Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome

Portret van een Romein uit de tijd van Macrobius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De wortels van de taalwetenschap liggen in de didactiek. Mensen willen weten hoe een taal in elkaar zit omdat ze die taal willen leren. Het helpt dan als iemand ze regelmatigheden aanwijst; het bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor het zelfstandig naamwoord in deze taal, en de derde persoon enkelvoud eindigt altijd op een p. Maar het wordt pas wetenschap als je dat praktisch nut loslaat, als je je afvraagt waarom dat bijvoeglijk naamwoord daar staat en hoezo talen eigenlijk een derdepersoonsvorm van een werkwoord hebben.

In de vijfde eeuw na Chr. legde bijvoorbeeld ergens in het Romeinse Rijk een geleerde heer twee talen naast elkaar die hij allebei al perfect beheerste en die hij aan niemand leren wilde. Geen enkel praktisch doel had hij, hij wilde alleen maar snappen hoe het zat.

Lees verder “Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome”

De vloot van Majorianus

Majorianus (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Niemand reist met de trekschuit, geen industrieel gebruikt een stoommachine, lithografie is vooral leuk als curiosum. De achttiende eeuw is in veel opzichten voorbij, maar de inmiddels twee eeuwen verouderde History of the Decline and Fall of the Roman Empire van Edward Gibbon wordt nog geciteerd alsof dat het Woord Gods is. Menig Wikipedia-artikel is verschlimmbessert doordat correcte informatie werd vervangen door verwijzingen naar een boek uit 1776.

Keizer Majorianus

Elk nadeel heeft echter een voordeel: keizer Majorianus, aan wie Gibbon enkele positieve zinnen wijdt, is iets minder onbekend dan de andere heersers van zijn tijd. Gibbon prijst Majorianus’ energie en het is niet moeilijk te zien waarom, want toen deze keizer aantrad was het gezag van het westelijke keizerlijke hof beperkt tot Italië en Illyricum, en Majorianus deed zijn best het machtsbereik te herstellen.

Lees verder “De vloot van Majorianus”

Een portret van Petrus

Petrus (Ägyptisches Museum, Leipzig)

Op de katholieke heiligenkalender is het morgen de feestdag van Petrus en Paulus. Het leek me daarom aardig eens te bloggen over het bovenstaande, Koptische portretje uit in de zesde eeuw. Het stelt Sint-Petrus voor en ik fotografeerde het, net als het Koptische alfabet waarover ik gisteren blogde, vorig jaar in het charmante Ägyptisches Museum van Leipzig.

Het reliëfje is onderdeel van een gedeeld bewaard gebleven, versierde dwarsbalk; de beeldhouwer had links ervan drie rozetten afgebeeld. Daarnaast – helemaal links op het fragment – was een volgend rozet, waarop Christus lijkt te hebben gestaan. De symmetrie van de Byzantijnse kunst dicteerde dat er nog verder naar links opnieuw drie rozetten zijn geweest met uiterst en links het portret was van een tweede heilige.

Lees verder “Een portret van Petrus”

Het koptische alfabet

Koptische schrijfoefening (klik=groot; Ägyptisches Museum, Leipzig)

De Kopten zijn, simpel gezegd, de christenen van Egypte. Ook al is hun land sinds de zevende eeuw geïslamiseerd, ze houden vast aan de laat-Romeinse godsdienst, waaraan ze sinds het Concilie van Chalkedon (in 451) een eigen draai hebben gegeven: het zijn monofysieten. De Kopten hielden ook eeuwenlang vast aan een oude taal, die afstamde van het Egyptisch van de farao’s. Toen de Grieken ten tijde van Alexander de Grote de macht in Egypte overnamen, namen de bewoners van dat land het Griekse alfabet over, maar ze pasten het aan hun eigen taal aan. Hierboven ziet u een schrijfoefening uit de zevende eeuw na Chr., die ik vorig jaar fotografeerde in het Ägyptisches Museum van de Universiteit van Leipzig. (Dat is overigens op een boogscheut van de plek waar begin vorige maand twee doden vielen toen iemand met een auto inreed op mensen in een winkelstraat.)

Doordat het hout in de loop der eeuwen donker is geworden, is de tekst wat moeilijk leesbaar, maar als u Grieks kunt lezen, herkent u met enige moeite de karakters wel in de eerste kolommen. De laatste kolom bestaat uit tekens die het Koptische alfabet heeft ontleend aan het demotisch, een van de oud-Egyptische schriftsoorten. Deze tekens geven enkele klanken weer die in het Grieks niet bestonden en in het laat-oud-Egyptisch wel. Van boven naar beneden gaat het om de š, een soort f, de h, de j en een keiharde g.

Lees verder “Het koptische alfabet”

Het falen van Julianus de Afvallige (2)

Julianus de Afvallige (Staatliche Münzsammlung, München)

[Dit is het tweede en laatste deel van een door Jeroen Wijnendaele geschreven gastbijdrage over Julianus de Afvallige. Het eerste deel was hier.]

Burgeroorlog

[13] Het keerpunt was het jaar 353, toen Constantius II zegevierde in een dodelijke burgeroorlog. Die kostte het Rijk duizenden en duizenden soldaten. Een tijdgenoot riep uit wat een totale verspilling dit was (nogmaals: kostbare hulpbronnen!). Het imperium was nu verzwakt. Vervolgens betekende Julianus’ usurpatie in 360 dat Constantius troepen moest weghalen bij de Perzische grens, die hij bijna een kwart eeuw vakkundig had verdedigd.

[14] Julianus had zich in Gallië als een commandant bewezen door in het Rijnland efficiënt op te treden tegen de Alamannen en de Franken. Maar met zijn usurpatie en – vervolgens – het wegnemen van troepen om op te rukken tegen Constantius II, was hij verantwoordelijk voor de ontwrichting van een systeem dat in het Westen naar behoren werkte.

Lees verder “Het falen van Julianus de Afvallige (2)”

Het falen van Julianus de Afvallige (1)

Julianus (Musée des beaux-arts, Lyon)

[Twitter bestaat niet meer, maar sommige dingen die daar leuk waren, gebeuren inmiddels op BlueSky. Hier is een uit het Engels vertaald draadje dat de Gentse oudhistoricus Jeroen Wijnendaele schreef over Julianus de Afvallige.]

[1] De veldtocht van keizer Julianus de Afvallige tegen de Perzen was de op één na grootste nederlaag die het Romeinse leger in de vierde eeuw leed tegen een niet-Romeinse tegenstander. Alleen de slag bij Adrianopel was erger. Om de ernst van Julianus’ dwaasheid te begrijpen, moeten we verder kijken dan de man zelf, en de campagne plaatsen in haar laat-Romeinse context.

Crisis en herstel

[2] Na de Crisis van de Derde Eeuw kwam het imperium weer op de rails dankzij de hervormingen door de keizers Gallienus tot en met Constantijn de Grote. Het staatsbestel werd grondig aangepast, niet in de laatste plaats om een groter leger te ondersteunen. Waarschijnlijk bestond het rond 300 na Chr. uit zo’n 450.000 man, terwijl het een eeuw eerder nog zo’n 400.000 was geweest.

Lees verder “Het falen van Julianus de Afvallige (1)”

De erfenis van het mohisme

Zomaar een hert uit de Periode van de Strijdende Staten (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

Tijdens de Periode van de Strijdende Staten was het mohisme een invloedrijke school binnen de Chinese filosofie. Ze was georganiseerd in sektes, die ongetwijfeld werden bestuurd volgens de eerste drie genoemde mohistische doctrines, dus in een strikte hiërarchie, waarin promotie en degradatie afhingen van iemands daden en intenties, zonder onderscheid des persoons.

Lees verder “De erfenis van het mohisme”

Mohisme 11: de late mohisten en de theorie

Zomaar wat serviesgoed uit de Periode van de Strijdende Staten (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

De late mohisten discussieerden, zoals we in het vorige blogje zagen, met vertegenwoordigers van andere scholen uit de Chinese filosofie. De debatten brachten hen er zo nu en dan toe hun standpunten aan te passen, maar dwongen hen ook om zich verder te verdiepen in theoretische vraagstukken. De Canons en de twee daarop volgende hoofdstukken in de Mozi zijn opmerkelijk door hun hoge vlucht in taaltheorie, kennisleer en logica. De fundamentele manier waarop de mohisten hier het denken onderzoeken wordt wel vergeleken met het werk van Aristoteles.

Lees verder “Mohisme 11: de late mohisten en de theorie”

Mohisme 10: De late mohisten en de praktijk

Zomaar een steenbok uit de Periode van de Strijdende Staten (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

We moeten het nog hebben over de late mohisten. Zij verschillen op een aantal punten van de eerdere mohisten en vormen daarmee een apart en opvallend hoofdstuk in de Chinese filosofie. Hun ideeën laten zien dat de mohistische school een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, en verschillende filosofische disciplines is gaan verkennen.

Lees verder “Mohisme 10: De late mohisten en de praktijk”

Mohisme 9 (Intermezzo): daden en hun consequenties

Zomaar een waterbassin uit de Periode van de Strijdende Staten (Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel)

[Kees Alders schrijft over de oosterse filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over de Chinese filosofie stond daar en we zijn inmiddels aanbeland in de derde reeks: over Meester Mo, over het boek Mozi en de leer van het mohisme. Het eerste deel is hier.] 

Het idee van het Hemels Mandaat (tianming) hebben we in deze reeks over de Chinese filosofie al eerder gezien. Voor zover moderne geleerden weten werd het geïntroduceerd door de Zhou-dynastie, die zo de eigen machtsgreep wilde rechtvaardigen. De mohisten gebruiken het begrip voor een kracht die de daden van alle mensen beoordeelt, en ze een consequentie geeft.

Lees verder “Mohisme 9 (Intermezzo): daden en hun consequenties”