Neplatijn

Inscriptie ter ere van Gaius Duillius (Capitolijnse musea, Rome)

De Eerste Punische Oorlog was de langste en (volgens historicus Polybios) grootste oorlog uit de oude geschiedenis. Zonder onderbreking duurde het conflict van 264 tot 241 v.Chr., een lengte die te verklaren is door het feit dat de Romeinen op land superieur waren en de Karthagers op het water. Een landmacht tegen een zeemacht: dat moet wel een ingewikkeld conflict zijn. Door gebruik te maken van enterbruggen slaagden de Romeinen er echter in de strijd op zee zó te veranderen dat ze leek op een landslag en konden ze de gevechten naar hun hand te zetten.

De Romeinse historicus Titus Livius schreef over de zeeslag bij Mylae, die plaatsvond in het jaar dat wij 260 v.Chr. noemen:

Consul Gaius Duillius vocht met succes tegen de Karthaagse vloot en vierde als eerste Romeinse veldheer een triomf na een overwinning ter zee. Om deze reden werd hem ook een blijvend eerbewijs toegekend: wanneer hij terugkeerde van een maaltijd werd hij voorafgegaan door een fakkeldrager en begeleid door fluitspel. (Periochae 17.2)

Lees verder “Neplatijn”

Consullijst

Detail van de Fasti Capitolini (Rome, Capitolijnse Musea)

Als je één stad zou moeten aanwijzen als hét centrum van de oude wereld, kun je kiezen uit Babylon, Athene, Jeruzalem en Rome. Als je in die laatste stad één plek moest aanwijzen, zou dat het Forum Romanum zijn. En daar was de Triomfboog van keizer Augustus een van de opvallendste monumenten. De inscriptie waarvan ik hierboven een fragment toon, was onderdeel van die boog (of van een monument er onmiddellijk naast).

Het is de geautoriseerde lijst van de Romeinse magistraten. Iets boven het midden leest u bijvoorbeeld Bellum Punicum Primum ofwel “Eerste Punische Oorlog”, het eerste conflict tussen Rome en Karthago. Daaronder vindt u de namen van de consuls uit het eerste oorlogsjaar: Appius Claudius Caudex en Marcus Fulvius Flaccus. Daar weer onder staan Manius Valerius Maximus en Manius Otacilius Crassus. Als u goed kijkt ziet u dat voor die regel nog XC staat. Ooit stond er CCCCXC maar vier Cs zijn weggevallen. De betekenis is dat Valerius en Otacilius consuls waren in het 490e jaar sinds de stichting van Rome.

Lees verder “Consullijst”

Een echte Romein

Togatus Barberini (Capitolijnse Musea, Rome)
Togatus Barberini (Capitolijnse Musea, Rome)

Het bovenstaande standbeeld behoort tot de collectie van de Capitolijnse Musea in Rome, al heb ik het beeld nooit daar gezien. De foto is gemaakt toen het was uitgeleend aan een expositie in Haltern, en ik heb het beeld ook wel eens gezien in de Centrale Montemartini, een tentoonstellingsruimte in een oude elektriciteitsfabriek ten zuiden van het historische centrum van Rome, aan de weg naar de Sint-Paulus buiten de Vesten.

Omdat afgebeeld heerschap een toga draagt en ooit deel uitmaakte van de verzameling van de Barberini-familie, wordt het beeld gewoonlijk de “Togatus Barberini” genoemd, want veel meer valt er niet van te maken: de portretten lijken althans niet op die van ons bekende Romeinen. Desondanks valt er wel iets meer over te zeggen.

Lees verder “Een echte Romein”

Romeinse muurschildering

Scène uit de Samnitische Oorlogen (Capitolijnse Musea, Rome)
Scène uit de Samnitische Oorlogen (Capitolijnse Musea, Rome)

Ik zou de geschiedenis van de stad Rome vóór 300 v.Chr. niet “mysterieus” willen noemen, want de hoofdlijnen kennen we wel, maar er is wel erg veel dat onduidelijk is. Het probleem is dat we niet goed weten wat de waarde is van de historische auteurs over deze periode: Diodoros van Sicilië, Titus Livius en Dionysios van Halikarnassos. Het is duidelijk dat deze schrijvers, die leefden in de tweede helft van de eerste eeuw v.Chr., gebruik maakten van oudere bronnen, en we kennen enkele namen van eerdere auteurs, maar we hebben geen goed beeld van wat daaraan vooraf is gegaan.

Wel lijkt dit zeker: elk jaar werd Rome bestuurd door een college van twee consuls of van drie, vier of zes krijgstribunen, waarvan we de namen ook kennen, maar er ontbreken vier colleges. De namen zijn echter correct: het onafhankelijke bewijs is dat als je de magistratenlijst analyseert, je ziet dat sommige families langzaam aan populariteit winnen, een tijdje invloedrijk zijn, en dan in verval raken. Bij een volledig verzonnen lijst zouden de patronen niet zo natuurlijk zijn.

Lees verder “Romeinse muurschildering”

Romeins portret

brutus_cm
De zogenaamde Brutus (Capitolijnse musea, Rome)

De tweede in mijn reeks van voorwerpen uit de Oudheid die niet waren wat we dachten is een heel simpele: de bovenstaande buste gold lange tijd als een portret van Brutus, de man die tegen het einde van de zesde eeuw de koningen verdreef uit Rome en de republiek stichtte. Die identificatie is gebaseerd op munten uit de eerste eeuw v.Chr., waarop Brutus met een korte baard staat afgebeeld.

Wanneer die identificatie is ontstaan, weet ik niet, maar in 1789 was de Franse schilder Jacques-Louis David ermee vertrouwd: op zijn doek Les licteurs rapportent à Brutus les corps de ses fils toont hij hoe Brutus vergeefs probeert – let op de verkrampte voeten – onbewogen te reageren als hij wordt geconfronteerd met de lichamen van zijn zonen, die hij zelf ter dood heeft veroordeeld. De geschilderde Brutus is duidelijk geïnspireerd op de buste.

Lees verder “Romeins portret”

Esquilijnse Venus

De Esquilijnse Venus (Capitolijnse Musea, Rome)
De Esquilijnse Venus (Capitolijnse Musea, Rome)

Het bovenstaande beeld is te zien in de Capitolijnse Musea in Rome. Het is in 1874 opgegraven op de Esquilijn, een van de zeven heuvels waarop de oude stad is gebouwd. Iets preciezer: het is gevonden halverwege de Maria Maggiore en de Sint Jan van Lateranen, op de Piazza Dante. In de Oudheid stond hier een ongeveer honderd meter lange colonnade waarin ook de beroemde buste van Commodus lijkt te hebben gestaan.

De Esquilijnse Venus oogt op het eerste gezicht heel klassiek en is wel eens beschouwd als een vrouwelijk antwoord op de Diadumenos, een beroemd beeld van de Griekse kunstenaar Polykleitos, dat een man voorstelt die een haarband vastbindt. Het is best mogelijk dat de ontbrekende armen van dit Venusbeeld ook zo geplaatst zijn geweest. Tenminste drie schilders die het beeld als inspiratie gebruikten, hebben het aangevuld alsof de armen deze klassieke pose aannamen: Lawrence Alma-Tadema’s Het beeldhouwersmodel (1877), William-Adolphe Bouguerau’s Geboorte van Venus (1879; eindeloos geparodieerd) en Edward Poynters Diadumene (1884).

Lees verder “Esquilijnse Venus”