Theodor Nöldeke over de Koran

Theodor Nöldeke

Ik vertelde in mijn vorige blogje dat ik het voornemen heb een boek te schrijven over het ontstaan van de islam, met name over de geleerden die het islamitisch recht hebben ontworpen. Dan ontkom je er niet aan te kijken naar de oudste islamitische tekst die we hebben: de Koran. (Dankzij enkele koolstofdateringen van manuscripten weten we dat het boek inderdaad zo oud is als de islamitische traditie stelt: lees maar hier.) De Leidse geleerde Marijn van Putten suggereerde me dat ik eerst Nöldeke eens zou gaan lezen.

Dat hoefde hij me geen tweemaal te zeggen. Theodor Nöldeke (1836-1930) is een van die grote Duitse geleerden die vorm hebben gegeven aan de historische wetenschappen – denk ook aan Droysen, Schliemann, Mommsen, Wilamowitz en uiteraard Weber. Hun publicaties zijn niet alleen grundlegend, maar vaak ook heel leesbaar; ze hebben eigenlijk altijd alle problemen herkend die rond een bepaald thema spelen, en hoewel hun antwoorden regelmatig achterhaald zijn, leer je nog steeds van de helderheid waarmee ze de problemen identificeerden. De verklaring zal wel zijn dat academici destijds minder publicatiedruk hadden en de mogelijkheid hadden een probleem werkelijk te doordenken.

Lees verder “Theodor Nöldeke over de Koran”

Het moderne Mohammed-onderzoek

Het biografische materiaal over Mohammed, dat bekendstaat als de Sīra, is in zijn geheel zo omvangrijk en verscheiden dat er geen coherent beeld van de profeet uit kan worden verkregen. Kan het wel worden gebruikt voor een betrouwbare biografie van Mohammad, of als bron voor de geschiedenis van de vroege islam?

Moslims stellen zo’n vraag gewoonlijk niet; het is typisch een vraag van oriëntalisten. Negentiende-eeuwse geleerden als Ernest Renan (1823-1893; ‘De islam ontstond in het volle licht der geschiedenis’), Julius Wellhausen (1844-1918), Ignaz Goldziher (1850-1921) en anderen waren nog vol vertrouwen. Zij verwierpen veel teksten als onbetrouwbaar, maar geloofden dat het mogelijk was, met de rest het historische verleden te reconstrueren ‘zoals het werkelijk was geweest’.

Lees verder “Het moderne Mohammed-onderzoek”

Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

Stèle met een Arabische ruiter (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Hoe zag het leven in Arabië eruit vóór de komst van islam? Veel te lang hebben wetenschappers die vraag laten liggen, ook omdat Arabische overheden er niet in geïnteresseerd waren. In de laatste tijd neemt de kennis echter snel toe. Ik wil nu kort behandelen wat moslims daarover vanouds te vertellen hadden. Een van de zaken die modern onderzoek in de weg stonden, was namelijk hun traditionele opvatting over de Oudheid. Djāhilīya is de religieus getinte, islamitische benaming voor de tijd voor de islam.

Het Arabische werkwoord djahila betekent: ‘niet weten.’ Djāhilīya is dan: ‘toestand van onwetendheid, periode van onwetendheid’.

Barbarij en duisternis

‘Vóór de islam heersten barbarij en duisternis; met de profeet Mohammed verschenen het licht en het weten,’ zo is het islamitische perspectief samen te vatten. Dit wordt aanschouwelijk geformuleerd in de toespraak die Dja‘far ibn abī Ṭālib, de broer van ‘Alī, bij de Negus van Abessinië gehouden zou hebben. Meer dan een eeuw later wordt hij door de Ibn Isḥāq, de biograaf van de profeet, als volgt aangehaald:

Lees verder “Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde”

De constructie van Mohammed

Soms lees je een boek waarvan je denkt: dit was echt geweldig, geweldig goed. Ik heb het hier weleens gehad over The Rise of Civilization van Redman, Pirennes Mahomet et Charlemagne en Meiers Geschichte der Völkerwanderung. Boeken van oudheidkundigen die de data in de volle breedte overzien, die een synthese bieden van wat bekend is en die nieuwe richtingen aanwijzen. Zo’n boek is ook Muhammad and the Empires of Faith van de Amerikaanse arabist Sean Anthony, dat twee jaar geleden is verschenen. Het gaat over de wijze waarop de eerste generaties moslims een beeld van hun profeet vormden, een modieus onderwerp, en is tevens interessant omdat het werkelijk ingaat op de uitdagingen van de eenentwintigste-eeuwse oudheidkunde.

Ibn Ishaq over Mohammed

Eerst iets over de eigenlijke inhoud, waarvan dit natuurlijk duidelijk is: het begin van de islam hangt samen met het optreden van Mohammed. Lange tijd was het beeld dat westerse wetenschappers van de profeet hadden, in wezen identiek aan dat van de moslims, zij het ontdaan van wat wonderverhalen. Dit beeld gaat terug op het oeuvre van Ibn Ishaq, die een geschiedenis schreef die begon bij de schepping en culmineerde in het optreden van Mohammed. Onderzoekers als Patricia Crone wezen erop dat dit boek laat is gepubliceerd – ruim een eeuw na de dood van de profeet – en probeerden zelf een geschiedenis te schrijven die was gebaseerd op meer contemporaine bronnen, islamitisch of anders. Ze wezen ook op de grotere context: het antieke Arabië was geen geïsoleerd gebied maar onderdeel van een wereldsysteem.

Lees verder “De constructie van Mohammed”

De vier families van de Koran

Negende-eeuwse Koran (Museum van islamitische kunst, Teheran)

Ik heb al vaker geblogd over de Lachmannmethode: de methode waarmee de vervaardigers van een tekstuitgave door middel van schrijffouten of afwijkende spellingen een stamboom (“stemma”) opstellen om een tekst te reconstrueren die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst komt. Die gereconstrueerde tekst heet het archetype. Daarnaast heb ik al geblogd over de bestudering van heel oude Korans, waarvan sommige onwaarschijnlijk vroeg zijn gedateerd. Twee onderwerpen die me boeien dus. Daarom was ik blij afgelopen zondag in Leiden een lezing te kunnen bijwonen van taalkundige Marijn van Putten, die allebei de onderwerpen behandelde. Dat ik aanwezig kon zijn, stemt tot dankbaarheid, want door de corona-maatregelen konden er maar veertien toehoorders zijn.

Vier oer-Korans?

Van Putten legde het traditionele verhaal uit. In 632 overleed Mohammed, waarna kalief Abu Bakr de openbaringen liet opschrijven. Zestien jaar later, rond 650, liet kalief Othman een standaard-Koran maken: vier exemplaren voor de vroeg-islamitische steden Medina, Basra, Kufa en Damascus. Alle Korans gaan, volgens de traditie, terug op dit viertal.

Lees verder “De vier families van de Koran”

Oude koran, jonge islam

Negende-eeuwse Koran (Museum van islamitische kunst, Teheran)

Arabieren, dat waren die nomaden uit het zuiden. Soms migreerde een stam naar het noorden, en die vestigde zich dan in de grensprovincies van het Romeinse Rijk of in Mesopotamië, waar de Perzen de macht hadden. Voor Romeinen en Perzen waren de Arabische stammen nuttige militaire bondgenoten en dat was dat. Geen Romein of Pers verdiepte zich in de Arabische cultuur, maatschappij of religie. De Arabieren waren marginaal. Althans, zo was het rond 630.

Twintig jaar later strekte het rijk van kalief Othman zich uit van Tunesië tot Afghanistan. Het Perzische Rijk bestond niet langer, het Romeinse was gehalveerd. De Grieks-Romeinse cultuur was ten einde gekomen, de islamitische beschaving ontluikte.

Lees verder “Oude koran, jonge islam”

I.M. Patricia Crone

De oeroude moskee van Damghan

Het zal eenieder die de krant een béétje leest zijn opgevallen dat er de laatste jaren nogal wat discussie is over het ontstaan van de islam. Ik heb er bij verschillende gelegenheden aandacht aan besteed: een tijdje geleden wijdde ik twee stukjes (1, 2) aan het boek van Fred Donner, ik nam een stuk over dat mijn goede vriend Richard wijdde aan een Koran-manuscript dat mogelijk ouder was dan de islam, ik schreef over het leuke boek van Piet van der Horst over het joodse koninkrijk Himyar, en ik besteedde aandacht (1, 2 ,3) aan de onlangs verschenen Mohammedbiografie van Marcel Hulspas. Kortom: er is nogal wat in beweging. En dat hebben we te danken aan de afgelopen zaterdag op zeventigjarige leeftijd overleden Deense onderzoekster Patricia Crone.

Het probleem is heel simpel. Teksten uit het verleden dienen te worden gelezen als teksten uit het verleden. Ze hebben een eigen beelden- en vormentaal. Ze veronderstellen een eigen wereldbeeld. Wie dat negeert, zal de antieke en middeleeuwse teksten gegarandeerd verkeerd begrijpen. Dit klinkt erg logisch en is dat ook, maar als het gaat om religieuze teksten is er bij sommige gelovigen een zekere aarzeling. Het is ten slotte Gods woord, moet je dat niet letterlijk nemen? Voor het onderzoek vormt deze weerstand geen bezwaar, maar het betekent wel dat er in de voorlichting soms wat weerstand moet worden weggenomen. De kritische discussie over het ontstaan van het jodendom en christendom begon in de negentiende eeuw, die over de islam is jonger. Een belangrijke tekst hierbij is het boek Hagarism van Michael Cook en Patricia Crone uit 1977.

Lees verder “I.M. Patricia Crone”