De oude Grieken hadden verhalen over een legendarische held Mopsos, die werkte als ziener in Klaros, in het westen van het huidige Turkije. Na de verwoesting van Troje zou hij de gastheer zijn geweest van enkele Griekse krijgers, waaronder de Griekse waarzegger Kalchas. De twee futurologen deden een wedstrijdje wie het meeste wist, en kort nadat Mopsos had gewonnen, overleed Kalchas.
Daarop trok Mopsos naar het oosten, richting Syrië en Fenicië. In Cilicië zou hij enkele steden hebben gesticht, zoals Mopsoukrenai (“Mopsosbronnen”) en Mopsouestia (“Mopsoshaard”). Volgens de Grieks-Romeinse geograaf Strabon regeerde de ziener vanuit de stad Mallos, ten zuidoosten van het huidige Adana; Ploutarchos meldt dat er in zijn tijd, begin tweede eeuw na Chr., in Cilicië nog een orakel van Mopsos was.
Koning Suppiluliuma van Kinalua (Archeologisch museum, Antakya)
De grens tussen Syrië en Turkije loopt als een min of meer rechte lijn van oost naar west, maar vlak voor de Middellandse Zee buigt ’ie ineens naar het zuiden en weer naar het westen. Alsof er ineens iets is weggezakt. Dat iets is vooral de stad Antiochië, gesticht rond 307 v.Chr., Er zijn in dit wegzaksel echter ook oudere nederzettingen. Een daarvan is Tell Tayinat, vanuit Antiochië bezien iets stroomopwaarts aan de Orontes. Het stadje, dat ooit Kinalua heette, was al bewoond in de Vroege Bronstijd en zal wel hebben geprofiteerd van de handel tussen de kust en de verder naar het binnenland gelegen steden als Karchemiš, Aleppo en Mari.
Zoals op deze blog wel vaker verteld, raakte het Bronstijdsysteem na 1200 v.Chr. in de problemen (de “Zeevolken”). Het rijk van de Hittieten, waartoe Kinalua had behoord, ging ten onder. Een nabijgelegen havenstad als Ugarit werd verwoest en verlaten. Kinalua, dat veilig ver van de kust lag, profiteerde ervan en werd nu een belangrijke stad, waar koningen resideerden die regeerden over een vrij grote regio. Aleppo behoorde zeker tot dit IJzertijdkoninkrijk, mogelijk ook Hama, dat 200 kilometer zuidelijker lag.
Inscriptie van Suppiluliuma II in Hiërogliefisch Luwisch (Hattusa)
Er gaan dagen voorbij waarin ik niet denk aan de vraag of het Proto-Anatolisch afstamt van het Proto-Indo-Europees of dat het Proto-Indo-Europees en het Proto-Anatolisch een gedeelde voorouder hebben. Ik ontmoette vorige maand iemand die daar wel dagelijks aan denkt: Alwin Kloekhorst van de universiteit in Leiden. Eerst ga ik u vertellen wat hij me over het onderwerp vertelde, daarna zal ik u uitleggen waarom het uitmaakt. Maar eerst even wat achtergrond.
Proto-Indo-Europees
De reconstructie van het Proto-Indo-Europees is, en ik overdrijf niet, een van de grootste prestaties uit de geesteswetenschappen aller tijden. Het gaat om het inzicht dat vrijwel alle talen in Europa, een groot aantal talen uit Centraal-Eurazië, plus enkele Iraanse en Indische talen afstammen van één oertaal. De talen in die familie noemen we Indo-Europees en de gereconstrueerde oertaal heet Proto-Indo-Europees.
Hiëroglyfisch-Luwische inscriptie (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)
Onderwijs over het Indo-Europees en de bijbehorende geschiedenis zou, zoals de Leidse taalkundige Stefan Norbruis onlangs stelde in een proefschrift over de Anatolische talen, standaardonderdeel moeten zijn van het middelbare-school-curriculum. De ontdekking van deze oertaal is een van de grootste prestaties uit de negentiende-eeuwse geesteswetenschappen. Hier is alvast een filmpje waarover ik nog eens zal bloggen.
In de twintigste eeuw is geprobeerd de samenleving van de eerste sprekers te reconstrueren. Dat kan door bijvoorbeeld te kijken naar de gedeelde woordenschat. Daarin zijn bijvoorbeeld diverse namen aanwezig voor flora en fauna, die een aanwijzing vormen voor een Urheimat, terwijl de woorden voor bijvoorbeeld koning, ploeg en wiel duiden op zaken die archeologisch terug te vinden zijn: koningsgraven, landbouw en wagens.
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
Rond 1983 werd de Manapa-Tarhunta-brief gevonden. De inhoud lag in het verlengde van wat al bekend was over de relaties tussen de Hittieten en het westen: het bevestigde een paar zaken en voegde er nog wat aan toe. Ik zal het totaalbeeld in het volgende stukje schetsen. De crux is dat een Hittitische leger oprukt naar Wiluša en daarbij eerst het zogeheten Seha-land aandoet. Omdat dit de vallei is van een van de rivieren in het westen van het huidige Turkije, moest Wiluša dus in die richting liggen en eigenlijk was alleen het noordwesten van mogelijk. Steeds meer wetenschappers accepteerden nu Forrers vermoeden dat Wiluša gelijk was aan Troje.
De geografische aanwijzing was niet de eerste. Welbeschouwd lag het bewijsmateriaal al een tijdje op tafel, maar soms is een zetje nodig om het te aanvaarden. Om te beginnen was er de dubbele naamovereenkomst: het Wiluša en Taruwiša uit de Hittitische bronnen correspondeerden met het Ilios en Troia uit de Griekse teksten. Blijkbaar had de stad twee namen. Er was de naam van de koning, Alaksandus, die sterk lijkt op de naam van de Homerische held Alexandros, en bovendien was er de naam Apalliunas, die overeenkomt met de Apollo die in de Ilias de stad beschermt.
Teksten als deze uit inscriptie van Suppiluliuma II uit Hattusa wierpen licht op de Trojaanse Oorlog.
[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]
De Hittieten waren lange tijd alleen bekend uit de Bijbel, waarin ze verschillende keren worden genoemd. Uit die beschrijvingen valt af te leiden dat ze ergens tussen de rivier de Eufraat en het Libanongebergte woonden en een machtig volk waren: volgens 2 Koningen 7.6-7 was het geluid van de nadering van de Hittitische koning al voldoende om Israëls vijanden op de vlucht te doen slaan.
Met de ontcijfering van het hiërogliefenschrift begon daar informatie bij te komen. Uit de historische verslagen van de farao’s van de Achttiende en Negentiende Dynastie bleek dat zij contact hadden met de bewoners van het land “Cheta”, ergens in het noorden. In zijn vijfde regeringsjaar (1274 v.Chr.) zou Ramses II de Hittieten hebben verslagen in de Slag bij Kadesh, en in zijn eenentwintigste regeringsjaar (1258 v.Chr.) had hij vrede met hen getekend. Spijkerschriftteksten bevestigden dat ook de Assyriërs de Hittieten kenden. Ze onderhielden in deze tijd contacten met de stad Karchemis in “het land Hatti”.
Het bovenstaande voorwerp, een soort grote CD van gebakken klei waarop in een spiraal een pictografische inscriptie is aangebracht, is een van de beroemdste voorwerpen uit de Griekse Bronstijd. Deze schijf, te zien in het museum van Heraklion, werd in 1908 gevonden bij een heiligdom te Faistos (op Kreta) en ook een eeuw later zijn de tekens volkomen onbegrijpelijk.
Die tekens zijn in de klei gedrukt met stempeltjes. Voor dat procedé bestaan geen antieke parallellen en omdat er niets is dat erop lijkt, valt de schijf van Faistos niet te dateren aan de hand van vergelijkingsmateriaal. Het opgravingsrapport helpt niet: het is geschreven in een tijd waarin archeologen minder vergelijkingsmateriaal hadden dan wij, en moderne onderzoekers hebben geopperd dat de opgravers zich kunnen hebben vergist. Dat de chronologie van Bronstijd-Kreta een grote rommel is, maakt het er niet beter op.
Een typische schenkkan uit het Oude Rijk van de Hittieten; museum van Hattusa
[Dit is het derde deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]
Aan het Rijk van de Hittieten herinneren talloze monumenten in centraal-Turkije. De voornaamste nederzetting was natuurlijk de hoofdstad Hattusa, niet ver ten oosten van Ankara. Er is een deel van de Hittitische stadsmuur gereconstrueerd en daarnaast ligt een gigantisch tempelcomplex, dat dateert uit de tijd van het Oude Rijk: de periode tot ongeveer 1400. Daaruit stamt ook de koningsburcht, hoewel de bebouwing die daarop nu is te zien, dateert uit het Nieuwe Rijk, ruwweg de periode 1400-1200. Ik beken dat ik die burcht wat tegen vind vallen.
Hattusa werd in de veertiende eeuw uitgebreid met een bovenstad. Als de graansilo’s (wel opgegraven maar niet meer te bezichtigen) een aanwijzing vormen, woonden er in deze tijd zo’n 30.000 mensen. In de bovenstad zijn opvallend veel tempels zijn gevonden en ik vind de gedachte aantrekkelijk dat het tevens de ambassades waren van de steden die de goden vereerden die ook in deze tempels hun huis hadden. De stadsmuur om de bovenstad was voorzien van drie poorten: de Leeuwenpoort, de Sfinxenpoort en de Koningspoort. Alleen de laatste heeft een logische locatie, de twee andere zijn onpraktisch geplaatst en het zou me niet verbazen als ze alleen werden gebruikt bij speciale gelegenheden.
“Zonneschijf” uit Alacahöyük, nu in het museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara.
[Dit is het tweede deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]
De opkomst van de steden en het ontstaan van de staat vonden plaats tijdens de overgang van de Kopertijd naar de Vroege Bronstijd, zo rond 3000 v.Chr. Rond 2750 ging Arslantepe ten onder. De opgraving van Alacahöyük documenteert de tweede helft van het Vroeg Brons. Er zijn dertien koningsgraven gevonden – vijf ervan zijn momenteel te zien – waarin wonderlijke bronzen of zilveren voorwerpen zijn opgegraven die, om het oneerbiedig te zeggen, nog het meest lijken op mattenkloppers. Men noemt ze “zonneschijven”, maar dat is omdat we niet weten wat ze wél zijn.
Tegen het einde van de Vroege Bronstijd trokken nieuwe volken Anatolië binnen, die Indo-Europese talen spraken. Daarvan stammen drie talen uit de historische periode af: het Luwisch, dat we later aantreffen in het zuiden en westen van Turkije (bijvoorbeeld in Troje), een daarmee verwante taal die in een eigen schrift werd geschreven en daarom “hiërogliefisch Luwisch” wordt genoemd, en de taal van de Hittieten.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.