Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes”

Winckelmann (2)

Winckelmann (door Anton von Maron)

Gisteren heb ik het leven van Winckelmann kort beschreven, vandaag wil ik het hebben over zijn oeuvre en zijn betekenis. Soms was de Duitse kunsthistoricus heel traditioneel, zoals in zijn Description des pierres gravées du feu Baron de Stosch uit 1760: een redelijk normale catalogus, die ook zijn voorgangers zouden hebben kunnen maken. Ook had hij, net als zijn tijdgenoten, nog een normaal brede onderwerpskeuze: weliswaar was hij enthousiaster over de Griekse kunst dan over de oud-Oosterse culturen, maar in de Geschichte der Kunst des Altertums behandelde hij toch ook de kunst van de Egyptenaren, Feniciërs, Perzen en Etrusken.

Het vernieuwende zit in de brug die Winckelmann sloeg tussen enerzijds de welbeschouwd zielloze beschrijvingen van voorwerpen en anderzijds de ideeën van de Verlichting. Hij stelde namelijk dat er een soort ideale kunst bestond en probeerde vervolgens te verklaren door welke maatschappelijke factoren deze was ontstaan. Zijn poging schoonheid te definiëren aan de hand van vaste criteria komt op ons wat bizar over, maar de toenmalige kunstkenners keken er niet van op. Ze keken evenmin op van Winckelmanns opmerkingen dat het lichaam van een man mooier was dan dat van een vrouw, dat het lichaam het beste zonder versiering kon worden afgebeeld (lees: naakt) en dat het beter was als emoties beperkt bleven. Emoties waren immers tijdelijk en de ware, eeuwige schoonheid bleef onverstoord door tijdelijke passies. Niets was Winckelmann een grotere gruwel dan de sculptuur van Gian Lorenzo Bernini, die hij in Rome dagelijks moet hebben gezien en die volgens hem alleen een ongeschoold publiek zou kunnen imponeren en dan ook nog kortstondig. (Ik moet altijd aan dit oordeel denken als ik het Groninger Museum zie. Saai.)

Lees verder “Winckelmann (2)”

Winckelmann (1)

Winckelmann (Walhalla, Regensburg)

De invloedrijkste oudheidkundige aller tijden? Dat was Johann Winckelmann (1717-1768). Geen twijfel mogelijk. Niet alleen stampte hij min of meer in zijn eentje de kunstgeschiedenis uit de grond, hij gaf het vak ook een grotere missie en schiep zo een nieuwe culturele identiteit voor Europa. De prestatie is des te indrukwekkender als we bedenken dat hij werd geboren als schoenlapperszoon en zijn leven lang een buitenstaander bleef. Maar juist het feit dat hij er altijd een beetje naast stond, maakte dat hij kon uitgroeien tot een wetenschapper van het kaliber-Newton.

Een outsider dus, die alleen naar de universiteit kon gaan doordat hij zich aanvankelijk toelegde op theologie, het enige vak waarvoor destijds studiebeurzen aan arme studenten werden verstrekt. Eenmaal afgestudeerd had hij een reeks onderwijsaanstellingen, spaarde hij om natuurwetenschappen te studeren, bezocht hij de Antikensaal in de Saksische hoofdstad Dresden en las hij alles wat los en vast zat.

Lees verder “Winckelmann (1)”

Venus van Milo

De Venus van Milo (Louvre, Parijs)

Het beeld hierboven – het derde in mijn eindejaarsreeks over museumstukken die niet waren wat ze leken – is wereldberoemd: de Venus van Milo. U mag ook “Afrodite van Melos” zeggen, wat wellicht passender is. Het is immers een Grieks beeld, gevonden op een Grieks eiland (Melos dus) en vooral: het speelt een rol in een discussie over welke Griekse kunst het waardevolst was. Om de inzet daarvan te begrijpen, moeten we even terug naar de achttiende eeuw, naar iemand over wie ik al vaker heb geblogd: Winckelmann, de man die de Griekse kunst in het middelpunt van de artistieke belangstelling plaatste. Omdat het kerstmis is en ik het mezelf niet moeilijk wil maken, citeer ik eerst mezelf.

Waarom was de absolute schoonheid ontstaan in Griekenland? Wat maakte dat land anders dan Egypte, Fenicië, Perzië en Etrurië? Winckelmann zocht het in het gematigde klimaat, waardoor de bewoners naakt konden sporten. Aangezien in gezonde lichamen gezonde geesten gedijen, ontwikkelden de Griekse kunstenaars een ongebruikelijk groot vakmanschap. Bovendien konden ze natuurlijk niet anders dan geïnspireerd raken door de aanblik van al die naakte atleten. Dezelfde gezonde geest bevrijdde zich bovendien, anders dan in de oosterse despotieën, van allerlei beperkende politieke tradities. Artistieke innovatie en vrijheid waren dus twee kanten van dezelfde medaille.

Lees verder “Venus van Milo”

Casanova

Casanova
Casanova

Ze schijnen echt te bestaan, mensen die nooit de memoires van Casanova hebben gelezen. En dat is natuurlijk vreemd. Het kan gebeuren dat ouders verzuimen hun kinderen kennis te laten maken met Jules Verne; niet iedereen heeft de middelen voor de aanschaf van het verzameld werk van W.F. Hermans; er zullen buitengewesten bestaan waar men geen Kuifje leest; natuurlijk mag je halverwege De toverberg zeggen dat het te saai is om verder te lezen. Dat kan allemaal, dat mag ook allemaal, maar dat er mensen zijn die nooit iets hebben gelezen van Casanova, dient te gelden als ernstige misstand.

Een maatschappelijke misstand, want een individuele keuze kan het niet zijn. Wie kennismaakt met de autobiografie van Casanova, leest haar uit. Het is hét hoogtepunt van de achttiende-eeuwse Europese letteren. Als mensen de twaalf delen niet allemaal lezen, kan dat alleen komen doordat hun nooit is verteld hoe geweldig boeiend Casanova is en het achterhouden van zulke informatie is gewoon asociaal wangedrag. Een ernstige misstand dus waarover, zelfs in de jaren waarin Jan Peter Balkenende hamerde op het belang van nette maatschappelijke omgangsvormen, nooit ook maar één Kamervraag is gesteld.

Lees verder “Casanova”

Dood in Triëst (2)

Cenotaaf van Winckelmann (Triëst)

[Dit is het tweede en laatste van mijn stukjes over de dood van Winckelmann, de grondlegger van de kunstgeschiedenis. Het eerste is hier.]

De relatie tussen Winckelmann, die in Italië verbleef, en zijn Duitse vaderland was niet optimaal. De keurvorst van Saksen, die hem ooit een jaargeld ter beschikking had gesteld om in Italië te studeren en kunst aan te kopen voor het museum in Dresden, had dat ook weer ingetrokken en hoewel de geleerde snel genoeg nieuw emplooi had gevonden, voelde hij zich niet op waarde geschat. Een sollicitatie in Pruisen was afgesprongen op de spaarzaamheid van Frederik de Grote (of de hoge looneisen van de oudheidkundige). Maar in 1768 besloot Winckelmann. eenenvijftig jaar oud, de reis over de Alpen te maken.

Lees verder “Dood in Triëst (2)”

Dood in Triëst (1)

Mengs’ portret van Winckelmann

Dertien jaar geleden: ik was op weg naar Rome, of eigenlijk Ostia, waar ik gedurende een paar weken wilde werken aan een boek. Het werd een gouden tijd, onvergetelijk doordat AS Roma landskampioen werd. De pret begon echter al op de heenweg: we reden om over Udine omdat we naar het eiland Krk wilden. Niet dat er iets is te zien, maar mijn reisgenoot en ik waren als kind, bladerend door de atlas, al gefascineerd geraakt door een plaatsnaam zonder klinker.

Tenzij u kikt op zwaarlijvige Duitsers die in een te kleine zwembroek op een scooter over de boulevard crossen, kan ik u Krk niet aanraden. Triëst des te meer. Het is de laatste Italiaanse stad voor je Slovenië binnenrijdt. De Porto Vecchio, het Romeinse amfitheater en de witte wijn bij de lunch schieten me als eerste te binnen, maar we kwamen voor het graf van Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), de grondlegger van de kunstgeschiedenis.

Lees verder “Dood in Triëst (1)”

Op zoek naar schoonheid

Een van de leukste aspecten van de oudheidkunde is haar geschiedenis. Ik wil andere vakgebieden in dezen niet tekort doen, maar het aantal prettig gestoorde mafketels in de oudheidkundige vakgebieden is opvallend hoog.

In de achttiende eeuw meende men dat de oude Grieken hadden ontdekt wat echte schoonheid was. Helaas was niemand het erover eens wat deze nu precies inhield. De Duitse geleerde J.J. Winckelmann (1717-1768) legde daarom lijsten aan van wat mooi was en wat niet. Het lichaam van een man was mooier dan dat van een vrouw, oordeelde hij. Een mens kon maar het beste zonder versiering (lees: kleren) worden afgebeeld. Sommige criteria zijn bepaald opmerkelijk: de rechter teelbal diende groter te worden afgebeeld dan de linker, aangezien men met het rechteroog ook scherper ziet.

Lees verder “Op zoek naar schoonheid”