
Ik kreeg vragen over een podcast waarin iemand zou hebben verteld dat het Johannes-evangelie ouder was dan aangenomen. En het bleef niet bij één of twee vragen: inmiddels zijn het er negentien. Alle reden om me in de materie te verdiepen.
Een vroeg Johannes-evangelie
Eerst even dit: de Ongelooflijke Podcast is al vijf jaar een vast item van de Evangelische Omroep en daarin behandelen David Boogerd en Stefan Paas, zoals u al vermoedde, vragen over religie. Rond Pasen lieten ze Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten aan het woord, die kwam vertellen dat het Johannes-evangelie niet, zoals gebruikelijk, moet worden gedateerd aan het einde van de eerste eeuw na Chr., maar vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70. Het argument is dat de evangelist spreekt over het Betzata-badhuis in de tegenwoordige tijd.noot
Als deze claim klopt, zo impliceerde Van Kooten, is niet het Marcus-evangelie (met Jezus als maar al te menselijke man van smarten) de oudste biografie van Jezus, maar het Johannes-evangelie, dat een zogeheten “hoge christologie” heeft. Johannes’ Jezus is god, of minimaal een god. De makers van de podcast speculeren verder over de mogelijkheid dat de auteur een ooggetuige is geweest en noemen de ontdekking een game-changer.
Scepsis
Omdat ik zoveel vragen kreeg, wilde ik het wetenschappelijke artikel, dat wel door de peer-review is maar nog niet in New Testament Studies is gepubliceerd, eens lezen, maar de podcastmakers wisten niet of Van Kooten het zou waarderen als ze het Word-document deelden. Navraag leerde dat ook de redactie van Trouw, die eveneens over de theorie berichtte en er commentaar op had, het artikel niet heeft ingezien. Dat maakt het lastig om de vragen te beantwoorden die de podcast oproept. We moeten het doen met een onderhoudend podcastgesprek en we moeten maar vertrouwen op de peer-review.
En daar begint de schoen te wringen. Wetenschapsjournalisten zouden de peer-review niet moeten hoeven herhalen. De oudheidkundige disciplines zijn echter verdeeld en veel tijdschriften hebben een te eenzijdig samengestelde redactie. De “editorial board” van New Testament Studies is filologisch en theologisch van aard; ik kon geen archeoloog ontdekken. Een tweede probleem: we hebben te maken met de archeologie van Israël, en ik heb al vaker aangegeven dat daar weleens iets verkeerd gaat. Derde probleem: de podcast schiet stromannen omver. Zo wordt het lezen van het Nieuwe Testament als normale antieke tekst gepresenteerd als “een radicaal voorstel”. Het is natuurlijk volkomen gangbaar. Zie ook onder Wettstein, J.J.
Ik wil graag de peer-review kunnen vertrouwen. Denk aan mijn gaffe over Sponsianus, denk aan mijn aanvankelijk kritiekloze optimisme rond de ontdekking van de Sapfo-fragmenten. Er is echter een punt waar zelfs de meest goedgelovige blogger de wetenschap het nadeel van de twijfel gaat geven. Bij de oudheidkunde is dat punt bereikt. Het vak is te verdeeld om nog veel waarde te kunnen hechten aan de peer-review, er zijn teveel belangen, er zijn teveel misleidende presentaties. Ik mocht onlangs de problemen uitleggen in De Volkskrant.
De archeologie
Laat ik nu de vragen beantwoorden. De eerste daarvan is: weten we zeker dat dat badhuis was verwoest? De bedenkingen zijn niet onredelijk. Het compleet verwoesten van een stad is immers een verworvenheid van de twintigste eeuw en antieke beschrijvingen van verwoeste steden zijn doorgaans overdreven – ik denk aan Karthago, dat verwoest zou zijn maar waar de Romeinse generaal Gaius Marius desondanks een huis betrok. We weten bovendien dat Jeruzalem minimaal gedeeltelijk bewoond is gebleven: het was de basis van het Tiende Legioen Fretensis. Zowel legioenbases als de castella van de Romeinse hulptroepen hadden een badhuis, dus de aanname dat Betzata in gebruik is gebleven, is niet onredelijk.
Ik begrijp van Stefan Paas dat Van Kooten de opgravingsrapporten van Ronny Reich, Yuval Baruch, Gideon Avni en Hillel Geva heeft geraadpleegd, die stellen dat dit deel van Jeruzalem verlaten is geweest. Ik kan niet achter de academische betaalmuren, maar een bevriende archeoloog oppert dat dit een verwijzing is naar de bundels Unearthing Jerusalem (2011) en Ancient Jerusalem Revealed (2019). In de eerste bundel wijdden Reich en Geva hoofdstukken aan de keizertijd, maar die gaan niet specifiek over de verwoesting. Avni is specialist in Byzantijns Jeruzalem. Reich en Baruch schreven in de tweede bundel over de Davidsstad, in het zuidoosten van Jeruzalem. Een publicatie over Betzata in het noordoosten van de oude stad konden we niet vinden.
Maar zelfs als het noordoosten van Jeruzalem na 70 was verlaten, zegt dat niets over het badhuis. Paas vertelt dat Van Kooten wijst op de verslagen van onder andere de christelijke auteur Eusebius, die bevestigen dat de zuilengangen rond Betzata waren verdwenen. In de tussentijd had keizer Hadrianus echter de stad herbouwd en het recyclen van oude zuilen zou niet vreemd zijn geweest.
Ik zou deze tegenwerpingen niet formuleren als Van Kooten in de podcast niet zou hebben verteld dat de universiteit van Haifa nog volop onderzoek aan het doen is. Met andere woorden, eigenlijk hebben we vooralsnog geen harde conclusies over Betzata. Ik zou het artikel én het nog te verschijnen rapport uit Haifa moeten zien om te weten of het badhuis na 70 wel of niet in gebruik of zichtbaar was. Uw vragen hierover kan ik dus niet beantwoorden.
“Er is”
Maar laten we aannemen dat Betzata behoorde tot de na 70 niet langer bestaande delen van de oude stad. Van Kooten stelt dat het feit dat Johannes er in de tegenwoordige tijd over spreekt, bewijst dat het er nog was toen hij schreef, en dat Johannes dus schreef voor 70.
Omdat ik het artikel niet heb gelezen, kan ik alleen vermoeden dat Van Kooten denkt aan ἔστιν δέ of misschien ἔστιν, wat allebei zoiets betekent als “er is”. In elk geval gaat het volgens Van Kooten om een formulaire uitdrukking. In de vijfendertig gevallen die hij volgens de podcast heeft gevonden blijkt het te gaan om iets dat er is op het moment dat de auteur schrijft. Ik zou de argumentatie in detail willen zien, want in elk geval Herodotos is in staat om dit te gebruiken voor zijn fictieve beschrijving van Babylon.noot Misschien gebruikt Herodotos die formulering echter wel om betrouwbaarheid te suggereren, dus dan is dit geen argument. Nogmaals: ik zou het artikel willen lezen.
De podcastmakers opperen dat de evangelist gebruik kan hebben gemaakt van een oudere bron. Hij zou de stad zelf niet hebben gekend en dus ten onrechte een tegenwoordige tijd hebben gebruikt. Dat vond ik een plausibel argument; zie opnieuw Herodotos over een Babylon dat hij niet kende. Van Kooten wierp tegen dat het Johannes-evangelie duidelijk één auteur heeft gehad. Dit overtuigt mij niet. Ook als een tekst één auteur heeft, heeft die gebruik gemaakt van eerdere informatie. Flavius Josephus is ook de enige auteur van vier boeken, maar dat wil niet zeggen dat hij geen oudere bronnen benut.
Een jong Johannes-evangelie
Wie een stelling poneert, moet twee dingen doen: argumenten vóór aandragen en tegenargumenten weerleggen. En er zijn nogal wat tegenargumenten. Dat we Johannes gewoonlijk laat dateren, heeft zo zijn redenen. Van Kooten weerlegt in de podcast het (inderdaad moeilijk te verdedigen) tegenargument dat de uitgewerkte theologie duidt op een zeker verstrijken van tijd. Maar dat is niet het enige tegenargument.
Eén voorbeeld is dat Johannes regelmatig informatie uit andere evangeliën corrigeert. Ik heb er weleens op gewezen dat in het zinnetje “Jezus droeg zelf zijn kruis” het woordje “zelf” alleen zin heeft als je weet dat de auteur polemiseert tegen evangeliën waarin staat dat Simon van Kyrene het kruis droeg, m.a.w. Marcus en de twee daarvan afgeleide teksten.noot Er zijn vrij veel van dit soort voorbeelden en ik meen dat die zijn te vinden in het proefschrift In verhalen krijgt geschiedenis betekenis van Door Brouns-Wewerinke (2002), dat ik heb bezeten maar niet kan terugvinden.
Er zijn meer tegenargumenten waarom Marcus ouder is dan Johannes. Die ga ik vandaag niet allemaal behandelen. Je zult in elk geval, als je Johannes als oudste evangelist wil typeren, op die tegenargumenten een antwoord moeten formuleren. Tot nu toe heb ik dat niet gehoord. Zoals in de podcast ook is gezegd, zal de discussie nu gaan over de vraag of dit ene zinnetje, dit ene argument voor een vroege datering, opweegt tegen al die andere redenen om te kiezen voor een late datering.
Hype
Tot slot de vraag of dit werkelijk zo ingrijpend is. Is dit echt een game-changer? Welnee. Kom nou zeg. Het is oudheidkunde, waar ze het gebrek aan betrouwbare data compenseren door de meest uitzinnige claims.
Als Johannes vroeg zou moeten worden gedateerd, hebben we niet twee maar drie getuigen voor een vrij vroeg bestaan van de hier boven genoemde hoge christologie: het idee dat Jezus een meer dan menselijk wezen was. De apostel Paulus zag het zo, de anonieme dichter van een in de Brief aan de Filippenzen geciteerde hymnenoot zag het eveneens zo, en daar kunnen we nu dan Johannes aan toevoegen. Dat is alles.
De hoge christologie is dus sowieso al vroeg gedocumenteerd. Wel is het zo dat Paulus en de dichter van de Filippenzen-hymne de goddelijkheid pas plaatsen na de opstanding, terwijl Johannes de goddelijkheid van Jezus al tijdens zijn aardse bestaan plaatst. Dat is een significant verschil, maar verandert ons inzicht in de joodse wereld niet. Zoals ik in mijn stukken over de Henochitische literatuur al heb aangegeven, was er gewoon een vacature van Tweede Persoon van de Heilige Twee-Eenheid; dat Jezus die vacature vervulde, blijft zoals het was. Dat dit Jezus’ zelfbeeld is geweest, zoals in de podcast even aangestipt, is in elk geval geen nieuwe gedachte. Dat dit een game-changer zou zijn, lijkt mij een gevalletje oudheidkundige standaardoverdrijving.
Voor ik ga afronden wijs ik nog op een aspect dat in de podcast wat wordt weggemoffeld: als Johannes vroeg is, is ook het anti-joods gevoelen in het christendom vroeg. Dat is geen fijne constatering. En eerlijk gezegd geloof ik dat ook niet. Voor het ontstaan van zulke gevoelens was een verwoesting van de tempel, een heroriëntatie binnen het jodendom en rivaliteit met andere joodse groepen nodig. Het anti-joodse karakter van het Johannes-evangelie lijkt me beter te passen in de laat-eerste-eeuwse wereld van de Birkat haMinim en de Fiscus Judaicus.
Twee conclusies
Enfin. Zoals de podcast al aangeeft, zal er nogal wat discussie zijn. En dat is goed zo. Maar wel denk ik alvast te mogen concluderen dat dit echt geen game-changer is. Nieuw is de gedachte ook niet: in Groot-Brittannië zijn meer wetenschappers geweest die het Johannes-evangelie beschouwen als vroeg.
Mijn tweede conclusie: het is beter als de media pas aandacht besteden aan een theorie als er een publicatie ligt die we kunnen inzien. Dit mag dan geen pseudowetenschappelijke paashoax zijn, het is onverstandig Pasen te benutten om ontransparante informatie te verspreiden. Ik moet nu vragen beantwoorden zonder dat ik de antwoorden kennen kan. Dit is geen fijne manier om wetenschap te moeten uitleggen.
[Een overzicht van de blogjes over het Nieuwe Testament is hier.]
Zelfde tijdvak
Pontius Pilatus (1) Inleidingmaart 22, 2026
Jezus en de centuriodecember 14, 2025
De Bergrede (14): Aalmoezenjanuari 2, 2022

Dag Jona,
Wat goed dat je hier zo uitgebreid op reageert. En wat misselijk, ik kan niet anders zeggen, dat met name Stefan Paas, je de tekst van dat artikel niet gewoon toestuurt. Wat is dit voor stom gedoe.
Ik heb de uitzending gehoord (’s nachts) en vond het een indrukwekkend verhaal. Maar ja, ik ben op dit gebied echt een leek. Op theologisch gebied valt dat wel wat mee, dus ik kon de eventuele duiding van een vroeg Johannes-evangelei wel volgen.
Maar weer niet dat dat gebruik van het woord ‘is’ niet per se op deze manier te duiden is.
Jammer nou, laat er toch mee oprechte uiteenzetting met elkaar zijn. Als zeer geïntereseerde ‘leek’ kom ik daar veel verder mee. Inplaats van dat ik in de coulissen gezet wordt en het allemaal mag aanschouwen (Ik heb het over Paas en Geurt Henk van Kooten uiteraard).
Ik vind, beste Truus, “misselijk” wel een heel scherp oordeel. De podcastmakers zijn gewoon met handen gebonden. Het is een soort journalistiek embargo. Dat moet je respecteren. Daar zijn doorgaans goede redenen voor.
Anyhow, dit was boeiend. Ik dacht dat ik er met 800 woorden wel zou zijn. Het werden er 1700.
Dank voor het uitgebreide antwoord op mijn vragen.
De EO? Helemaal geen belanghebben natuurlijk…
Je moet niet altijd het ergste aannemen. 😉
Toen ik het bericht las, dacht ik: ze zoeken verkeerd om. Je moet niet zoeken naar wat het oudste is, maar naar wat het meest recente is in deze tekst, want dat bepaalt het moment waarop de eindredactie heeft plaatsgevonden (behoudens latere inlassingen). Ik was dus niet echt onder de indruk van deze “game changer.”
De Ongeloofelijke Podcast – zonder ironie (?)
Interessant..
(ik neem aan dat je in je inleiding bedoelt “waarin iemand zou hebben verteld dat het Johannes-evangelie OUDER was dan aangenomen”)
Verbeterd. Ik heb een hele dag aan dit blogje gewerkt. En ik heb het 20x herlezen. En toch…
Ik vraag mij al geruime tijd af of de proloog in het Johannes Evangelie (“In den beginne was het Woord… enz.”) geen toevoeging van latere datum is. Ik ben benieuwd wat de ‘wetenschap’ hierover zegt.
Mijn docent, meneer Uthemann, noemde een theorie dat het Johannes=evangelie de structuur had van een toneelstuk, waarin het publiek in de proloog te horen kreeg wat er ging gebeuren. Ik begrijp dat die interpretatie er nog altijd is.
Ik denk dat jouw docent daar gelijk in had; een ’toneelstukje’ op basis van een Hebreeuwse midrasj waarin allerlei (voorbije) zaken uit Tenach geactualiseerd worden en waarin Jezus de rol krijgt van het Woord.
Ik denk dan aan:
1) Psalm 33:6
‘Door het WOORD van God is de hemel gemaakt, door de Adem van Zijn mond het leger der sterren.’
2) Genesis 1:3
‘God zei: ‘Er moet LICHT komen’, en er was Licht.’
(Dat Licht, betrof niet de zon, maan of sterren; die schiep God later, op de derde dag, zie Gen.1:14.
3) Spreuken 8:22
‘De HEER heeft mij – WIJSHEID – vóór al het andere verworven, toen Hij Zijn scheppingswerk begon, Hij schiep eerst mij.’
4) Spreuken 30:4
‘Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald? Noem mij Zijn Naam, en de naam van Zijn ZOON, als je die kent.’
En op de achtergrond van dit ’toneelstukje’ klinkt de tekst uit Jesaja 55:10-11 door:
‘Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert zonder eerst de aarde te doordrenken, haar te bevruchten en te laten gedijen, zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten- (11) zo geldt dit ook voor Mijn WOORD, dat VOORTKOMT uit Mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied.’
Zelf denk ik (zoals ik het lees) dat in vers 11 van Jesaja 55 het Woord wordt losgemaakt van de Persoon (God) die de tekst uitspreekt. Het Woord dat uit het ‘Spreken’ van God voortkomt, wordt een ‘zelfstandige entiteit’, en vanaf dat moment leeft Gods Woord een zelfstandig bestaan (een eigen leven).
Een aantal teksten uit Johannes lijkt hierop te wijzen:
`
‘Zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo heeft ook de Zoon leven in zichzelf; dat heeft de Vader hem gegeven’ (Joh.5:26).
‘Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf’ (Joh.10:18).
‘Ik ben vrij om het te geven en weer terug te nemen’ (Joh.10:19).
En ook teksten als deze:
A ) God wil dat het Woord ‘vruchtbaar’ zal zijn:
Joh.15:1 ‘Ik ben de ware wijnstok …’
Joh.15:5 ‘Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen.’
`
B ) God wil dat het Woord de ‘wil’ van Hem zal doen:
Joh.4:34 ‘Mijn voedsel is: de wil van Hem doen die mij gezonden heeft.’
Joh.5:30 ‘Ik richt mij niet op wat ik zelf wil, maar op de wil van Hem, die
mij gezonden heeft.’
Joh.6:38 ‘Want ik [de Logos] ben niet uit de hemel neergedaald om te
doen wat ik wil, maar om te doen wat Hij wil die mij gezonden
heeft.’
C ) En God wil – volgens de Jesaja tekst – dat het Woord zal ‘volbrengen’ wat God de Vader hem gebied:
Joh.19:30 ‘Het is volbracht. Hij boog zijn hoofd en droeg de Geest over
aan de Vader.’
(Merk op dat deze ‘kruiswoorden’ alleen bij Johannes voorkomen.)
.
Deze drie zaken duiden er volgens mij op dat het ‘Woord’ van God, (al vóór de schepping van de aarde) een eigen, zelfstandig leven ging leiden: ‘In het Woord was Leven’ (Joh.1:4).
`
Daarnaast heeft het Woord – hoewel het bij God verbleef – altijd een bepaalde afstand tot God gehouden, het Woord heeft zich niet aan Hem gelijkgesteld, leert het Evangelie van Johannes: ‘Want de Vader is meer dan ik’ (Joh.14:28). En dat siert het Woord, het Woord bleef schepper NAAST God en daardoor bleef het Woord ‘Gods lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw’ (Spreuk.8:30).
Dank voor dit gratis en degelijk stukje college!
Dank je wel
Dit is m.i. een moeilijk en vergezocht stukje over Het Woord. Ik vraag mij af of het bijbels-theologisch verantwoord is.
De idee van Het Woord en de personificatie daarvan is op zich al zeer oud. Het was al een bekende godsdienstige gedachte in het Oude Egypte.
Ik noemde hierboven al de ‘midrasj’. Hieronder een artikel van drs. Kees de Vreugd gepubliceerd in het blad ‘Israël Aktueel’ van januari 2017. Na het lezen van dit artikel vielen er bij mij ineens ‘een heleboel kwartjes’. Ik denk – naar aanleiding van dit artikel – dat een heleboel teksten in de Evangeliën als midrasjiem gelezen moeten/ kunnen worden. Zo ook de proloog in het Johannes Evangelie en het geboorte verhaal bij Lucas. Het is dan wel zaak de bijbehorende teksten uit Thora/ Tenach hierbij op te zoeken. Afijn; lees en oordeel zelf…
De evangelist Mattheüs citeert deze tekst uit de profeten om de betekenis van Jezus’ vlucht naar Egypte te duiden (Mattheüs 2:13-15). De profeet Hosea spreekt natuurlijk over het volk Israël. Hoe kan Mattheüs dit woord dan op Jezus betrekken?
Wat Mattheüs doet is een voorbeeld van hoe het Nieuwe Testament en latere Joodse uitleggers de Hebreeuwse Bijbel uitleggen en toepassen. Dat uitleggen wordt in het Hebreeuws midrasj genoemd.
Het woord midrasj komt van een werkwoord dat oorspronkelijk ‘nauwkeurig onderzoeken’ betekent. In het Oude Testament komt het woordje midrasj een paar keer voor, en daar betekent het zoiets als ‘verslag’. Later krijgt het de betekenis van ‘uitleg’, en wordt het ook de aanduiding voor een literair genre: een specifieke vorm van Bijbelcommentaar, waarbij een Bijbelboek vers voor vers wordt uitgelegd, volgens bepaalde principes van interpretatie.
Preken
De klassieke midrasj is in de praktijk ontstaan. De darsjan (de voorganger die de dienst leidde), hield in de synagoge een preek naar aanleiding van de Thoralezing die aan de orde was. Veel van dergelijke preken zijn verzameld en gerangschikt tot een doorlopend commentaar. Zo ontstonden klassieke midrasjwerken als de Midrasj Rabba (letterlijk: grote midrasj), een verzameling commentaren op de vijf boeken van Mozes en de vijf ‘feestrollen’. Er worden twee typen van midrasj onderscheiden.
1 De halachische midrasj. Deze is vooral gericht op exegetische onderbouwing van de halacha, de regels voor het Joodse leven.
2 De aggadische midrasj. Deze gaat over de aggada, de uitleg van verhalende teksten.
Zeventig betekenissen
Hoe ging zo’n darsjan (een prediker) te werk? Vaak zocht hij een aanknopingspunt in een tekst uit de Profeten of de Geschriften, die hij dan verbond met een vers uit de Thora om er zo een geestelijke of morele les uit te trekken voor zijn hoorders. De tekst wordt betrokken op personen of gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël.
De oorspronkelijke, eenvoudige betekenis van de tekst komt zo in een nieuw licht te staan, en zo ontstaat er eigenlijk een nieuwe betekenis. Elke tekst heeft volgens de midrasj zeventig betekenissen. Het ontdekken van al die betekenislagen in de tekst, dat is eigenlijk midrasj.
PaRDeS
Eigenlijk doet Mattheüs dat ook. We hebben de eenvoudige, voor de hand liggende betekenis van de tekst uit Hosea. Maar Mattheüs ziet wat er met Jezus gebeurt terug in de geschiedenis van Israël. En zo boort hij een nieuwe betekenislaag aan in de tekst van Hosea.
Die eenvoudige, voor de hand liggende betekenis heet in het Hebreeuws pesjat.
De nieuwe betekenislaag, waar de oude tekst in een heel andere situatie ineens nieuw en actueel blijkt te zijn, heet derasj.
Daarnaast kent de midrasj nog een derde en een vierde laag: de remez (allegorie, zinspeling op personen of gebeurtenissen, bijvoorbeeld d.m.v. getalswaarden) en de sod (de mystieke betekenis).
De eerste letters van die woorden vormen het woord pardes, dat boomgaard betekent (vgl. ons woord paradijs). Het is ontleend aan het oud-Perzische woord voor park. De Bijbeltekst is als het ware een tuin, waarin je de vruchten plukt die op dat moment rijp zijn om geplukt te worden.
Kun je dan alle kanten uit met een willekeurige tekst? Zo lijkt het soms. Maar altijd blijft de eenvoudige betekenis vooropgaan. Het verband met de eenvoudige betekenis behoedt voor willekeur.
Dat moeten we trouwens ook steeds bedenken als in het Nieuwe Testament teksten uit het Oude Testament worden geciteerd: hoe is de geactualiseerde betekenis verbonden aan de eenvoudige betekenis? Het Nieuwe Testament laat zich lezen als een levende uitleg van het Oude.” <
Ik ga er ongezien van uit dat er genre-overeenkomsten zijn.
Ik begrijp niet helemaal wat je bedoelt met genre-overeenkomsten. (Tussen welke genres zouden er overeenkomsten moeten zijn?)
Ik heb wel enige tijd geleden een artikel geschreven over het geboorteverhaal in het Lucas Evangelie dat ik in verband breng met een midrasj…
“in Groot-Brittannië zijn meer wetenschappers geweest die het Johannes-evangelie beschouwen als vroeg”
Geurt Henk van Kooten woont weliswaar nog in Nederland, maar doceert in Cambridge. En over die hoge of lage christologie zijn theologen nog lang niet uitgediscussieerd. Aan Paulus, Filippenzen of Johannes zit niet voor iedereen automatisch die hoge vast. Het ‘anti-joodse’ in Johannes wordt door velen ook vooral gezien als een interne discussie in vroege christelijke gemeenten, waarin mensen van joodse en heidense – ‘joden en Grieken’ – afkomst samenkwamen.
“in Groot-Brittannië zijn meer wetenschappers geweest die het Johannes-evangelie beschouwen als vroeg”
Dit maakt mij vooral nieuwsgierig welke (andere?) argumenten die wetenschappers hebben opgevoerd om dat idee te schragen. Zal ook wel achter een betaalmuur zitten…
“antieke beschrijvingen van verwoeste steden zijn doorgaans overdreven”.
Dit wordt eveneens opgemerkt in:
https://en.m.wikipedia.org/wiki/Sack_of_Thebes
zulks omdat de archeologische bewijzen (tot nu toe?) ontbreken.
In hoeverre antieke beschrijvingen van verwoeste steden overdreven zijn, komt m.i. ook aan de orde in een artikel van Yuval Levavi uit 2021 over de verwoesting van Babylon in 689 BCE, getiteld “The sound of silence: the destruction of Babylon by Sennacherib and the Babylonian Chronicles”, te vinden op internet.
Die kronieken schrijven over een totale vernietiging van de stad.
Heel veel kronieken en antieke teksten schrijven over totale vernietiging van steden. Maar het is vaak de vraag hoe letterlijk dat genomen kan/moet worden, en soms ook wel duidelijk dat de vernietiging beperkt was. Het is ook een kwestie van perspectief: verwoesten overheidsgebouwen, afvoeren of doden van bestuurders en opheffen van onafhankelijke status is in sociaal/politiek opzicht totale vernietiging, ook als een groot deel van de huizen blijft staan.
Het is ook van belang dat grootschalige sloop van gebouwen zonder moderne technologie een lastige en arbeidsintensieve opgave is, dat doe je niet zomaar even en is moeite die niet veel oplevert. Afbranden van bebouwing met dikke stenen en kleien muren is ook niet heel effectief, er blijft dan heel veel staan, en een dak is snel te vervangen.
Sorry, maar op de zeer schaarse informatie die hier wordt gegeven: wat is dit voor niveau om zoveel op te hangen aan één vers? Nergens wordt beweerd dat die poel permanent verwoest/dichtgegooid/wat dan ook is na zeventig n. Chr. De poel is zeker nog in gebruik geweest nadat Hadrianus de stad rond 135 n. Chr wel behoorlijk verwoeste én weet opnieuw opbouwde als Aelia Capitolina – rond het gebied van de poel is daar toen een tempel voor Asclepius neergezet. Of dat verder iets met het Johannes-evangeli te maken had laat ik in het midden, maar die poel lijkt altijd bekend te zijn gebleven.
Het hele verhaal rond die poel in Johannes is trouwens dermate legendarisch – een engel? Echt? En ook heel opvallend een van de verhalen van Johannes is die niet in de synoptische verhalen voorkomen.
Ook niet onbelangrijk: de Evangeliën zijn geen biografieën. Het zijn verhalen over hoe Jezus tot zijn kruisiging en -later? – opstanding kwam
En tenslotte: ‘Johannes’ is geen ooggetuigenverslag. Er wordt beweerd dat het teruggaat op de getuigenis van de ‘discipel die Jezus liefhad’.