Klassieke literatuur (7a): Plinius de Oudere

Portret van een Romein uit de tijd van Plinius de Oudere (Louvre, Parijs)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke wetenschappelijke literatuur.]

Wie begint met de lectuur van antiek wetenschappelijk proza, loopt tegen een dijk van een probleem aan. Wij weten meer dan de oude Grieken en Romeinen. Dat is ook logisch, want wetenschappers bouwen in principe voort op hun voorgangers, corrigeren hun fouten en bouwen het corpus van betrouwbare informatie geleidelijk uit. De huidige problemen – het corpus is te groot, mensen moeten selecteren en zijn manipuleerbaar voor desinformatie, wetenschappers die onvoldoende weten wat ze niet weten – doen er niet aan af dat we nu meer weten dan in de Oudheid en verder zien dan de reuzen op wier schouders we staan, zodat ons oog meteen valt op hun vergissingen.

Lees verder “Klassieke literatuur (7a): Plinius de Oudere”

Herodotos’ halflegendarische volken

Perzisch reliëf van een Nubiër

Een van onhebbelijkheden van antieke auteurs is dat ze bij het schrijven niet het fatsoen hadden rekening te houden met ons. Ik ga niet lang zoeken naar een voorbeeld en neem Herodotos, over wie ik momenteel wel vaker blog, en neem ook Nubië, waarover de al eerder beschreven expositie is in het Drents Museum. Herodotos heeft het evident over Nubië als hij vertelt dat de Perzische koning Kambyses wilde oprukken naar de hoofdstad van een koninkrijk ten zuiden van Egypte. De vraag is welke hoofdstad dat was: Napata of Meroë.

Napata was de oude hoofdstad, maar na de verwoestingen die koning Psamtek II van Egypte daar had aangericht – ik blogde er onlangs over – verplaatsten de Nubiërs hun residentie naar Meroë. Voor de interpretatie van Kambyses’ beleid scheelt het nogal wat zijn doel was. Rukte hij op naar Napata, dan zette Kambyses het beleid voort van de eerdere koningen van Egypte; was het daarentegen Meroë, dan was het beleid aanzienlijk ambitieuzer, om niet te zeggen irreëel. Er is echter een dieper probleem: Herodotos noemt Kambyses’ vijanden “Ethopiërs”.

Lees verder “Herodotos’ halflegendarische volken”

Het proactieve Driekoningen-stukje

De drie wijzen uit het oosten (Sant’ Apollinare Nuovo, Ravenna)

Zondag is het 6 januari ofwel Driekoningen ofwel Epifanie ofwel een van die momenten waarop kwakhistorici hun kans grijpen om even wat onzin in de krant te krijgen. Het jaar is nog jong, de zaterdagkrant heeft ruimte, de nieuwsredacties zijn nog niet helemaal scherp en oudheidkundigen bijten, anders dan klimaatwetenschappers en artsen, zelden terug als er onzin wordt gedebiteerd. Tijd dus voor weer een proactief stukje – ik las laatst dat er al een vakterm voor zulke voorwaartse verdediging was: prebunking – in de ongetwijfeld ijdele hoop nog wat stommiteiten uit de krant te houden.

Er waren drie koningen

Tweemaal niet waar. Het verhaal over het bezoek van de wijzen uit het oosten is alleen te lezen in het evangelie van Matteüs – en wel hier – en vermeldt (a) geen koningen en (b) geen aantallen. Een onbepaald aantal magoi verschijnt ten tonele, dat is alles. Het aantal van drie is afgeleid van het drietal geschenken (goud, wierook en mirre) maar in de oosterse kerken kunnen het er twaalf zijn. De namen Caspar, Balthasar en Melchior zijn later verzonnen, al zijn ze al te lezen in de laatantieke Sant’ Apollinare in Ravenna. Zie boven. Merk op dat ze geen koninklijke attributen hebben. De koninklijke status zou een toevoeging zijn uit de Middeleeuwen, gebaseerd op Psalm 72.11:

Alle koningen zullen zich voor hem neerbuigen,
alle heidenen zullen hem dienen.

Lees verder “Het proactieve Driekoningen-stukje”

Senkamanisken

Koning Senkamanisken met de dubbele uraeus-slang, die symbool staat voor de heerschappij over Nubië én Egypte

Het bovenstaande portret stelt koning Senkamanisken voor, die van pakweg 640 tot 620 v.Chr. regeerde over Nubië. Als u de kop herkent, is het vermoedelijk omdat het Drents Museum dit beeld gebruikt om reclame te maken voor de expositie over het oude Nubië. Er zit een verhaaltje aan vast.

Zoals ik al eens eerder vertelde, heersten de koningen van Nubië een tijd lang – laten we zeggen van 740 tot 667 – ook over Egypte. De twee rijken hadden veel gemeen, dus heel vreemd was het niet. Het paste ook redelijk in de gedeelde kosmologie, waarin de dingen eigenlijk pas in orde waren als ze met z’n getweeën voorkwamen: een aantredende farao verenigde de twee rijken, waarmee meestal Beneden- en Boven-Egypte waren bedoeld, al was de vereniging van oorsprong die van Hierakonpolis en Naqada (gesymboliseerd door de witte hedjet-kroon en de rode deshret-kroon), en ook al kon de vereniging in wijdere zin ook slaan op de oostelijke en de westelijke oever van de Nijl of op het vruchtbare en het dorre land. Of op Egypte en Nubië. Dit laatste was in elk geval hoe de Nubiërs de universele twee-heid graag uitlegden en daarom droeg de koning, zoals u hierboven ziet, twee uraeus-slangen op zijn diadeem.

Lees verder “Senkamanisken”

Byzantijnse krabbel (12): Fabels

Een kwatrijn is een gedichtje van vier regels. De grootmeester van het genre is de middeleeuwse Perzische auteur Omar Khayyam, over wie ik al eens blogde, twee keer zelfs: 1, 2 en nog een derde keer als een bonus die eigenlijk niet over hem gaat. De weinige keren dat ik zelf heb geprobeerd een kwatrijn te schrijven, ontdekte ik dat het moeilijk is een gedachte in precies vier regels te gieten: om echt iets te zeggen, had ik er eigenlijk altijd meer nodig. Sonnetten zijn makkelijker.

Des te knapper vind ik het als iemand in een kwatrijn een compleet verhaal kan vertellen. Dat probeerde de Byzantijnse dichter Ignatios, die het kwatrijn benutte voor het vertellen van fabels: verhaaltjes met een plot en een moraal, en dat in vier zinnetjes.

Lees verder “Byzantijnse krabbel (12): Fabels”

De Tweede Punische Oorlog (14)

Scipio Africanus (Capitolijnse Musea, Rome)

[Dit is het laatste deel van een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het dertiende deel overlegden Hannibal en Scipio vergeefs over het einde van de strijd. Het zou nog één keer komen tot een veldslag.]

Om de vijand schrik aan te jagen plaatste Hannibal de olifanten voorop. Het waren er tachtig, het grootste aantal dat hij ooit in een slag had ingezet. Daarachter stonden de Ligurische en Gallische hulptroepen, vermengd met Balearen en Moren. In de tweede linie stelde hij de Karthagers en Libiërs op en een legioen Macedoniërs; en ten slotte, na een kleine tussenruimte, de reserve, bestaande uit Italische soldaten […]. Hij plaatste de ruiterij aan weerszijden op de vleugels; de rechtervleugel werd bezet door de Karthagers, de linker door de Numidiërs.

Deze woorden van Livius lijken sterk op de beschrijving van hetzelfde leger door Polybios. Er is echter één verschil. Bij de Griekse historicus is geen sprake van een “legioen Macedoniërs”. Dat lijkt een verzinsel van Livius, die de lezer er bij de beslissende slag blijkbaar aan wilde herinneren dat de Romeinen het in deze oorlog niet alleen tegen de Karthagers hadden opgenomen.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (14)”

De Tweede Punische Oorlog (13)

Glazen hanger uit Karthago (Musée national de Carthage)

[Dit is het voorlaatste stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het twaalfde deel behandelde ik Scipio’s landing in Afrika.]

Die winter deed Syfax een vredesvoorstel dat erop neerkwam dat de Romeinen zich uit Afrika en Hannibal zich uit Italië zou terugtrekken. Dat liet Rome in het bezit van Spanje: een formidabele winst.

Scipio was echter niet uit op vrede en wilde de eer van de eindzege. De onderhandelingen boden hem evenwel een kans het kamp van Syfax en de Karthaagse commandant te verkennen, en toen de onderhandelingen op niets waren uitgelopen, had hij genoeg gezien. Hij keerde ’s nachts terug, omsingelde het kamp, stak het in brand en vernietigde het complete leger. Hierop besloten Syfax en de Karthaagse generaal, die het inferno hadden overleefd, in Numidië een tweede leger op de been te brengen, maar Scipio trok het tegemoet. Op de plaats waar de rivier de Mejerda vanuit Numidië het Karthaagse gebied binnenstroomde, ruwweg bij het huidige Suq el-Khemis, kwam het tot een veldslag. Scipio behaalde een eenvoudige overwinning op zijn vijanden, merendeels rekruten. Terwijl de Romeinse bondgenoot Masinissa zijn rivaal Syfax achtervolgde en gevangen nam, deed Scipio een vredesvoorstel aan de Karthagers. Livius werd geconfronteerd met bronnen die elkaar tegenspraken:

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (13)”