Faits divers (49)

De berg Nemrud

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: de reconstructie van het Proto-Indo-Europees, Anatolië, falend erfgoedbeleid en een tof proefschrift.

Medeklinkers

Ferdinand de Saussure, de beroemde taalkundige, debuteerde in 1879 met Mémoire sur le système primitif des voyelles dans les langues indo-européennes, waarin hij uitlegde dat het Proto-Indo-Europees drie medeklinkers moest hebben gekend die sindsdien waren verdwenen. De hypothese, die bekendstaat als de laryngaaltheorie, was omstreden maar werd bevestigd toen Bedřich Hrozný het Hittitisch ontcijferde, de eerste van inmiddels minimaal negen Anatolische talen. Aron Groot schreef een mooie uitleg.

Lees verder “Faits divers (49)”

De Urheimat van het Proto-Indo-Anatolisch

De twee takken van het Proto-Indo-Anatolisch

Ik vertelde onlangs dat het er sterk op lijkt dat het Proto-Indo-Europees en het Proto-Anatolisch afstammen van dezelfde oertaal, die linguïsten aanduiden als Proto-Indo-Anatolisch ofwel PIA. Voor deze constatering is zowel taalkundig als DNA-bewijs.

Nu zijn er aanzienlijke verschillen tussen deze twee prototalen. Ik vertelde al eens dat de Indo-Europese talen drie woordgeslachten hebben en de Anatolische talen twee. Zo’n groot verschil kan niet zijn ontstaan in drie of vier generaties. Taalkundigen denken daarom dat er een paar eeuwen zijn verstreken tussen de tijd waarin we beide prototalen moeten plaatsen (zeg tweede helft vierde millennium v.Chr.) en de tijd van hun gedeelde voorganger. Dat zal de tweede helft van het vijfde millennium zijn geweest. Zie het stamboompje hierboven. En nieuwsgierig als we zijn, zouden we willen weten op welke plek dat Proto-Indo-Anatolisch gesproken is geweest. Anders geformuleerd: waar was de Urheimat van het PIA?

Lees verder “De Urheimat van het Proto-Indo-Anatolisch”

De “Urheimat” van de Indo-Europese talen

Bronzen bijlen uit het archeologisch museum van Burgas. De makers spraken een vroege vorm van Indo-Europees.

Vorige week vertelde Gert Knepper al over de ontdekking en reconstructie van het Proto-Indo-Europees, de moedertaal van allerlei Europese en Aziatische talen. Die talen worden inmiddels ook gesproken in Afrika, Amerika en Australië, en dat komt doordat migranten hun linguïstische erfgoed meenamen. Zo komen allerlei nieuwe vragen op: door welke migraties zijn de Indo-Europese talen over Europa en Azië verspreid, wat was het herkomstgebied, waren er andere mechanismen?

Ik wil het vandaag hebben over de tweede vraag, die naar de zogeheten Urheimat. En die vraag roept weer deelvragen op: wie wil weten waar de eerste sprekers van een taal woonden, zal moeten weten wanneer die leefden.

Lees verder “De “Urheimat” van de Indo-Europese talen”

Proto-Indo-Europees en Proto-Anatolisch

Inscriptie van Suppiluliuma II in Hiërogliefisch Luwisch (Hattusa)

Er gaan dagen voorbij waarin ik niet denk aan de vraag of het Proto-Anatolisch afstamt van het Proto-Indo-Europees of dat het Proto-Indo-Europees en het Proto-Anatolisch een gedeelde voorouder hebben. Ik ontmoette vorige maand iemand die daar wel dagelijks aan denkt: Alwin Kloekhorst van de universiteit in Leiden. Eerst ga ik u vertellen wat hij me over het onderwerp vertelde, daarna zal ik u uitleggen waarom het uitmaakt. Maar eerst even wat achtergrond.

Proto-Indo-Europees

De reconstructie van het Proto-Indo-Europees is, en ik overdrijf niet, een van de grootste prestaties uit de geesteswetenschappen aller tijden. Het gaat om het inzicht dat vrijwel alle talen in Europa, een groot aantal talen uit Centraal-Eurazië, plus enkele Iraanse en Indische talen afstammen van één oertaal. De talen in die familie noemen we Indo-Europees en de gereconstrueerde oertaal heet Proto-Indo-Europees.

Lees verder “Proto-Indo-Europees en Proto-Anatolisch”

De taal van Troje (2)

De stèle van Lemnos (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

[Tweede deel van een stuk over de taal van de Trojanen. Het eerste deel was hier. Daarin legde ik uit dat er sterke aanwijzingen waren dat ten zuiden en ten oosten van Troje een Luwische taal werd gesproken, wat het aannemelijk maakt dat dit ook in Troje het geval was.]

Etruskisch?

Maar er is nog een optie: Etruskisch. Er is een oeroude (bij Herodotos gedocumenteerde) traditie dat in lang vervlogen tijden, toen de Lydiërs nog Meiones heetten, er hongersnood was en een deel van de mensen weg zeilde naar het westen om daar verder te leven als de Tyrsenoi ofwel Etrusken. De thuisblijvers zouden zich Lydiërs zijn gaan noemen.

Lees verder “De taal van Troje (2)”

De taal van Troje (1)

Het steile Troje

Hé, dat is leuk: een artikel over de taal van de oude Trojanen. Nu zegt u: “Dat is toch onzin, de taal van een legendarisch volk, je vraagt toch ook niet naar de taal van de bewoners van Atlantis?”

Maar Troje is natuurlijk niet helemáál legendarisch. Uit Hittitische teksten weten we dat in het noordwesten van Anatolië, aan de Hellespont, een staat lag die in het Hittitisch Wiluša heette. Dat is het Griekse [W]Ilios. Misschien vindt u dat wat fantasierijk, maar

  • Het wegvallen van die /w/ is een van de best gedocumenteerde aspecten van het oudste Grieks.
  • Zowel de Hittitische lettergreep –ša als de Griekse uitgang –ios duiden op een plaatsnaam.

De woorden in de twee talen verwijzen evident naar dezelfde plek. Een aardig detail is dat ook de beschrijvingen overeenkomsten hebben: steile hellingen bijvoorbeeld en dezelfde oppergod, Apollo.

Lees verder “De taal van Troje (1)”

Anatolische talen

Hiëroglyfisch-Luwische inscriptie (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Onderwijs over het Indo-Europees en de bijbehorende geschiedenis zou, zoals de Leidse taalkundige Stefan Norbruis onlangs stelde in een proefschrift over de Anatolische talen, standaardonderdeel moeten zijn van het middelbare-school-curriculum. De ontdekking van deze oertaal is een van de grootste prestaties uit de negentiende-eeuwse geesteswetenschappen. Hier is alvast een filmpje waarover ik nog eens zal bloggen.

In de twintigste eeuw is geprobeerd de samenleving van de eerste sprekers te reconstrueren. Dat kan door bijvoorbeeld te kijken naar de gedeelde woordenschat. Daarin zijn bijvoorbeeld diverse namen aanwezig voor flora en fauna, die een aanwijzing vormen voor een Urheimat, terwijl de woorden voor bijvoorbeeld koning, ploeg en wiel duiden op zaken die archeologisch terug te vinden zijn: koningsgraven, landbouw en wagens.

Lees verder “Anatolische talen”

Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “Archeologie en de Indo-Europese talen”

Frederik de Verschrikkelijke

“Daden van Anitta”: de oudst-bekende Hittitische tekst (Archeologische Musea, Istanbul)

Vandaag vieren we de 141e geboortedag van Frederik de Verschrikkelijke. Ik leg dat zo dadelijk uit, maar eerst het volgende.

Zo’n 100 kilometer ten oosten van Ankara ligt het dorpje Boğazkale. In 1834 waren daar al de ruïnes van Hattusa ontdekt, de oude hoofdstad van het Hittitische Rijk. De stad moet bestaan hebben tussen 1900 en ca. 1200 v.Chr. Spannend werd het helemaal toen in 1906 Duitse opgravers het koninklijk archief vonden: tienduizenden kleitabletten beschreven in Babylonisch spijkerschrift.

Dat zei nog niets over de taal van die tabletten: het spijkerschrift is drieduizend jaar lang in grote delen van het Nabije en Midden-Oosten in zwang gebleven om er heel verschillende talen mee te schrijven. De taal van een deel van de tabletten van Boğazkale was bekend: het was de oudst bekende Semitische taal: Akkadisch, de taal van Mesopotamië, maar ook de lingua franca van het hele Midden Oosten. Akkadisch was te lezen. Maar wat was de taal van die andere spijkerschrifttabletten? Het lag wel voor de hand dat die in het Hittitisch geschreven waren – en dus onleesbaar.

Lees verder “Frederik de Verschrikkelijke”

De Trojaanse Oorlog (3)

Mykeense dolk met fotograaf (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)
Mykeense dolk, niet per se gebruikt tijdens de Trojaanse Oorlog, met fotograaf (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

[Dit kerstweekend blog ik over de Trojaanse Oorlog. De legendarische expeditie van een coalitie van Griekse krijgers die ergens in de dertiende eeuw v.Chr. de stad Troje innamen vormt een romantisch verhaal en het onderzoek brengt diverse subdisciplines samen: klassieke talen, oude geschiedenis, archeologie, hittitologie. Allemaal redenen om u dit kerstweekend te trakteren op een longread. Het eerste deel vindt u hier.]

Aan het begin van de twintigste eeuw ontdekte de Britse archeoloog Arthur Evans op Kreta het verband tussen het oude Nabije Oosten en Mykeens Griekenland. Het paleis van Knossos dat hij opgroef, leek in weinig op de Mykeense burchten, al was het ruwweg even oud. Het leek weer wél op de paleizen die waren gevonden in de Oriënt. Ook groef Evans kleitabletten op, het oosterse schrijfmateriaal bij uitstek.

Het bleek te gaan om twee soorten schrift, zakelijk aangeduid als Lineair-A en Lineair-B. Ik heb er al eens over geblogd. Aangezien er geen “twee-schriftige” teksten werden gevonden die in zowel zo’n lineair schrift als in een al ontcijferd schrift waren geschreven, bleven de nieuw ontdekte teksten onvertaalbaar. Het raadsel werd niet opgelost toen Carl Blegen, de man die (zoals we al zagen) in Troje had gegraven, in 1939 meer Lineair-B-inscripties vond, dit keer in Pylos op de Peloponnesos.

Lees verder “De Trojaanse Oorlog (3)”