Islamitisch recht (4) Al-Shafi’i

Het mausoleum van Al-Shafi’i in Cairo (© Wikimedia Commons | gebruiker PaFra)

[Dit is het vierde van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

In de vorige blogjes vertelde ik dat de moslims begin achtste eeuw begonnen met het ontwerpen van een islamitisch rechtstelsel, gebaseerd op de hadith, de tradities over het voorbeeldige leven van de profeet Mohammed en de eerste moslims. De relatie tussen de hadith, de Koran en de plicht van de rechter om goed na te denken, was echter niet uitgekristalliseerd. De algemene theorie van het islamitisch recht werd ontworpen door Muhammad al-Shafi’i (767-820).

Al-Shafi’i over Koran en hadith

In zijn Risala (“Verhandeling”) stelt hij dat de Koran de onfeilbare bron van recht is, en dat deze het gezag van de hadith legitimeert: er stond immers geschreven – en dat verschillende keren – “Gehoorzaamt God en zijn gezant”, en dat kon niets anders betekenen dan dat men zich niet alleen moest laten inspireren door Gods eigen woord, de Koran, maar ook door de anekdotes over de Profeet. Beide openbaarden de juiste levenswijze. Een ander argument was gebaseerd op de regel:

Lees verder “Islamitisch recht (4) Al-Shafi’i”

Islamitisch recht (3) onderzoek van de hadith

Rechtsgeleerden in discussie in een bibliotheek

[Dit is het derde van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

Ik vertelde in het vorige blogje dat de moslims, op zoek naar een eigen rechtsstelsel, concludeerden dat ze het leven van de Profeet als voorbeeld en maatstaf konden nemen. Daarover waren tienduizenden anekdotes bekend, de zogeheten hadith. De islamitische geleerden waren echter kritisch: ze realiseerden zich dat het mogelijk was dat er vervalsingen circuleerden. Sommige anekdotes lijken bijvoorbeeld te hebben gediend om gewoonten te legitimeren waarmee de Arabieren te maken kregen tijdens hun verovering van de steden van het Midden-Oosten. Een voorbeeld is de brief die Mohammed zou hebben geschreven aan enkele Jemenitische vorsten, die vroegen of er regels waren voor de belasting. De Profeet zou hebben geantwoord:

De belasting van het land die gelovigen moeten opbrengen: een tiende van hetgeen wordt bewaterd door bronnen en hemelwater; een twintigste van hetgeen wordt bewaterd met emmers; per veertig dromedarissen een tweejarige wijfjesdromedaris, per dertig dromedarissen een jonge mannelijke dromedaris, per vijf dromedarissen een schaap, per tien dromedarissen twee schapen, per veertig runderen een rund, per dertig runderen een eenjarig koekalf of stierkalf, per veertig schapen een schaap. Dit is hetgeen God de gelovigen heeft opgelegd. Degene die meer opbrengt, strekt dat tot heil.noot Ibn Ishaq, Het leven van Mohammed, geciteerd door Ibn Hisham, Het leven van de Profeet 956; vert. Raven.

Lees verder “Islamitisch recht (3) onderzoek van de hadith”

Islamitisch recht (2) de hadith

Een veertiende-eeuwse afbeelding van een qadi

[Dit is het tweede van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

In het vorige blogje beschreef ik hoe de Umayyadische kaliefen, residerend in Damascus, geen beleid hadden om hun imperium te islamiseren. Ze handhaafden het gewoonterecht en accepteerden verschillende rechtsstelsels naast elkaar. Unificatie had geen prioriteit: wie een gebied onderwerpt, bouwt eerder draagvlak door bestaande praktijken te laten bestaan.

De Abbasiden

Met het verstrijken van de tijd, ontstond hierover toch wat onvrede bij althans een deel van de gelovigen. Dat de eerste vier opvolgers van Mohammed “de rechtgeleide kaliefen” werden genoemd, was een regelrecht verwijt aan de Umayyadische kaliefen, die zich niet recht lieten leiden. De frustratie van de gelovigen combineerde met onvrede onder de niet-Arabische moslims. Met name de Perzen voelden zich achtergesteld, en een opstand was het resultaat. In 750 werd de Umayyadische dynastie vervangen door de Abbasidische, die de residentie verplaatste naar Bagdad.

Lees verder “Islamitisch recht (2) de hadith”

Islamitisch recht (1) ontstaan

Negende-eeuwse Koran (Museum van islamitische kunst, Teheran)

Een tijdje geleden – een jaar, zo ontdek ik nu – vertelde ik hoe het Kalifaat was ontstaan: de laatste grote gebeurtenis uit de Oudheid. Ik onderscheidde de groei van die politieke structuur van die van de dominante religie, de islam. Misschien is het zinvol ook daar eens op in te gaan, want het is een interessant onderwerp.

Bekering, maar waartoe?

Religieuze veranderingsprocessen verlopen niet heel anders dan de introductie van nieuwe commerciële producten of diensten. Op de early adopters volgt een early majority, er is een late majority en tot slot zijn er laggards. Dat was bij de islamisering niet anders en dat proces voltrok zich langzaam, want de Koran stelt dat in geloofszaken geen dwang bestaan.noot Koran 2.256 en 10.99. Toen het Umayyadische kalifaat van Damascus in 750 ten einde kwam, was in de gebieden buiten het Arabische schiereiland hooguit een tiende van de bevolking overgegaan tot de religie van de overheersers. Vier eeuwen later, ten tijde van de Kruistochten, was het Midden-Oosten nog voor de helft christelijk.

Lees verder “Islamitisch recht (1) ontstaan”

Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (3)

Een Arabische dame (Institut du monde arabe, Parijs)

[Slot van een reeks over rouwklachten, geschreven door Arabische vrouwen in de Late Oudheid. Het eerste deel was hier.]

Barra bint al-Hârith

Bij het verzamelen van dit materiaal trof één rouwklacht mij bijzonder. Het is een gedicht van een moeder op haar jong gestorven kind. Dit gedicht wijkt in een aantal opzichten af van de overige gedichten in dit genre: het verloren leven is dat van een kind, en daarom dus niet dat van een moedige held. Het is een relatief lang gedicht en het valt op door een heel bewuste compositie die ook nu nog tot de verbeelding spreekt. Bovendien is de levensloop van deze dichteres wel bijzonder.

Lees verder “Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (3)”

Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (2)

Een Arabische dame (Institut du monde arabe, Parijs)

[Tweede deel van een reeks over rouwklachten, geschreven door Arabische vrouwen in de Late Oudheid. Het eerste deel was hier.]

Al-Khansā’

De dichteressen aan wie dergelijke gedichten worden toegeschreven zijn meestal zussen van een (vaak) in de strijd gestorven held. De bekendste dichteres van dit soort rouwklachten was al-Khansā’, die haar broers Sakhr en Muâwiya in poëtische vorm herdacht. Aan al-Khansā’ worden tientallen gedichten toegeschreven. Wat haar positie uitzonderlijk maakt, is dat ze relatief laat leefde: ze zou nog in de tijd van Mohammed geleefd hebben en als dichteres zelfs door hem geprezen zijn.noot Ik ken maar één passage waarin naar deze ontmoeting verwezen wordt: de Khizanat al-Adab van al-Baghdadi (ed. Abd al-Salâm Muhammad Hârûn (1979), I, 434. Bijzonder is dat ze haar gedichten voordroeg op de jaarmarkt van Ukâz, niet ver van Mekka. Ze genoot ook door latere eeuwen heen veel aanzien bij verzamelaars van Arabische poëzie.

Lees verder “Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (2)”

Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (1)

Een Arabische dame (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Een van de minder bekende genres in de Arabische poëzie is dat van de dichterlijke rouwklachten door vrouwen. Uit de latere periode kennen we vele rouwklachten van mannen, meestal naar aanleiding van de dood van een belangrijke heerser. Maar het aantal door vrouwen gecomponeerde rouwklachten heeft als genre maar korte tijd bestaan en is na het begin van de islam vrijwel verdwenen.

Het aantal publicaties erover was lange tijd beperkt en daarom besloot ik om juist die rouwklachten tot het onderwerp te maken van mijn dissertatie.noot G.J.A. Borg, Mit Poesie vertreibe ich den Kummer meines Herzens, Eine Studie zur altarabischen Trauerklage der Frau (1997). Sindsdien is de belangstelling voor dit genre weliswaar toegenomen, maar die belangstelling ligt vaak in het verlengde van een wat meer antropologische en – in bredere zin – sociaalwetenschappelijke hoek. Mijn eigen uitgangspunt is eerder dat van de filologie, wat betekent dat ik zo nauwkeurig mogelijk de tekst collationeer en interpreteer, om zo de tekst zelf en de bedoeling van de dichter(-es) toegankelijk te maken.

Lees verder “Rouwpoëzie van Arabische vrouwen (1)”

Arabië anno 650: sterke vrouwen

Een Arabische man en vrouw (Louvre, Parijs)

In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichternoot Nou ja, het lyrische ik natuurlijk, maar dat praat zo lastig. Ik spreek hier gemakshalve maar van ‘de dichter’. herinnert zich het heerlijke samenzijn met een of andere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zichzelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg.

Die duurt echter maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen. Bovendien zijn er nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende huisvrouw, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zó uitvoerig toepast dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.

Lees verder “Arabië anno 650: sterke vrouwen”

De eerste Arabische marine

De Slag der Masten

In 640 veroverden de Arabieren de Byzantijnse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Byzantijnse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee was aan te vallen. De capabele gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak, een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst zeventienhonderd schepen voor de Syrische kust: “de zee was niet meer te zien van de masten”.

Eerste operaties van de vloot

Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Byzantijnse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten ongehinderd aan land gaan omdat zij dachten dat het Byzantijnen waren. Ze konden zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia, niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver en talloze slaven en slavinnen werden buitgemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.

Lees verder “De eerste Arabische marine”

Herakleios (4): de Arabieren

De vallei van de Yarmuk

[Dit is het laatste van vier blogjes over keizer Herakleios, geschreven door Hein van Dolen, classicus, byzantinoloog en tevens de vertaler van Goden en halfgoden.

Terwijl Herakleios kampte met onoplosbare religieuze kwesties en met de financiële problemen die het gevolg waren van de oorlog met de Perzen, dreigde een nieuw gevaar. In het zuidoosten was de Arabische expansie begonnen, die ten koste van het Byzantijnse Rijk zou gaan. De motor achter deze expansie was, zoals bekend, het nieuwe monotheïstische geloof van de Arabieren: de islam.

Al snel na de dood van Mohammed (traditioneel gedateerd in 632) waren militaire campagnes naar Byzantijns Syrië en Perzisch Mesopotamië begonnen. In slechts enkele jaren vielen steden als Damascus (635) en Jeruzalem (637) in Arabische handen. Mesopotamië viel in 638 en Egypte in 641. De nieuwe monotheïsten werden niet overal ervaren als vijanden: in Egypte en Syrië begroetten de monofysieten de Arabieren als bevrijders, mede doordat Herakleios strenge belastingmaatregelen nam. De Arabieren stelden zulke eisen niet.

Lees verder “Herakleios (4): de Arabieren”