
[De komende tijd zal Kees Alders in enkele blogseries de verschillende stromingen binnen de antieke Chinese en Indische filosofie behandelen. Vandaag het slot van de inleiding, waarvan het begin hier was.]
Het gangbare beeld is dat de Griekse, Indische en Chinese filosofie tegelijkertijd, ongeveer zes eeuwen vóór het begin van onze jaartelling, zouden zijn ontstaan, onafhankelijk van elkaar, en dat ze zich in de eerste daarop volgende eeuwen vrijwel los van elkaar hebben ontwikkeld. Maar is dat wel zo?
Het ontstaan van de drie grote antieke filosofische culturen
Vroege Griekse filosofen als Thales, Pythagoras en Anaximandros kennen we als denkers die verschillende stellingen poneerden over de veronderstelde structuur van de wereld waarin wij leven. Wat we over hen weten, krijgen we vooral aangereikt via besprekingen van hun werk door latere auteurs, zoals Aristoteles en Diogenes Laertios. We hebben ook citaten uit de verloren werken van die eerste filosofen, waarin ze schreven over aard en ontstaan van de wereld.
Opvallend is daarbij dat ze niet verwezen naar de eerdere, als mythen gepresenteerde visies op het ontstaan van de wereld. Sterker nog, ze staken daar de draak mee – vooral de vroege filosoof Xenofanes had daar een handje van. Denkers als Thales en Pythagoras keken liever naar de natuur zelf en naar de wiskunde, of naar de spreuken van bestuurders en “wijzen” als Solon van Athene en Pittakos van Mytilene. Wij zouden die laatste wat oneerbiedig tegeltjeswijsheden kunnen noemen, en traditioneel worden deze spreuken niet gerekend tot de filosofie, maar misschien is dat wel onterecht.
De Indische filosofie ontstond heel anders. Die begon met commentaren op eerdere religieuze teksten, de Veda’s. Sommige vroege filosofische scholen zetten zich daartegen af (Charvaka, en later jaïnisme en boeddhisme), maar de meeste filosofische scholen presenteerden zich door middel van filosofische uitleg, onderbouwing en uitwerking van de oudere religieuze uitgangspunten en toevoegingen daaraan (Nyaya, Vaisheshika, Samkhya, Yoga, Vedanta en Mimamsa). Over deze boeiende scholen wil ik later uitgebreid bloggen.
De ontstaansgeschiedenis van de Chinese filosofie lijkt een beetje het midden te houden tussen die van de twee andere tradities. De eerste Chinese filosoof die wij bij naam kennen, Confucius (551-479 v.Chr.), kwam niet met een geheel eigen en nieuwe filosofie die los stond van de cultuur waarin hij leefde of zich daartegen afzette. Tijdens zijn leven had China echter nog geen canonieke literatuur zoals India die had met de Veda’s. Wel waren er al veel geschreven teksten over mythes, rituelen, waarzeggerij en kosmologie, en Confucius en zijn directe volgelingen speelden een centrale rol in het bundelen, canoniseren en becommentariëren daarvan. Hieromheen ontstond een veelzijdige Chinese filosofische cultuur.
Invloeden tussen Griekenland en India
Hoewel het lijkt alsof deze tradities zich los van elkaar hebben ontwikkeld, zijn er aanwijzingen voor vroege wederzijdse beïnvloeding. Met name het in India goed gedocumenteerde idee van reïncarnatie komt terug in de Griekse Orfische traditie, en bij filosofen als Pythagoras, Empedokles en Plato. Dit idee was, voor zover bekend, in het toenmalige Griekenland nieuw en vreemd, terwijl het al veel langer een centraal begrip was in de Indische traditie. Het is dan niet ver gezocht om oosterse invloed te veronderstellen, waarbij het Achaimenidische Rijk het doorgeefluik kan zijn geweest.
Later, na Alexander de Grote, zien we de Indische en Griekse culturen direct met elkaar in contact komen. Vanaf deze tijd lezen we claims dat de vroegste Griekse filosofische denkers al reizen gemaakt zouden hebben naar het verre India, maar die beweringen moeten we met een korrel zout nemen. Vanaf de hellenistische tijd komen we echter steeds meer ideeën tegen die lijken op Indische concepten, zoals bij Hegesias en Pyrrhon, en daarna bij de Late Stoa, bij het Neoplatonisme en bij de Gnostici.
Ondanks de parallellen kennen we geen Griekse of Latijnse geschriften over de Indische scholen, filosofen en concepten. En omgekeerd lijken in de Indische filosofie Griekse ideeën al helemaal geen herkenbare rol te hebben gespeeld. Dit is opvallend, omdat in bijvoorbeeld de sculptuur wél concrete aanwijzingen bestaan voor Griekse invloeden. Terwijl er zeker wederzijdse culturele beïnvloeding was, weten we dus niet of er ook wijsgerig gezien echte directe invloed is geweest.
Invloeden tussen India en China
Bewijsbare invloed van de Indische filosofie op die van China is er wel, zij het dat deze van latere datum is. In de tweede eeuw v.Chr. zien we dat in een van de Chinese scholen Indische opvattingen over kosmologie worden overgenomen. Die betreffen de tijdcycli en het idee dat de werkelijkheid bestaat uit meerdere lagen, waarvan sommige onze gewone ervaring overstijgen. Deze Indische ideeën worden niet zomaar in de Chinese filosofie overgenomen, maar krijgen een eigen praktische invulling binnen de context van de Chinese gedachtewereld.
Vanaf de eerste eeuw na Chr. wordt de Indische invloed duidelijk groter: nu zien we Chinese denkers die Indiase filosofen en filosofieën becommentariëren. Met name het Mahayana-boeddhisme vindt zijn weg naar het noorden, vermengt zich met sommige takken van de Chinese filosofie, en neemt daar ook eigen nieuwe vormen aan.
De vermenging wordt daarna zo sterk, dat men in de populaire cultuur wel spreekt van de “oosterse filosofie”. Daarmee wordt miskend dat de filosofische tradities van India en China anders van oorsprong, aard, vorm en inhoud waren.
Griekse en Chinese filosofie
In een aantal aspecten lijkt de klassieke Chinese filosofie meer op de Griekse dan op de Indische. De Chinese filosofie van de Oudheid houdt zich namelijk primair bezig met politiek en maatschappij, en de plaats van het individu in de samenleving. Dit heeft ook een belangrijke plaats in de Griekse wijsbegeerte, en veel minder in de Indische filosofie. Daarmee zijn de antieke Grieks/Romeinse en de Chinese filosofie ook veel praktischer dan de Indische.
Dat Griekenland en China filosofisch met elkaar in contact hebben gestaan, is echter onwaarschijnlijk. Hoewel in beide tradities de maatschappijinrichting een onderwerp is, zijn ze qua inhoud behoorlijk verschillend. Daarnaast hebben deze tradities een ander einddoel. De Griekse filosofie evolueerde van een zoektocht naar waarheid naar een focus op persoonlijk geluk. De Chinese filosofie was primair gericht op het bereiken van maatschappelijke orde en harmonie.
De voorlopige conclusie
Samenvattend zijn er aanwijzingen dat de drie culturele filosofische tradities in contact zijn geweest. Die contacten waren echter oppervlakkig, en verliepen altijd vanuit India naar de andere gebieden.
De traditionele stelling is, zoals gezegd, dat de drie filosofieën bijna gelijktijdig en volledig onafhankelijk zijn ontstaan. Ik sluit niet uit dat deze stelling meer dan nu bediscussieerd zal worden; gezien de resultaten van de DNA-revolutie, waaruit blijkt dat mensen destijds mobieler waren dan we dachten, ligt het voor de hand dat ook ideeën reisden. Dat filosofen niet naar de andere kant van de wereld reisden en er daar een school stichtten, betekent natuurlijk niet dat gedachten niet met karavanen tussen Oost en West heen en weer reisden. En met de vele nog ongepubliceerde documenten, kan het zijn dat er in de toekomst nog eens wat moois gevonden wordt.
De volgende keer gaan we kijken naar de Chinese filosofie, en dan beginnen we bij het begin, of zelfs daarvoor: de tijd vóór er sprake was van enige vorm van filosofie.
[Deze gastbijdrage van Kees Alders, auteur van De wereld vóór God, wordt overovermorgen vervolgd. Bedankt Kees!]

De Cyruscilinder
Nederlandse Kelten
Hoplieten
Onderstaande passage is mij niet duidelijk. Is “wijsgerige ontwikkeling” soms een slip of the pen?
Dit is opvallend, omdat in bijvoorbeeld de sculptuur wél concrete aanwijzingen voor Griekse invloeden bestaan. Terwijl de wijsgerige ontwikkeling parallellen kent en er zeker wederzijdse culturele beïnvloeding was, weten we niet of er ook wijsgerig gezien echte directe invloed is geweest.
Dat was inderdaad een omslachtige onduidelijke alinea geworden. Ik heb hem nu aangepast en ingekort en hoop dat het zo duidelijker is. Dank!
Zeer boeiend, vooral omdat ik zelf volop bezig ben de mogelijke kruisbestuiving te bestuderen tussen die drie culturen, in het kader van de mythografie rond Herakles. Mijn bronnen zijn (nog) minder optimistisch over mogelijke overdracht. Net zoals jij zie ik dat die beperkt blijft tot de iconografie maar literair onbewezen is, soms zelfs onmogelijk (geen kennis van mekaars schriftuur) en dus nog speculatievere agents nodig heeft zoals de Feniciërs. De orale overlevering kunnen we niet nagaan behalve door structurele gelijkenissen te turven, wat altijd spitsroedenlopen is. Om de hoek loert de controversiële monomythe met al z’n selective bias.
Beckwith heeft een boek geschreven, “Greek Buddha”, waarin hij heel veel parallellen aanwijst tussen hellenisme en boeddhisme. Ik kan de inhoud niet beoordelen.
Het is online beschikbaar. Ik heb het gedownload, maar 300 pp is veel om er eventjes door te trekken. Maar het kan Kees zeker interesseren. Uit de eerste pp leid ik af dat Beckwith de these van 3 afzonderlijke culturen die pas laat met elkaar in contact zijn gekomen, weerlegt. De centrale figuur in het boek is Pyrrho.
https://dn710007.ca.archive.org/0/items/beckwith-2015-greek-buddha/Beckwith%202015%20Greek%20Buddha.pdf
Het hoeft mi. geen kruisbestuiving te zijn. Parallele evolutie is niet alleen biologisch maar ook cultureel mogelijk
Dat is bij structurele gelijkenissen dus de hamvraag:
– was er beïnvloeding?
– is er een “kern van waarheid” die noopt tot vergelijkbare ontwikkeling?
– of is het toeval? ttz zijn de gevonden gelijkenissen onderhevig aan selection bias?
Bij het rationele denken is die kern van waarheid plausibeler dan bij mythologie (de oermythe) of religie. Dat maakt de vergelijking van mythen tot een intellectueel mijnenveld.