel: terugblik (4)

De Waal (bij Druten, dus een eindje stroomopwaarts)

Ik ben de laatste dagen erg bezig met het derde nummer van uw favoriete oudheidkundige tijdschrift, waardoor deze kleine blog, die ik toch vooral schrijf als een plezierig extraatje naast mijn eigenlijke werk, er wat bij inschoot. Vandaag herneem ik echter de terugblik op de claim van Nico Roymans dat Julius Caesar bij Kessel een groep Usipeten en Tencteri had afgeslacht. Zoals ik al opmerkte, is het jammer dat het nieuws zo amateuristisch naar buiten kwam (De Wereld Draait Door ging ermee aan de haal), waarna het aan hyperbolen niet meer heeft ontbroken. De Volkskrant noemde het vorige week zelfs “de grootste Nederlandse oudheidkundige ontdekking ooit”, wat zó onwaar is dat ik het zelfs niet ga uitleggen.

Je kunt ook zonder oudheidkundige standaardoverdrijving kijken naar de vondsten in Kessel en mij viel op dat de discussies die ik zo links en rechts heb beluisterd, drie terugkerende kenmerken hadden. De eerste: er wordt over gesproken alsof het een archeologisch vraagstuk is. De tweede: er wordt over gesproken alsof het een gesloten vraag is. De derde: er wordt over gesproken alsof alleen de feiten – de vondsten in Kessel dus – relevant zijn. Dat is allemaal niet onjuist maar er zijn wat bomen over op te zetten en ik denk dat we moeten beginnen met de simpele vraag wat de vraag nu eigenlijk is.

Lees verder “Caesar in Kessel: terugblik (4)”

Caesar in Kessel

Torques uit Rossum: halssierraden van krijgers. Ze dateren uit de Late Oudheid en zijn, al heel lang geleden, niet ver van het nu geïdentificeerde slagveld gevonden. Tegenwoordig zijn ze in het deze week heropende Rijksmuseum van Oudheden.
Krijgerssierraden uit Rossum uit de Late IJzertijd. Ze zijn iets ten westen van het nu geïdentificeerde slagveld gevonden en – als ik het wel heb – in 2006 verworven door het Rijksmuseum van Oudheden.

Ik vertelde in mijn vorige stukje dat het zo’n verademing was dat ik ook eens onverkort positief nieuws kon melden over een recente oudheidkundige ontdekking. Geen hype, geen overdrijving, gewoon een interessante en zelfs belangrijke vondst: het slachtveld – ik denk dat dit voor één keer de correcte term is – waar Julius Caesar de Usipetes en Tencteri vernietigde, is gevonden bij Kessel, niet ver van het punt waar de Maas en Waal elkaar naderen.

Bij baggerwerkzaamheden zijn in het laatste kwart van de vorige eeuw allerlei vondsten gedaan, waar VU-archeoloog Nico Roymans al enige tijd met belangstelling naar kijkt. Er waren menselijke botten, wapens, mantelspelden en vooral: er was veel. Woensdag heeft hij in De Wereld Draait Door bekendgemaakt dat dit de plek moest zijn waar de twee stammen uit het Overrijnse hun nederlaag leden.

Lees verder “Caesar in Kessel”