Zeg “Sapfo” en er volgt onzin

Sappho (Capitolijnse Musea, Rome)
Sappho (Capitolijnse Musea, Rome)

Zeg “Sapfo” en er volgt onzin. Sapfo en onzin horen bij elkaar als Jip & Janneke, Suske & Wiske, Peppi & Kokki, Bassie & Adriaan, Wizzy & Woppy, Samson & Gert. Het is niet anders.

Twee jaar geleden was het De Volkskrant die zich waagde aan de oud-Griekse dichteres en dus onzin publiceerde: namelijk dat enkele pas ontdekte Sapfo-fragmenten authentiek moesten zijn omdat de inkt met een spectrometer zou zijn gedateerd. Nu kunnen forensisch onderzoekers inderdaad inkt tot een dag of tachtig oud dateren, maar die methode kan niet worden toegepast op inkt van twee millennia oud. Wat De Volkskrant over spectrometrisch dateerbare inkt meldde, was klinkklare kletskoek.

Vandaag waagde het NRC Handelsblad zich aan Sapfo en dus publiceerde de krant onzin: de onlangs door twee Texaanse onderzoekers geopperde theorie dat fragment 168b astronomisch valt te dateren.

Lees verder “Zeg “Sapfo” en er volgt onzin”

Het boek is dood. Morsdood.

(klik=groot)
(klik=groot)

Ik weet heus wel dat de boekenrubriek in een krant een bijzaak is. Over vijf jaar worden boeken besproken in de lifestylebijlage. Dat is onvermijdelijk en wie daar nog over moppert is eigenlijk een zeurpiet. Het boek heeft zijn beste tijd gehad als medium in het culturele debat.

Ik heb me daarbij neergelegd. Het boek dat ik vandaag afrondde, zal mijn laatste zijn. Internet is sneller, staat meer zelfcorrectie toe en bereikt meer mensen. Met het verdwijnen van het boek gaat iets van waarde verloren, zeker, maar het is zoals het is.

En toch.

Toch komt het hard aan dat je van de website van het NRC Handelsblad, dat zich toch presenteert als een krant met hart voor cultuur, niet meer meteen kunt doorklikken naar de boekenblog. De kookrubriek, de achterpagina en de bij mijn weten afgelopen WK voetbal zijn voor het NRC Handelsblad belangrijker.

Zó dood is het boek dus al. Het is hard gegaan.

 

PS

Geruchten over de dood van het boek blijken grotelijks overdreven. De krant laat me net weten dat de link per ongeluk is verwijderd en wordt hersteld. De boekenblog is dus toch nog iets waarmee de krant zich wil presenteren. Laten we hopen: nog heel lang.

Gevloerde kerken

advHet is wat gratuit, dat eeuwige geklaag over de ondergang van het NRC Handelsblad. Niemand dwingt je op zaterdag de lifestyle-bijlage te lezen. Je hoeft haar zelfs niet te kopen: ik was althans laatst in een winkel die de krant op zaterdag met en zonder Lux aanbood. De krant zonder kostte evenveel als de krant met, maar de winkelier had de bijlage alvast bij het oud papier gelegd. Service van de zaak.

Dit gezegd hebbende doe ik nu dan toch ook een duit in het zakje. Zie de advertentie hierboven, uit de krant van 11 juni. Met NRC Reizen kunt u naar Jordanië. Een mooi land, daar niet van, maar wie denkt men in vredesnaam te bereiken met het onderstaande proza?

Lees verder “Gevloerde kerken”

Jubileum

gevelsteen_hand

Zesentwintig maanden geleden ben ik begonnen met deze blog en dit stukje is het duizendste dat ik publiceer. Eigenlijk het duizend-en-tweede, maar ik heb twee stukjes over de Kruistochten weer weggehaald, omdat mediëvist Henk ’t Jong me uitlegde dat ik een mystificatie niet had herkend.

Duizend stukjes in zesentwintig maanden komt neer op 1¼ stukje per dag. Dat lijkt indrukwekkender dan het is, want de eerste maanden heb ik ook oud materiaal online geplaatst, omdat ik een plek nodig had waar al die stukken bij elkaar staan. Dat zal overigens nooit lukken, want mijn recensies in het NRC Handelsblad zitten achter de betaalmuur van die krant.

Lees verder “Jubileum”

Journalistieke gewetenskwesties

Een paar keer per jaar schrijf ik een boekrecensie voor het NRC Handelsblad. Meestal gaan die stukjes over boeken over de Oudheid, en dat kan wat problematisch zijn. Hieronder drie kwesties.

1.

Het wereldje van classici, oudhistorici en archeologen is niet groot en het kan gebeuren dat je een boek te recenseren krijgt waarvan je de auteur wel eens hebt ontmoet. Dat ik niet ben verbonden aan een universiteit en geen lid ben van het Nederlands Klassiek Verbond, maakt die kans behoorlijk kleiner, maar soms loop je toch tegen het probleem aan. Zo stuurde de krant me een tijdje geleden Romeinen. Kleding uit de Romeinse tijd in Noordwest-Europa van Sjef Verstraaten. We hebben vorig jaar allebei een toespraakje gehouden op de Romeinenmeeting in Nijmegen en bovendien bevatte Verstraatens boek bijdragen van mensen met wie ik bevriend ben. Hier begonnen de belangen behoorlijk door elkaar te lopen.

Belangenverstrengeling moet je vermijden. Een auteur heeft niets aan bevooroordeelde kritiek, een recensent wordt niet graag beschuldigd van vooringenomenheid en vooral: het is voor een krant schadelijk als haar onafhankelijkheid ter discussie staat. Lezers kunnen heel boos worden als hun vertrouwen wordt beschaamd. Ik heb eens een mevrouw gesproken die haar krantenabonnement had opgezegd nadat ze, overtuigd door een positieve bespreking, een Griekse vertaling had aangeschaft en bij het lezen van de inleiding ontdekte dat de recensent een medewerker was van de vertaler.

Ook zonder dit voorbeeld van hoe het niet moet, aarzelde ik of ik Verstraatens boek moest bespreken. Daarom opperde ik bij de redactie dat ze een andere recensent zou vragen. Dat kon echter geen echte oplossing zijn, omdat ook deze alle betrokkenen kende. Een wijze redacteur stelde daarop voor dat ik het boek zou benutten als aanleiding om het wonderlijke verschijnsel re-enactment aan een wat breder publiek uit te leggen, en zo is het uiteindelijk ook gegaan.

Zou zo’n uitweg er niet zijn geweest, dan hoort een recensent een belangenverstrengeling in zijn stuk aan te geven. Dat heet een “full disclosure” en voorbeelden uit eigen oeuvre vindt u hier en daar. Het achterwege laten is een serieuze zaak: als iemand een negatieve bespreking krijgt van een recensent die de verstrengeling van belangen niet heeft aangegeven, zal de Raad voor de Journalistiek de criticus zeker berispen.

2.

Een ander probleem waar je als recensent van boeken over de Oudheid wel eens mee te maken krijgt, is dat de oudheidkunde, zoals elke wetenschap, onbediscussieerde vooronderstellingen heeft. (In jargontermen: ze maken deel uit van de negatieve heuristiek van het onderzoeksprogramma.) De reden voor het niet-bediscussiëren is vrij simpel: als wordt erkend dat bijvoorbeeld een vergelijking tussen toen en nu problematisch is, zal de subsidiegever kritische vragen gaan stellen. De institutionele inbedding van de wetenschap verhindert dus bepaalde vormen van zelfkritiek. (Dit probleem zou overigens in hoofdletters bovenaan elke academische agenda moeten staan, maar dat terzijde.)

De onbespreekbaarheid van omstreden vooronderstellingen is niet slechts een academische kwestie. Er zijn, zeker bij het Handelsblad, vrij veel hoogopgeleide lezers die herkennen hoe problematisch het is als een classicus een vergelijking maakt tussen een primitieve agrarische samenleving en een postindustriële maatschappij. Wat voor een classicus vanzelfsprekend is, is dat niet voor een socioloog. En – om een voorbeeld uit een recent blogstukje aan te halen – wat voor een astronoom de logische manier is om een antieke bron te lezen, wordt omver geblazen door een eerstejaarsstudent geschiedenis, theologie of klassieke talen.

Hoe nu te recenseren? Ik heb rekening te houden met de bedoelingen van de auteur, die het ook niet kan helpen dat zijn vakgebied discutabele vooronderstellingen heeft. Dan zou ik moeten doen alsof er niets aan de hand is, en er zijn boeken waarbij dat lukt. Ik moet echter tevens rekening houden met de belangen van de lezer, die gewaarschuwd moet worden dat het boek de aanvaarding veronderstelt van omstreden vooronderstellingen.

In een krant geeft uiteraard het belang van de lezer de doorslag. Voor recensies door mensen die dezelfde vooronderstellingen delen, zijn er wetenschappelijke tijdschriften. Toch vind ik dat ik wel een béétje rekening moet houden met de auteur. Ik heb de spanning tussen de twee belangen verschillende keren aangegeven in mijn stukjes (voorbeeld), maar eigenlijk is er geen oplossing. De kwestie is immers kenmerkend voor de hedendaagse informatie-infrastructuur in het algemeen: onze kennis is, met een woord van Bas Heijne, gefragmenteerd geraakt.

3.

Een derde kwestie is universeel en van alle tijden: het beperkte aantal woorden. Daar heeft elke journalist mee te maken, bij ieder stukje, en klachten daarover behoren tot de vakfolklore. De oudste mij bekende vermelding van deze moeilijkheid vond ik in de Post van den Neder-Rhijn en dateert uit de jaren tachtig van de achttiende eeuw.

Dit probleem speelt bijvoorbeeld bij het stuk waar ik vandaag de laatste hand aan leg, een recensie van Toneel in de Oudheid, de mooie uitgave waarmee het Nederlands Klassiek Verbond en het tijdschrift Hermeneus dit jaar een jubileum vieren. Dat ik hoofdauteur Hein van Dolen – overigens een bekende van me – bij naam zal noemen, is vanzelfsprekend. Zijn coauteurs (Patrick Gouw, Wolfgang D.C. de Melo en Hans Smolenaars) verdienen ook vermelding, en omdat de beeldredactrice prachtwerk heeft geleverd, zou ook zij moeten worden genoemd. Ze heeft zeker niet minder werk verricht dan de drie coauteurs. Als ik vijf namen noem, wordt het echter oneerlijk als ik niet tevens de eindredactrice vermeld, want het boek wordt nadrukkelijk gepresenteerd als samenwerking van vier auteurs en twee redactrices. Alleen: het is erg ongebruikelijk in een bespreking in te gaan op het redactionele werk. (Dat gebeurt eigenlijk alleen als het zo slecht is dat de informatieoverdracht erdoor wordt gehinderd.) Los daarvan is het gewoon zonde van de ongeveer 700 woorden die ik ter beschikking heb, een volledige alinea te besteden aan het introduceren van zes medewerkers.

Deze kwestie mag dan al dateren uit de achttiende eeuw, de twintigste eeuw gaf ons gelukkig de transistor, de computer, het internet, hypertext, het wereldwijde web en de eerste weblogs. De resulterende verandering van de informatieoverdracht pakt voor de journalistiek niet goed uit en is voor de oudheidkunde zelfs catastrofaal (meer…). Maar er is één voordeel: journalisten zijn online niet gebonden aan een maximumaantal woorden, zodat ik deze plaats kan gebruiken om naast de auteurs van Toneel in de Oudheid ook de redactrices eens met ere te noemen: beeldredactrice Elly Jans en eindredactrice Thea L. Heres hebben puik werk geleverd.

Is dit wel een ongelukje?

We verlaten het universum en gaan naar een ander heelal. Da’s inderdaad een heel groot verhaal. En het is dus onzin. De Voyager verlaat het zonnestelsel, wat al spectaculair genoeg is.

Ik denk dat als je de krant vraagt hoe zo’n fout nu op de voorpagina kan komen, men zal antwoorden dat het een ongelukje was. De kop van het (overigens uitstekende) stuk was “aan de grens van het heelal” en degene die voor de voorpagina een verleidelijke samenvatting moest maken, dacht dat het de buitengrens was. En vervolgens heeft er niemand meer naar gekeken. Zoiets zal het wel zijn.

Toch bevredigt dat antwoord niet. Ik vermoed dat een rol speelt dat wetenschap geen populair onderwerp meer is. De politiek negeert de conclusies sowieso, de betrokkenen zelf komen te vaak verkeerd in het nieuws, de bureaucratische wijze waarop bijv. KNAW-mensen trots zeggen dat Nederland de meeste publicaties in internationale tijdschriften heeft, stoot mensen vooral af. Wat resteert is onverschilligheid. En die werkt slordigheden als de bovenstaande in de hand.

Of misschien is het iets anders. Als het om wetenschappelijk nieuws gaat, zetten journalisten hun kritische instincten wat lager. Als een politieke partij iets beweert of als een groot bedrijf komt met jaarcijfers, dan weet je als journalist dat je moet doorvragen en dat wantrouwen noodzakelijk is. Dat geldt natuurlijk ook voor de wetenschap – ik heb op deze blog al wel eens aangegeven dat archeologische persberichten vaak overdreven claims bevatten – maar blijkbaar hebben journalisten daarin toch meer vertrouwen, zodat men, als het ware in slaap gesust, alsnog slordigheden begaat.