De veldslag bij Issos

Albrecht Altdorfer, De slag bij Issos (1529)
Albrecht Altdorfer, De slag bij Issos (1529)

In 340 v.Chr. intervenieerde het Perzische Rijk in Europa. Drie legers staken de Hellespont en Bosporus over en ondersteunden de stad Perinthos, die werd belegerd door de Macedonische koning Filippos II. De gebeurtenis zal weinigen hebben verbaasd. De Perzen hadden niet lang daarvoor, toen de Atheners wat al te machtig dreigden te worden, namelijk al gedreigd tweehonderd oorlogsbodems naar het Egeïsche Zee-gebied te sturen, wat de Atheners schielijks had doen inbinden. Ook Filippos nam zijn verlies – de tweede nederlaag in een koningschap dat al twintig jaar duurde – maar stuurde vanaf dat moment aan op een vergeldingscampagne in Azië.

Daartoe lokte hij eerst een conflict uit met Athene en Thebe, die hij vernederde in de slag bij Chaironeia (338). Vervolgens dwong hij de Griekse stadstaten zijn bondgenoten te worden in een campagne naar het oosten. Onnodig te zeggen dat de soldaten die zo mee zouden gaan, in feite als gijzelaars instonden voor rust in hun moedersteden.

Lees verder “De veldslag bij Issos”

Misverstand: Patroklos

Garrett Hedlund als Patroklos in de speelfilm Troy (©Warner Bros.)

De Griekse literatuur begint met de Ilias, het prachtige gedicht van de legendarische bard Homeros over de heldhaftige Achilleus die, na een belediging, weigert nog langer deel te nemen aan de Trojaanse Oorlog, wat tot gevolg heeft dat ontelbare soldaten de prooi worden van vogels en honden. Als echter ook zijn vriend Patroklos sneuvelt, is Achilleus’ woede zó groot dat hij zich over zijn rancune heen zet en weer meevecht om zo wraak te nemen op degene die Patroklos doodde, de Trojaanse kampioen Hektor.

Het verhaal is naverteld, geparodieerd, als opera en ballet opgevoerd, en ook verschillende keren verfilmd. Een voorbeeld is de speelfilm Troy (2004), waarin er zó nadrukkelijk op wordt gewezen dat Achilleus en Patroklos neven waren, dat het de kijker ging storen. Het zal er, zoals verschillende recensenten destijds opperden, mee te maken hebben gehad dat het slecht zou zijn geweest voor de bezoekerscijfers als de film leek te gaan over homoseksuele geliefden, want dat is hoe Achilleus en Patroklos vooral bekendstaan.

Lees verder “Misverstand: Patroklos”

De musea gaan weer open

Beeld van Fortuna Redux, Thermenmuseum, Heerlen

Vandaag, dinsdag 9 juni, heropent het Thermenmuseum in Heerlen, waar u de restanten kunt zien van een Romeins badhuis. Het is immens en bewijst hoe belangrijk Heerlen ooit is geweest, iets wat ook overtuigend wordt bewezen door de nog niet zo heel erg lang geleden vernieuwde expositie. Als u al een tijdje niet naar het Thermenmuseum bent geweest, dan is dit uw kans – als u althans in de buurt woont of beschikt over een auto, want zoals u weet wordt reizen met het openbaar vervoer u momenteel nog ontraden. Automobilisten adviseer ik aan de Spoorsingel te parkeren en dan door het Maankwartier naar het museum te wandelen, dat is een leuke bonus bij een bezoek aan Heerlen.

Waarom u naar het museum moet? Om u aan cultuur te laven natuurlijk. Maar laat ik er iets aan toevoegen: de musea hebben het niet makkelijk. De steunpakketten waarmee het Nederlandse kabinet probeert de economie op de been te houden, pakken niet heel goed uit voor musea. Bedenk bovendien dat Halbe Zijlstra, de staatssecretaris van Cultuur die niet wist wat hij aan moest met “musea vol opgegraven potten en pannen”, de archeologische musea buitensporig hard heeft geraakt.

Lees verder “De musea gaan weer open”

Een Algerijnse officier in Vechten

Inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een half jaar geleden was ik op reis door Algerije en hoewel ik veel mooie dingen heb gezien, was er ook een mini-teleurstelling: terwijl ik wél de grafsteen vond van Adiutor, iemand uit Nederland die belandde in Algerije, vond ik niets over Antistius, een Romeinse bestuurder uit de tweede eeuw n.Chr. die de omgekeerde reis maakte. Er zijn in Algerije minstens twee inscripties (deze EDCS-13100076 en EDCS-16300167) maar ik heb die niet gezien. Een derde inscriptie is gevonden bij de Muur van Hadrianus (EDCS-07801373) en een vierde – hier boven – komt uit Vechten, even onder Utrecht. Die staat bekend als EDCS-11100902 en als u denkt dat ze slecht leesbaar is, heeft u gelijk, maar zie hieronder.

De jonge bestuurder

Quintus Antistius Adventus Postumius Aquilinus is rond 128 geboren in een senatoriële familie uit de Numidische stad Thibilis, halverwege Cirta en Hippo Regius, en profiteerde van het netwerk van Afrikaanse bestuurders dat in de loop van de tweede eeuw steeds meer invloed kreeg in Italië en uiteindelijk een keizer zou leveren, Septimius Severus. Uit de vier inscripties kennen we Antistius’ loopbaan, die hem kort voor 150 moet hebben gebracht naar Rome, waar hij een van de leden was van het college der vigintiviri, de beginnende magistraten, meest senatorenzonen, die ieder jaar werden benoemd. Hij was een van het viertal dat samen verantwoordelijk was voor het onderhoud van de straten in Rome.

Lees verder “Een Algerijnse officier in Vechten”

MoM | Archeologie als dienstmaagd (2)

Dionysos op de bodem van een schaal, geschilder door Exekias (Antikensammlung, München)

Salonfähig

Zoals een ongewenst kind soms ouderliefde wil verwerven door zich voorbeeldig te gedragen en daardoor een allesbehalve normale ontwikkeling doormaakt, zo zag de klassieke archeologie in het laatste kwart van de negentiende eeuw af van een normale, wetenschappelijke ontwikkeling om toch vooral maar salonfähig te worden. Omdat het bruuskeren van de invloedrijke classici geen doel diende, was het een absoluut vereiste dat de archeologische nieuwlichters niet zouden pretenderen de bestudering van het verleden te kunnen verbeteren. Er mocht niet worden gesleuteld aan de klassieke stelling dat de Grieks-Romeinse Oudheid een belangrijke ervaring was van de gehele mensheid, waarin de eeuwige waarden waren vastgelegd die op de gymnasia werden onderwezen.

Het gevolg was dat archeologen hun materiaal zó gingen presenteren dat het deels betekenisloos werd. Ze zochten naar kunstwerken die bruikbaar waren om al bestaande opvattingen over artistieke en politieke vrijheid te bevestigen. De vondsten vormden geen aanleiding voor vernieuwend onderzoek. Archeologen boden in feite Winckelmann maar dan met nieuwe plaatjes bij het oude praatje over de groei naar grotere natuurgetrouwheid, over artistieke vrijheid, over politieke vrijheid en over de superieure Griekse cultuur.

Lees verder “MoM | Archeologie als dienstmaagd (2)”

MoM | Archeologie als dienstmaagd (1)

Aardewerk uit Troje VIIb (Archeologische musea, Istanbul)

Ik spreek weleens op gymnasia – altijd leuk om te doen – en meestal leidt een leraar klassieke talen of een docent geschiedenis me dan in. Bij zo’n gelegenheid typeerde een jonge classicus me vorig jaar als archeoloog, om te vervolgen met een opmerking die ik, nu ik dit stukje schrijf, niet precies herinner, maar die erop neerkwam dat archeologie ondergeschikt was aan het echte werk, dat van de classici. Het was niet gemeen bedoeld maar riep wel de vraag op waar het idee dat er een rangorde is eigenlijk vandaan komt. Het antwoord is dat de archeologen het er zelf naar hebben gemaakt.

Schliemanns problemen

Terug naar de late negentiende eeuw, toen de archeologie als wetenschap doorbrak. Er zijn hier talloze namen te noemen maar ik neem er een die u kent: Heinrich Schliemann, die eigenlijk nauwelijks serieus werd genomen in zijn Duitse vaderland. De meeste Altertumswissenschaftler waren het er destijds over eens dat Schliemanns methode niet deugde: hij nam de Ilias te letterlijk. Ook zijn vondsten oogden nogal schamel. Kortom, de wetenschap wilde er niet aan en Schliemann vond lange tijd vooral erkenning in de Angelsaksische wereld, waar men destijds niet bepaald liep in de voorhoede van het onderzoek.

Lees verder “MoM | Archeologie als dienstmaagd (1)”

Eunuch

Koning Jehu van Israël onderwerpt zich aan Šalmanasser van Assyrië, met links en rechts twee ša-rēši (British Museum, Londen; meer)

Hoe spreek je het woord “eunuch” uit? Het was een vraag die vanmorgen op Twitter langskwam en ineens moest ik eraan denken dat als ik over dit soort ontmande hovelingen spreek, ik de juiste uitspraak ook niet weet. Spreek je de eerste lettergreep van dit van oorsprong Griekse woord uit als /ui/, zoals in “Zeus”, of als /eu/, zoals in “eucalyptus”? En leg je de klemtoon op de eerste of de tweede lettergreep? Ik weet het gewoon niet, terwijl het toch een woord is dat ik professioneel weleens gebruik.

Ondertussen zijn het interessante mensen. In het oude Assyrië heetten ze ša-rēši, wat zoiets wil zeggen als “degene die staat bij het hoofd”. Dat “hoofd” kan letterlijk worden gelezen en kan dan betekenen dat de man –  u mag hier zelf een flauwe grap maken – heel dicht bij de vorst staat: hij is het oog des konings, hij heeft het oor van de heerser, hij verneemt alles uit de mond van de monarch zelf. Misschien is echter het hoofdeinde van een bed bedoeld en was de ša-rēši niet een hoge uitvoerende beambte maar een kamerling. Het Arabische woord ra’s heeft dezelfde ambiguïteit: het betekent zowel “hoofd” als “uiteinde” (bijv. in ras al-ghul, “hoofd van de demonen”, en in de namen van kapen, zoals Ras-Shamra, Ras al-Hillal, Ras al-A’ali).

Lees verder “Eunuch”

Olielampen

Stadsgezicht op een olielamp (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

Het Römisch-Germanisches Museum in Keulen is momenteel wegens een langdurige verbouwing gesloten. Ik hoop dat als het weer open gaat, ook de studiecollectie olielampjes er weer is: ooit hingen er honderden lampjes, met allerlei afbeeldingen, zodat je een fantastisch beeld kreeg van wat de Romeinen leuke afbeeldingen vonden. Je had bloemen, mythen, erotiek, goden, dieren, voorwerpen, gladiatoren: alles wat een mens maar verzinnen kon stond wel eens op zo’n lamp.

Maar er valt met lampen meer te vertellen. Het bovenstaande plaatje is een stadsgezicht. Gevonden in Keulen (en in principe te zien in het Römisch-Germanisches Museum) maar vervaardigd in Noord-Afrika. Dat vertelt ook iets over de antieke netwerken. Blijkbaar is ooit iemand van Karthago naar Keulen gegaan – we hebben uit die laatste stad ook een grafsteen van een legionair uit Tunesië die overleden is aan de Rijn – en heeft die deze lamp meegenomen.

Lees verder “Olielampen”

Alexanders opvolgers

Seleukos (Een onwaarschijnlijk goed bewaard bronzen beeld uit de Villa van de papyri in Herculaneum)

Het is wat, met alle corona en polarisatie, en ik kan me voorstellen dat u in alle drukte even niet paraat hebt hoe het ook alweer zit met de diadochenoorlogen. Kan de beste overkomen hoor, maakt u zich geen zorgen, ik praat u wel even bij.

Alexander de Grote stierf op 11 juni 323 v.Chr. en zijn kolonels benoemden zijn broer Arrhidaios tot koning. Dat was nogal een besluit, want de man was verstandelijk beperkt en er moest dus een regent komen, Perdikkas. Ze hadden ook Alexanders oudste zoon kunnen benoemen, Herakles, maar diens moeder Barsine behoorde bij een hoffactie die in deze tijd op z’n retour was. De kolonels spraken bovendien af dat als Alexanders echtgenote Roxane, die op dat moment in verwachting was, een zoon zou krijgen, ook deze als koning zou worden erkend. Dat werd Alexander IV.

Lees verder “Alexanders opvolgers”

Misverstand: Het oog van de naald

Even ongeacht welk dier bedoeld is met het Griekse woord kamelos, een kameel of een dromedaris, het Bijbelvers dat het makkelijker is voor een kameel door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke het koninkrijk Gods te betreden, is voor sommigen nogal problematisch. In de Verenigde Staten, waar de puriteinse christenen vanouds materieel succes beschouwen als blijk van goddelijke gunst, heeft men zich altijd wat ongemakkelijk gevoeld bij Jezus’ categorische afwijzing van rijkdom.

In hun kringen schijnt het misverstand te zijn ontstaan dat in Jeruzalem een stadspoortje zou zijn geweest dat “het oog van de naald” heette. De achterliggende gedachte is dat, zoals een groot dier met enige moeite wel door een kleine poort kon, rijkdom geen definitief obstakel voor het koninkrijk hoefde zijn. Een vergelijkbaar idee is dat “oog van de naald” de oosterse naam zou zijn van een winket, dat wil zeggen het kleine deurtje dat wel wordt aangebracht in een grote deur. Zie boven.

Lees verder “Misverstand: Het oog van de naald”