[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier.]
Toen de Egyptenaren het koninkrijk Kush onderwierpen, troffen zij een tafelberg aan, waar aan de voorkant (d.w.z. de Nijl-kant) een smalle rotsformatie uitsteekt. Deze werd prompt geïdentificeerd als een ureus, een opstaande cobra. Dit symbool, de ureus, is verbonden met het koningschap en met de godheid Amun. De berg werd gezien als het zuidelijke huis van de god, en de Egyptenaren bouwden aldus een tempel aan de voet van de berg, en meenden dat hun onderwerping van Kush door de goden was gerechtvaardigd.
[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier.]
Een vorige keer vertelde ik al over de huisbaas Suleyman. De beste man heeft een flink aantal akkers rond het huis en in de buurt, die hij bevloeit met water dat wordt opgepompt uit de aquifer. De vruchtbare Nijlafzettingen doen de rest. Hij verbouwt bonen en als ik me niet vergis millet. Rond de velden staan dadelpalmen en dom-palmen. Er is zelfs een limoenboom. Naast de akkers heeft hij ook een flink aantal dieren, o.a. ezels, geiten, schapen, kippen en kamelen. Op de dieren is hij bijzonder trots, en deze laat hij dus ook graag aan ons zien. Hij heeft ook goed door dat vooral de jonge dieren populair zijn, vooral bij de dames in ons team.
[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier.]
Gelukkig Nieuwjaar allemaal! Onze oudejaarsviering bestond uit een kampvuurtje aan de voet van een duin ergens n de woestijn. Je weet wel, zo’n zandduin met een messcherpe rand. Af en toe kan het hier werkelijk adembenemend mooi zijn. ’s Nachts komt er nu geen maan op, waardoor het sterrenspektakel zijn weerga niet kent. Al met al een vrij bijzondere manier om het nieuwe jaar in te luiden. Voor het gemak vergeet ik maar even dat slapen in de woestijn wederom heel onaangenaam was. De zonsopgang liggend op een duin, dat maakte het echter meer dan waar.
Op de grens van de Nijlvallei (links) en de woestijn (rechts)
[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier.]
De mensen hier zijn echt geweldig aardig. Soedan is een islamitisch land met Sharia-wetgeving, en dat klinkt voor de gemiddelde westerling heel eng. De dagelijkse praktijk ervaar ik hier in elk geval anders. Uiteindelijk betekent het niet veel meer dan een beetje rekening houden met lokale gebruiken en dat je je niet te storend gedraagt. Gewoon, als een fatsoenlijke gast dus. Buitenlanders zijn vrij schaars in dit land, en al helemaal in de uithoek waar wij ons bevinden. Dit heeft tot gevolg dat de mensen hier buitengewoon goede gastheren (en dames) zijn, en dat maakt het ons alleen maar gemakkelijk.
[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier; dit stukje schrijf hij op 26 december.]
Als in de 6e eeuw v Chr. Cambyses Egypte toevoegt aan het Achaemenidenrijk, stuurt hij ook gezanten naar Kush, met het gebruikelijke verzoek tot symbolische onderwerping in de vorm van een kluit aarde en een kruik water. De heerser van Kush stuurt echter een ongespannen boog mee terug met de mededeling: ‘zodra je in staat bent deze boog te spannen, dan ben je in staat Kush te onderwerpen’. In elk geval, dit is een van de legenden over Kush, die gelijk verwijst naar de vermaardheid van de boogschutters van Kush. De werkelijke situatie in Kush is grotendeels onbekend.
Nadat de Farao’s van de 25e dynastie uit Egypte worden verdreven door de Assyriërs, verdwijnt Kush eigenlijk een beetje uit het oog. Dit komt voor een groot deel door de chaotische situatie in Egypte, waar uiteindelijk het gebrek aan centraal gezag wordt gevuld door de Achaemeniden. Naast de legende over Cambyses zijn er nog tal van andere kleine of indirecte verwijzingen naar Kush. Zo zou farao Psametichos II Griekse huurlingen hebben ingezet in een strafexpeditie richting Kush, getuige de graffiti van Griekse huurlingen op de knieën van de collosale beelden van de Abu Simbel. En als Herodotus het enorme leger van Xerxes beschrijft, noemt hij ook Ethiopiërs, die voor de helft rood en de andere helft wit beschilderd zijn, en die lange bogen dragen en pijlen gebruiken met stenen punten. Herodotus’ Ethiopiërs zijn hoogstwaarschijnlijk krijgers uit Kush.
[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier; dit keer – in een stukje geschreven op 21 december – vertelt hij over zijn dagelijkse werkzaamheden.]
Bij archeologie denkt men vaak aan geleerd doende mensen die met oeverloos geduld bodemschatten schoon kwasten. Iemand die in Nederland wel eens een opgraving heeft bezocht zal wel genezen zijn van dit beeld en hebben gezien dat archeologie gepaard gaat met veel regen, modder, laarzen, grote schoppen, en graafmachines. Daarnaast zal deze persoon ook wel begrijpen dat de bodemschatten toch voor het merendeel bestaan uit nogal onooglijke stukjes aardewerk. Het beeld van projecten in verre landen is vaak nog iets exotischer. Men verwacht dat de bodemschatten spectaculairder zijn en dat we op een constante spanningsboog zitten van nieuwe ontdekkingen. Maar, helaas, ik kan u vertellen dat archeologische opgravingen in landen zoals Soedan een veel lager Indiana Jones-gehalte hebben dan veel mensen hopen. We vinden wel meer dingen, en vaak ook beter geconserveerd, en zelfs het kwastje komt wel eens tevoorschijn, maar het merendeel van het werk is monotoon, en het merendeel van de vondsten onooglijk.
De dag begint met de dageraad. Rond half 7 staan we op, hebben we een kop thee, en tegen 7 uur vertrekt het veldteam naar de site. Ik blijf meestal achter in het opgravingshuis om vondstmateriaal te verwerken. Dit bestaat uit het tellen, opmeten, en wegen van de vondsten en dit documenteren. Ik ben vooral bezig met het aardewerk, wat inhoud dat ik tegelijk een rudimentaire catalogus opmaak van alle aangetroffen aardwerkvormen, kleimageringen, en decoratiewijzen (en motieven). De vormen maak ik ook schaaltekeningen van. De bedoeling is dat deze veldcatalogus gekoppeld wordt aan eerder uitgevoerd aardewerkonderzoek, gepubliceerd door Isabella Welsby Sjöström. Tegen een uur of een komt het veldteam terug en hebben we lunch. Tot een uur of vier hebben we dan vrij, bijvoorbeeld om dagboeken bij te houden, waarna we weer tot zes uur werken. Tegen een uur of zeven is het alweer donker, hebben we avondeten, en rest ons weinig dan naar bed te gaan.
[Ook vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier; dit keer – in een stukje geschreven op 16 december – vertelt hij over zijn aankomst op de opgraving en het project zelf.]
We zijn nu ongeveer een week op locatie. Het inrichten van het huis gebeurt gestaag. We hebben nu een paar uur per dag elektriciteit en kunnen ook ongeveer een keer per dag onze watervoorraad aanvullen. Dit water is afkomstig uit een waterhoudend gesteente (aquifer) op grofweg twintig meter diepte. Het komt kraakhelder maar warm uit de grond. Hoewel het waarschijnlijk veilig is om te drinken nemen we geen risico’s en filteren we het. De temperatuur is wel fijn bij het wassen! Het toilet is zojuist afgebouwd, maar de douches zijn nog in aanbouw. De omstandigheden zijn niet optimaal, maar dat hoort eigenlijk wel bij dit soort projecten. Het vervelendste is wel dat het moeilijk communiceren is met het thuisfront.
[Vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Het eerste stukje is hier; dit keer – in een stukje geschreven op 11 december – vertelt hij over zijn aankomst op de opgraving en het project zelf.]
We hebben nu een paar dagen reizen achter de rug. Vanaf Khartoum zijn we als konvooi van drie Landrovers de Nijl overgestoken naar Omdurman. Na de chaos die Omdurman heet, zijn we dwars door de Libische woestijn overgestoken richting Kareima. Gelukkig is dat hele stuk nu geasfalteerd, wat de reis prima te doen maakte. Zeven jaar geleden was het niets dan woestijn en daardoor een stuk vervelender. We hadden vertraging opgelopen door enige administratieve rompslomp, zodat we wisten dat we niet voor zonsondergang Kawa zouden bereiken.
Khartoum: de samenvloeiing van de Blauwe en de Witte Nijl
[Vandaag geef ik het woord aan Edwin de Vries, een van de medewerkers van Livius maar momenteel als archeoloog actief in Soedan. Dit keer vertelt hij over zijn aankomst in het land.]
Eergisteren zat ik nog aan de ambachtelijke kruidkoek bij een gezellige Sinterklaasviering, nu zit ik alweer in Khartoum, de hoofdstad van Soedan. Knus winterweer heeft plaats gemaakt oor tropische warmte. Ik ben er een keer eerder geweest voor een project en wat ik me vooral herinner is dat het totale chaos was, maar dat uiteindelijk alles toch wel weer op z’n pootjes terecht kwam. Ik vond de mensen mooi, om te zien, maar vooral ook om hun uitnodigende vriendelijkheid. Naast wat eigenaardigheden, waar ik in een later stukje misschien wat meer over zal vertellen, was het ‘aangenaam rommelig’ te noemen.
[Dit is het zevende van twaalf stukjes over de antieke charismatische wijze Apollonios van Tyana, die ik presenteer ter gelegenheid van de verschijning van de door mijn vriendin Simone Mooij gemaakte vertaling van Filostratos’ Leven van Apollonios. Het eerste stukje is hier.]
Tot nu toe hebben we de bronnen over Apollonios behandeld waarvan het bestaan aannemelijk kon worden gemaakt door middel van teksten buiten het Leven van Apollonios. Steeds bleken Filostratos’ bronnen te bestaan en niemand heeft ooit beweerd dat de teksten van Moiragenes of de Brieven van Apollonios niet hebben bestaan. Dat ligt anders voor De resten uit de ruif van Apollonios’ discipel Damis van Nineve, die Filostratos ter hand zouden zijn gesteld door keizerin Julia Domna met het verzoek de tekst zó te bewerken dat het voor fatsoenlijk Grieks kon doorgaan.
Hoewel dit alleszins plausibel klinkt, zijn de meeste onderzoekers ervan overtuigd dat de memoires van de Assyriër een verzinsel zijn van Filostratos. Er is geen extern bewijs dat deze tekst en deze auteur hebben bestaan. Er is inderdaad iets te zeggen voor de hypothese dat “Damis” een vervalsing is en het is verontrustend dat juist uit de pythagorese filosofische traditie nogal wat vervalste “oude” teksten bekend zijn. De mogelijkheid dat Damis een vervalsing is, wil echter niet zeggen dat ze dit ook feitelijk is. Laten we eens verder kijken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.