
Vandaag begint de Week van de Klassieken. U vindt het programma hier. Het thema is dit jaar de relatie tussen de antieke mens en zijn natuurlijke leefomgeving, en als u cynisch aanneemt dat “in de Oudheid dachten ze ook over natuur” weer eens een gemakzuchtig I.D.O.H.Z.O.-tje is, dan hebt u het mis. Lees nog even wat ecokritiek is en u herkent dat er een wetenschappelijke innovatie schuilt achter deze thematiek.
De klassieken doen ertoe, althans in potentie, en oudheidkunde is wél interessant. Voor degenen die het desondanks niet geloven willen, presenteer ik hier vijf smoezen om zich er niet in te hoeven verdiepen. Plus uitleg waarom dat drogredenen zijn. Dat ook.
1. Het is alleen maar Griekenland en Rome
De Oudheid is de periode waarin we, anders dan in de Prehistorie (waarvoor alleen de archeologie informatie levert), wél geschreven bronnen hebben, maar waarvoor we, anders dan voor de Middeleeuwen, onvoldoende bronnen hebben om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. In jaartallen: het is de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 of 800 na Chr. Geografisch bezien: de regio vanaf Iran en Centraal-Azië tot aan de Atlantische Kust.
Beide afbakeningen zijn kunstmatig, maar in elk geval: de Oudheid is méér dan slechts de Grieks-Romeinse cultuur. Assyriërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Etrusken, Germanen, Karthagers, Kelten, Perzen: ze horen er allemaal bij. Dat is ook altijd erkend geweest. Wie in de achttiende eeuw een beetje geletterd was, kende behalve Latijn en Grieks ook Hebreeuws. In de negentiende eeuw is de Oudheid echter verschraald geraakt tot Griekenland en Rome, terwijl juist op dat moment de hiëroglyfen en het spijkerschrift werden ontcijferd, waardoor het begin van de Oudheid twee millennia eerder kwam te liggen. Niets dwingt ons de beperkingen van de negentiende eeuw over te nemen, alles verleidt ons de culturele rijkdom te aanvaarden. Sterker nog, omdat we onvoldoende informatie hebben om te komen tot werkelijke geschiedvorsing, zijn we verplicht alles te bekijken. En juist het denken over de ontbrekende informatie maakt het boeiend.
2. Je moet Latijn en Grieks kunnen
Elke taal die je leert, vergroot je rijkdom. Laat dat vooropstaan. Je kunt echter overdrijven. U las Duizend-en-een-nacht of Oorlog en Vrede vermoedelijk niet in het Arabisch of Russisch, en genoot er toch van. Dus voel u vrij de oude teksten te lezen in een van de vele vertalingen die er zijn. De standaard wordt gezet door de Landmark-reeks van Griekse en Latijnse bronnen en door boeken als Herman Vanstiphouts vertaling van het Epos van Gilgameš. De Bijbel is online. Bedenk dat moderne talen met naamvallen (zoals het Duits) de vertaler extra mogelijkheden bieden om dichtbij de originelen te blijven.
3. Er is nooit iets interessants
Het lijkt inderdaad alsof er in de oudheidkundige vakgebieden nooit iets interessants gebeurt. De media gebruiken de Oudheid immers vooral als leverancier van leutige trivialiteitjes. Het is bovendien waar dat classici niet vertellen wat ze zélf te melden hebben en liever aanlopen achter andermans actualiteit (“in de Oudheid hadden ze ook epidemieën”, “I.D.O.H.Z.O. fake nieuws”, “I.D.O.H.Z.O. populisten”). En het is eveneens waar dat archeologen liever over vondsten praten dan over archeologie. Zoals u het vak leert kennen, oogt het inderdaad intellectueel oninteressant.
Maar weet je: er zijn wél interessante innovaties. Ik noemde de ecokritiek al. Bij een eerdere Week van de Klassieken stond de DNA-revolutie centraal en dus het gegeven dat mensen én denkbeelden sneller migreerden dan gedacht. Dat is niet minder dan een grondslagencrisis. Nieuwe vormen van archeologische prospectie zorgen ervoor dat de bodembescherming anders moet. Met artificiële intelligentie ontsluiten we nieuwe teksten en kunnen we daaraan andere vragen stellen. Er gebeuren – althans in potentie – allerlei interessante dingen. En tijdens de Week van de Klassieken kunt u er uw vragen over kwijt.
4. Allemaal dode witte mannen
Mwoa. Zo blank of wit waren de mensen destijds niet, maar dat is niet het probleem. Het probleem is de nadruk op individuen. En het antwoord daarop is niet (of niet alleen) dat we meer aandacht geven aan vrouwen en people of color, maar dat we meer aandacht geven aan de netwerken, de structuren, de instituties, de processen. Mensen zijn immers knopen in grotere netwerken; we zijn met anderen verbonden en we definiëren onszelf door vergelijking met anderen. Het zou wat meer over het voetlicht mogen komen dat oudheidkunde een sociale wetenschap is. Misschien is dat een idee voor de volgende Week van de Klassieken, maar voor het moment: de Oudheid gaat niet over individuen, mannelijk of wit of anders. Oudheidkundigen bestuderen een cultuur.
5. Het gymnasium is elitair
Nou en? Als een groep mensen ergens een passie voor deelt, ontstaat als vanzelf expertise. Denk aan voetbalsupporters die de opstelling nog weten van het team dat in 1971 de Europacup won, denk aan natuurliefhebbers die een wilde eend kunnen onderscheiden van een slobeend, denk aan de fans die elk liedje van hun idool woord voor woord kunnen meezingen. Dat is expertise en expertise is elitair en dat is doodnormaal.
Niet dat het gymnasium volmaakt is. Het uitgedragen Bildungsideaal is nogal individualistisch. Anno tweeduizend-vandaag hebben we meer dan ooit een vorm van Bildung nodig die zelfontplooiing combineert met maatschappelijke dienstbaarheid. Er valt dus best iets over het gymnasium te zeggen. Maar houd op met het verwijt dat het schooltype elitair zou zijn.

Een elitair schooltype? Inderdaad, ik zou het zelfs eerder ‘democratiserend’ noemen…
Als je als uitgangspunt geschreven bronnen en een tijdsperiode van 3000 voor Christus tot 800 of zo hanteert, dan zou ik zeggen dat China en India ook onderdeel van de Oudheid uitmaken. Zeker omdat er ook al betrekkingen zijn beschreven tussen die delen van de wereld en de gebieden die hierboven tot de Oudheid gerekend worden.
Ja, en ook precolumbiaans Amerika en Centraal-Eurazië. Ik schrijf er ook weleens over.
Ik denk echter dat, gegeven de geringe culturele overdracht van India en China naar het westen, we toch ergens een grens mogen trekken. Je zou zeker in de sfeer van het boeddhisme en de hellenistische filosofie kruisbestuiving hebben verwacht, maar er zijn weinig werkelijk overtuigende voorbeelden.
Mi hangen de grenzen vooral af van het onderzoeksopbject. Wie zich op de Noordzee en omliggende landen concentreert kan de Middeleeuwen gemakkelijk rond 400 CE laten beginnen.
Punt voor punt juist. We zouden er eens een tentoonstelling aan kunnen wijden: u denkt dit, maar. ..
Ik betwijfel of de 19de eeuw de aandacht echt zoveel verengde. De interesse van hun voorgangers beperkte zich tot het Hebreeuws als bijbelse taal. Van de Negen Besten, middeleeuwse voorbeelden voor de ideale ridder, kwamen de vertegenwoordigers van de oudheid enkel uit de Grieks-Romeinse cultuur. Men bekeek de geschiedenis tot in de 20ste eeuw vooral vanuit een Grieks-Romeins-christelijk standpunt: Perzen, Carthagers, Egyptenaren… doen enkel dienst als antagonisten. Zelfs voor het lokale Keltisch-Germaanse verleden is weinig aandacht. Arthur en Siegfried zijn geen tegenvoorbeeld: hun Keltische en Germaanse oorsprong is irrelevant voor de schrijvers van epen.
Ik moet bij de 19de eeuw toch ook aan Egyptomanie denken.
Ik denk dat er wel degelijk iets is verschoven. Ik heb de tijd even niet voor een uitgebreid antwoord, maar kijk even hier:
https://mainzerbeobachter.com/2020/04/04/misverstand-bakermat/
Volgens het programma van de Week van de Klassieken waar Jona naar verwijst, zou er vanaf vandaag (4 april) 9:00 de eerste aflevering van een nieuwe podcastserie “Oog op de Oudheid” beschikbaar moeten zijn. Het is inmiddels 12:30 geweest en de links naar deze podcast op de site van het RMO werken niet. Ik kon de podcast ook niet op de podcastsite van Apple (via welke ik mijn podcasts normaliter ontvang) vinden.
Heeft iemand een werkende link? Of moet ik wat meer geduld hebben?
Voor de liefhebbers: inmiddels is de eerste aflevering beschikbaar op de site waarop de show gehosted wordt. De links op het RMO zijn echter nog niet aangepast.
Het zou inmiddels moeten functioneren. Dank voor het doorgeven.
Ik heb het doorgegeven,.
“Het gymnasium is elitair”
Topvoetbal en topwielrennen zijn ook elitair. Het is moeilijker om Virgil van Dijk of Mathieu van der Poel te spreken te krijgen dat een oudheidkundige die op het gymnasium heeft gezeten.
De bewering dat het gymnasium elitair zou zijn komt van mensen die zelf het gymnasium niet hebben doorlopen.
Ik weet niet of dat waar is. Ik ken althans voldoende docenten klassieke talen die de upper-middle-class-achtergrond van de leerlingen ervaren als een probleem. Er zijn immers ook havo- en vmbo-leerlingen met belangstelling voor Griekse mythen en Romeinse soldaten.
Het is waar en niet waar. Ik was zo’n havo leerling met belangstelling voor Romeinse soldaten. Maar het gymnasium was toch wel altijd de top van het voortgezet onderwijs. Dus inderdaad wat elitair, alleen al door de de naam. Atheneum trouwens ook. Het gebruik van Latijnse woorden geeft iets sowieso al een elitair tintje. Dacht Thierry Baudet ook toen hij de naam voor zijn partij koos en potjeslatijn oreerde in het parlement. Latijn was natuurlijk eeuwenlang de taal van de kerk en de wetenschap, dus het is niet gek dat de oudheid dan het imago krijgt dat het voornamelijk iets is voor geleerden.
Dus ja, van die vooroordelen zijn we voorlopig nog niet af!