Het koninklijk huis van de Thuringers, warover ik het in het vorige blogje had, gaat terug op ene Bisin, die rond het midden van de vijfde eeuw leefde. Die naam – niet per se een herinnering aan de persoon – keert eveneens terug in de middeleeuwse plaatsnamen Bisinstede en Bisiniburg, het huidige Beesenstedt en Bösenburg, niet ver van de Elbe, waar archeologen een nederzetting hebben gevonden die ze identificeren als de burcht van een edelman.
Bisin
Misschien was “Bisin” wel een titel, want we lezen bij Gregorius van Tours over een vorstin Besina of Basina, die eerst met Bisin was getrouwd, maar hem rond 461 zou hebben verlaten om te trouwen met de Frankische vorst Childerik.noot Gregorius van Tours, Geschiedenis van de Franken 2.12. Ze was de moeder van Clovis.
Voor de oudheidkundige vormen de Germanen een probleem. Hij beschikt over de archeologische vondsten van onder meer de Jastorf-cultuur, die een IJzertijdcultuur documenteren die, in materieel opzicht, eenvoudiger was dan de aangrenzende La Tène-cultuur (“de Kelten”). Hij beschikt over Germaanse teksten, maar die zijn ontzettend laat. Ze documenteren vooral laatantieke visies op een verleden dat niet alleen legendarisch is maar ook destijds al gold als hypothetisch. En de oudheidkundige beschikt over Griekse en Romeinse bronnen, die altijd datgene weergeven wat de auteurs zelf wilden vertellen, en niet per se een compleet of zelfs maar representatief beeld bieden. Kortom, de Germanen zijn leuk.
Woonplaats
Eén van de problemen is de landkaart. Uit diverse auteurs kennen oudheidkundigen de namen van enkele stammen uit het land ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau. De wereldkaart van de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios van Alexandrië biedt de coördinaten van enkele plaatsen, en de geografische breedte is doorgaans redelijk accuraat, maar de lengte is dat niet. Belangrijker echter is dat de de verzameling namen verwijst naar diverse tijdstippen en bovendien vrijwel zeker incompleet is. Als een archeoloog dus beweert
deze vondsten zijn van de Thuringers,
bedoelt hij eigenlijk
deze vondsten zijn gedaan in een gebied waarvan we feitelijk niet weten wie er woonden maar waarop we vooralsnog het etiket “Thuringers” plakken omdat die naam nu eenmaal beschikbaar is en omdat in de buurt een Duitse regio ligt die sinds de Middeleeuwen “Thüringen” heet.
Het cruciale woord in de voorgaande volzin is “vooralsnog”: de uitspraak is ad hoc, zoals alle oudheidkundige kennis. Het is de beste hypothese om van de onvolledige en ambigue informatie chocola te maken. Aan vondsten die uit zichzelf niet zeggen aan wie ze toebehoorden, koppelen we een naam uit de verzameling waarover we beschikken. Het is weinig méér.
Een Arabische zonnewijzer (Archeologische Musea, Istanbul)
Paulus de Diaken was een achtste-eeuwse monnik uit Italië, die een geschiedenis schreef van de Langobarden. Of beter: in zijn tijd claimde de elite van noordelijk Italië – met meer of minder recht – af te stammen van de Germaanse Langobarden, en Paulus zorgde voor een respectabel verleden. Zoals in het genre gebruikelijk was, kwam het beschreven volk vanaf de randen van de aarde naar het centrum van de mediterrane wereld en werd ze stap voor stap beschaafder. De Visigoten zouden vanaf de Oostzee zijn gekomen, de Arabieren vanuit Jemen – dat werk.
En dus kwamen de Langobarden uit het hoge noorden, waar de Romeinse auteur Velleius Paterculus inderdaad een groep met die naam vermeldt,noot Velleius Paterculus, Romeinse geschiedenis 2.106.2. ergens aan de Elbe. Dat is voor Paulus echter nog niet noordelijk genoeg en dus voegt hij toe dat de Langobarden eigenlijk uit Scandinavië kwamen. Dat brengt hem dan tot een digressie over de bolvorm van de aarde, die te aardig is om niet te citeren.
Luit van der Tuuk, die u wellicht kent van zijn boeiende boeken over de Franken, Dorestad, de Friezen (e-book), Bonifatius en de Vikingen, heeft alweer een mooi boek geschreven. Het heet gewoon De Saksen, en dat is, zoals hij in de inleiding al aangeeft, een kneedbaar begrip. Eeuwenlang waren de Saksen vooral degenen die door anderen werden aangeduid als de Saksen.
De eerste Saksen
Het probleem is niet eens zozeer dat de Saksen lange tijd “people without history” zijn geweest, die zelf geen bronnen schreven. Zeker, we kennen ze aanvankelijk vooral uit de beschrijvingen van Romeinse en Frankische auteurs, die hun beschouwden als barbaarse tegenstanders. Maar het feitelijke probleem is wezenlijker. De Romeinse en Frankische bronnen zijn namelijk niet alleen vooringenomen, ze zijn voor heel schaars en heel ambigu.
Een van de betere zinnen van Titus Livius is dat Julius Caesar, toen hij de Rubico overstak, met het Dertiende Legioen “de wereld bestormde”. De slimmerik die opmerkt dat we Livius’ verslag van de Tweede Burgeroorlog niet hebben, kan het citaat vinden bij Orosius.
Caesar had de eenheid in 57 v.Chr. geformeerd, in de aanloop naar zijn aanval op de Belgische stammen in noordelijk Gallië. Het legioen stond in de achterhoede tijdens de slag aan de Sabis, de Selle in Noord-Frankrijk, waarin Caesar de Nerviërs versloeg. Later vinden we de eenheid aan de Atlantische kust en tijdens de belegering van Gergovia. Ook blij de blokkade van Alesia moet het Dertiende betrokken zijn geweest.
Met een lengte van bijna 1100 kilometer (1.094 om precies te zijn) is de Elbe, de antieke Albis, een van de langste rivieren van Europa. Hij ontspringt in Bohemen ofwel Tsjechië en stroomt vervolgens door oostelijk Duitsland naar de Noordzee. Het rotsachtige Helgoland, waar men al vanaf de Oudheid barnsteen wint, ligt tegenover de Elbemonding.
De onbekende bron
De antieke geografen wisten dat de rivier ontsprong in Bohemen, het land dat zijn naam dankte aan de Boiërs maar in historische tijden werd bewoond door de Marcomannen. De Griekse en Romeinse auteurs waren echter niet zeker van de precieze locatie van de bron. Aan het begin van de tweede eeuw schrijft de Romein Tacitus dat de rivier “ontspringt in het gebied van de Hermonduriërs” (Germania 41.2), terwijl de Grieks-Romeinse aardrijkskundige Ptolemaios van Alexandrië denkt aan het Sudetengebergte (Geografie 2.11.1).
Misverstand: De Romeinen wilden de Elbe als rijksgrens
De barbaren ten noorden van de Alpen mochten dan technisch inferieur zijn aan de Romeinen en niet hun organisatievermogen hebben, vechten konden ze. Caesar had al eens een legioen verloren, en in 9 na Chr. verloor Augustus er zelfs drie in de slag in het Teutoburgerwoud. Toen die gebeurtenis tweeduizend jaar later werd herdacht, werd steeds opnieuw gezegd dat de Romeinen na deze nederlaag het gebied opgaven dat ze hadden veroverd terwijl ze de grens van hun rijk van de Rijn naar de Elbe aan het verleggen waren. Op die wijze wilden ze de grens bekorten.
Gistermorgen vroeg stonden we aan de Elbe, niet ver ten zuiden van Hamburg. Het was een prachtige najaarsdag: de zon scheen zacht, er was nauwelijks wind, het was kraakhelder en het was heel stil. Het enige geluid kwam van het veerpontje dat een enkele auto overzette. Een groot schip voer langs. De golven klotsten zachtjes tegen de steiger. Je kon zien dat het getij van de Noordzee het peil van de rivier nog wat kon verlagen en hogen. Het was prachtig.
Dit is ongeveer de plaats waar in het jaar 6 na Chr. generaal Tiberius (de latere Romeinse keizer) met een enorm leger aankwam om oorlog te voeren tegen een stam waarvan de Romeinen daarvoor nog niet hadden gehoord, zo ver leefden ze van de Rijn: de Langobarden. De Romeinse vloot, die over de Noordzee was komen varen, voegde zich hier bij de landmacht. Een van de officieren, Velleius Paterculus, zou later herinneringen ophalen aan zijn bezoek aan de Elbe.
Het standaardverhaal over de Romeinse aanwezigheid in Germanië is ongeveer als volgt: de Romeinse generaal Drusus trok kort voor het begin van de jaartelling over de Rijn en verlegde de grens naar de Elbe, tot de Germanen in de Slag in het Teutoburgerwoud in 9 na Chr. drie legioenen vernietigden en de Romeinen zich op de Rijn terugtrokken. Daar is toen de limes ontstaan.
Hoezo, verovering van Germanië?
Dit verhaal is heel problematisch. In de eerste plaats staat nergens in de bronnen dat de Romeinen het plan hadden de Elbe als grens te nemen. De vaak geboden moderne verklaring voor dit strijdplan, dat de Elbe-grens korter zou zijn, is pure fantasie. Ze is in elk geval in strijd met wat de Romeinen zelf dachten, want volgens hun topografische inzichten zou de Elbe-grens juist langer zijn geweest. Voor wat het waard is: ik voor mij denk dat ze niet verder hebben willen oprukken dan de Weser. Het stroomgebied van de Elbe is wel verkend, maar het feit dat nog nooit een fort of zelfs maar een marskamp is gevonden tussen de twee rivieren, suggereert dat men er nooit lang kan zijn gebleven.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.