Pieter Bruegel, Landschap met de Val van Icarus (Museum voor Schone Kunsten, Brussel)
“Over het lijden zaten ze er nooit naast, de Oude Meesters”, zoals Auden schreef over een van ’s werelds mooiste schilderijen. Maar museumconservatoren kunnen er behoorlijk naast zitten: ik lees net dat is gebleken dat “De Val van Icarus” niet is geschilderd door Pieter Bruegel. Dat hebben onderzoekers vastgesteld, maar veel details worden niet gegeven. Het berichtje in De Morgen bevat alleen de conclusie: “Materiaalonderzoek toont onder meer aan dat … het originele doek van rond 1600 dateert. Bruegel stierf in 1569.”
Gek genoeg verandert dat iets, zoals het ook uitmaakt dat “De Man met de Gouden Helm” niet is geschilderd door Rembrandt. Welbeschouwd zou het met schilderijen zo moeten zijn als met romans, dat het niet uitmaakt wie de maker is, maar ik voor mij ervaar dat anders. Bizar.
Een prostituee en haar klant. De fresco is afkomstig uit een bordeel in Pompeii; hier is de afbeelding seksueel bedoeld. Maar dat is niet altijd het geval.
De negentiende-eeuwse romanschrijvers wisten wel hoe ze een seksscène in hun boeken moesten opnemen. Als een man en een vrouw de nacht doorbrachten in een verlaten landhuis en er een storm opstak, dan wist de lezer wel hoe laat het was. Op soortgelijke wijze hadden de cinematografen van de jaren vijftig een beeldentaal om te suggereren of de vriendschap tussen twee mannen een seksuele component had: als ze de nacht doorbrachten in een motel, gaf een nachtkastje tussen de bedden de mate van fysieke intimiteit aan. Generaties romanlezers en bioscoopgangers zijn getraind seks te zien als het niet wordt getoond.
Wij kunnen ons het omgekeerde moeilijk voorstellen: dat expliciet getoonde seks symbool staat voor iets anders. Toch moet een deel van het repertoire van antieke erotische afbeeldingen op deze wijze worden uitgelegd: ook al tonen ze iets seksueels, ze staan voor iets anders.
Elke eerstejaarsstudent krijgt op een gegeven moment, meestal al in de eerste maand, uitgelegd waarom de overdracht van wetenschappelijke informatie zo moeilijk is. De onderzoeker doet het namelijk nooit goed.
Stemt zijn onderzoeksconclusie overeen met iets wat we al op onze klompen aanvoelden, dan zeggen we dat hij zich de moeite had kunnen besparen.
Ontkent de geleerde iets dat volgens ons wel het geval is, dan vinden we hem een dwarsligger.
Als hij iets beweert dat we onwaarschijnlijk achten, dan beschouwen we hem als een fantast.
Bevestigt een onderzoeker onze mening dat iets niet zo is, dan vragen we wat hem bewoog het te onderzoeken.
Van 2005 tot 2020 vatte ik het online beschikbare oudheidkundige nieuws elke maand samen en mailde dat als de Livius Nieuwsbrief naar een groeiend publiek. Uiteindelijk waren er 7900 abonnees, maar de kwaliteit van de samengevatte berichten was abominabel. Rond 2014 constateerde ik dat 40% van de online-artikelen fouten bevatte die de betrokken wetenschappers herkend behoorden te hebben. Het duurde daarna nog zes jaar tot bij mij het kwartje viel: door die informatie te delen, zelfs als ik aangaf dat het onzin was, was ik medeplichtig aan de academisch desinformatie. Dus stopte ik ermee. De oudheidkunde gaat kapot, zeker, maar het hoeft niet door onze handen te gebeuren.
Hieronder vindt u een van de nieuwsbrieven. Veel links zijn inmiddels verouderd.
Politieke onduidelijkheid troef: neem dit artikel bijvoorbeeld. Wie is er verantwoordelijk voor een omgevallen replica van een oud beeld? De emoties lopen hoog op.
Ik heb al vaker geschreven over de snelle verspreiding van slechte informatie over de geschiedenis van de Oudheid. Daar zijn verschillende oorzaken voor aan te wijzen, zoals doorgeschoten specialisme en een data-explosie, terwijl de studenten sinds de jaren tachtig te kort worden opgeleid om onjuiste informatie nog te bestrijden.
Een andere factor is de opkomst van het internet, waardoor de informatieoverdracht meer een dialoogkarakter heeft gekregen, en het bestaan van betaalsites. Zolang veel (populair)wetenschappelijke publicaties alleen tegen betaling bereikbaar zijn en activisten op bijvoorbeeld Wikipedia wél kunnen verwijzen naar hun informatiebronnen, kunnen zij de schijn wekken van controleer- en betrouwbaarheid, terwijl bona fide geleerden dat niet kunnen.
Doré’s weergave van de overbevolkte sloppen van Londen in de negentiende eeuw
[Dit is het laatste van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]
Omstreeks 1700 woonden er in Parijs ongeveer 530.000 mensen, in Londen een half miljoen, in Napels en Amsterdam 210.000, en in Rome zelf 150.000. Voor de voorindustriële tijd was de antieke hoofdstad van het Mediterrane imperium exceptioneel groot. In grote delen van de stad woonden meer dan duizend mensen op een hectare: meer dan bijvoorbeeld in het moderne Calcutta. De leefomstandigheden waren ook extreem slecht, en het is aannemelijk dat het één samenhangt met het ander.
Rome was een hypermacht: een supermacht zonder rivalen, die het zich kon veroorloven er een hoofdstad op na te houden die de opbrengst verteerde van een provincie of vijf. Verteerde: waar Parijs, Londen, Napels, Amsterdam en het achttiende-eeuwse Rome een uitgebreide nijverheid- en handelssector hadden, was deze in Rome van ondergeschikt belang (al moet het positieve effect voor de provincies van de door Rome uitgeoefende vraag niet worden onderschat). Voor zo’n halfparasitaire stad zijn parallellen: het Bagdad van de negende eeuw en Chang’an in China. Beide waren ook miljoenensteden, waar de vorsten woonden van imperia die in feite geen buitenlandse vijanden kenden.
[Dit is het zesde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]
Er waren een miljoen Romeinen en de gemiddelde levensduurverwachting was twintig jaar. Je zou concluderen dat er dus elk jaar 50.000 doden moeten worden bijgezet, maar het feitelijke aantal lag hoger. In steden liggen de sterftecijfers namelijk altijd hoger dan de geboortecijfers. Dat de stad niet wegkwijnt is omdat er vrijwel altijd een immigratieoverschot is. Statistieken voor Rome hebben we niet, maar het is misschien niet onredelijk aan te nemen dat er 45.000 kinderen werden geboren en 55.000 mensen stierven. Zulke cijfers passen althans goed bij andere voorindustriële steden.
Van de baby’s stierf een derde binnen een jaar: de normale zuigelingensterfte in een voor- en vroegindustriële samenleving. Ze lijken veelal te zijn bijgezet in amforen, zoals is te zien in de necropool aan de Via Severiana. Dat laat al met al zo’n 40.000 mensen per jaar over die een crematie verdienden.
Ze zullen die niet altijd hebben gekregen. Tijdens epidemieën werden massagraven aangelegd – archeologen hebben die in de negentiende eeuw teruggevonden – maar ook onder normale omstandigheden was er niet voor iedereen een uitvaart: de allerarmsten waren een prooi voor honden en vogels. Eén van de bekendste teksten hierover, daterend uit het eerste kwart van de eerste eeuw vóór Christus, maakt deel uit van de collectie van de Capitolijnse Musea:
Praetor Lucius Sentius, zoon van Gaius, heeft met instemming van de Senaat het volgende bepaald over de plaatsing van graven. Met het oog op de volksgezondheid is het verboden lichamen te cremeren tussen deze steen en de stad. Verder is het verboden afval of kadavers te laten liggen.
Hiermee werd het probleem verplaatst. De lijken werden weliswaar uit de stad weggedragen, maar natuurlijk niet verder dan deze steen. Dat de omwonenden daar niet gelukkig mee waren blijkt wel uit de met rode verf toegevoegde opmerking ‘Dump je smeerboel verderop, tenzij je ruzie zoekt’. Het verzoek werd genegeerd: de arbeiders die de inscriptie in 1884 opgroeven, roken na twee millennia nog altijd de walgelijke lijkenlucht.
Als we het aantal zwervers gemakshalve op 10% stellen, houden we elk jaar zo’n 36.000 crematies over, wat wil zeggen dat er ergens aan de bovenloop van de Tiber – de meest voor de hand liggende plaats om het hout te kappen – elk jaar zo’n vierkante kilometer bos tegen de vlakte ging. Soortgelijke berekeningen zijn te maken voor het hout dat in de ovens van de badhuizen werd verstookt. Dat dit alles niet heeft geleid tot grootschalige ontbossing, suggereert dat er een opzichter is geweest die ervoor zorgde dat er ook bomen werden geplant.
De Monte Testaccio bestaat geheel uit scherven van amforen
[Dit is het vijfde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]
Eén miljoen mensen moeten natuurlijk ook eten. Het voornaamste levensmiddel was graan, waarvan de stad in de tijd van Trajanus tussen de 350.000 en 400.000 ton per jaar nodig zal hebben gehad. Zoals gezegd konden in de voorindustriële tijd, toen er nog geen kunstmest was, negen boeren het eten voor ongeveer tien mensen produceren. Er waren dus negen miljoen boeren nodig om Rome te voeden, en er woonden slechts zeven à acht miljoen mensen in Italië. Het graan kwam dus van overzee, en wel uit Sicilië, Tunesië en Egypte. Twee van de platbodems die bij Fiumicino zijn opgegraven zijn identiek, wat suggereert dat de transportschepen waarmee het graan uit de zeehaven werd vervoerd naar de spijkers aan de huidige Lungotevere Testaccio, in serie werden vervaardigd.
De stad had verder elk jaar zo’n 700.000 stuks vee en kleinvee nodig. Dit keer was de organisatie eenvoudig: de dieren graasden over het algemeen in de Apennijnen en Abruzzen en liepen uiteindelijk zelf wel naar het slachthuis. Er moeten niettemin vele honderden herders bij deze grootschalige veehouderij betrokken zijn geweest, en we mogen ons de grote wegen niet voorstellen zonder een stoet runderen.
[Dit is het vierde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]
Ruwweg een miljoen mensen dus – maar wat betekent zo’n getal? Om te beginnen moesten ze drinken, en met een kubieke meter water per persoon zat dat op zich wel goed. Helaas was de waterkwaliteit abominabel. Het water, dat in het vulkanische Lazio toch al rijk was aan sulfaat- en fosforverbindingen en andere zware mineralen, stroomde door kilometers lange stenen aquaducten, zodat het buitengewoon kalkrijk was tegen de tijd dat het Rome bereikte. De centimeters dikke kalkafzettingen op de bodem van de aquaductkanalen (‘travertijn’) maken wel duidelijk dat het Romeinse water niet bepaald geweldig was, en inderdaad: uit de schedels die zijn gevonden in bijvoorbeeld Herculaneum blijkt dat de bevolking van Midden-Italië zonder uitzondering leed aan tandsteen en cariës.
De onderste verdiepingen van een Romeins flatgebouw (Casa di Diana, Ostia)
[Dit is het derde van een reeks artikelen over het dagelijks leven in het antieke Rome. Het eerste is hier.]
Een alternatieve benadering van de vraag hoeveel mensen er in de Oudheid leefden in de stad Rome, is de analyse van de watervoorziening. Het komt goed uit dat Frontinus, de prefect van de aquaducten in de tijd van keizer Trajanus (reg.98-117), een boekje schreef over de waterleidingen, waarin hij ook de capaciteiten noemde. De tekst is niet helemaal zonder problemen – we weten bijvoorbeeld niet hoe groot zijn capaciteitseenheid precies was – maar het heeft er sterk de schijn van dat Rome aan het begin van de tweede eeuw iets meer dan een miljoen kubieke meter per dag verbruikte.
Wanneer we nu zouden uitgaan van het watergebruik van de gemiddelde Nederlander of Vlaming (133 liter/dag), dan leefden er ongeveer 7½ miljoen mensen in Rome. Dit kan natuurlijk onmogelijk kloppen. Er woonden vermoedelijk zo’n zeventig tot tachtig miljoen mensen in het Romeinse Rijk, terwijl in de tijd vóór de invoering van de aardappel negen boeren gemiddeld genoeg voedsel produceerden voor tien mensen. Als er 7½ miljoen mensen in Rome leefden, produceerde elke Mediterrane boer voor de hoofdstad en konden er geen andere steden bestaan. Aangezien dit evident wel het geval is geweest, moet Rome minder dan 7½ miljoen inwoners hebben gehad, en kunnen we concluderen dat de gemiddelde Romein meer water verbruikte dan de gemiddelde West-Europeaan.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.