De Vorst van Oss (in Oss)

Het zwaard van de Vorst van Oss

De beruchte uitspraak van staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra dat hij niet wist wat hij had aan musea vol lokaal opgegraven potten en pannen, had betrekking op museum Jan Cunen in Oss. Ik moest onwillekeurig aan al die misplaatste minachting denken toen ik dat museum onlangs bezocht. Er is momenteel namelijk een geslaagde expositie over de Vorst van Oss, over wie ik al eerder blogde. Het is nieuws dat de Vorst nu in Oss is, want de inhoud van zijn graf ligt normaliter niet in Oss maar in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Het RMO buiten Leiden

De Osse expositie is om twee redenen interessant. In de eerste plaats natuurlijk om het onderwerp: een rijk graf uit de Vroege IJzertijd. Gevonden in 1933 en herontdekt in 1997 is dit een juweeltje van de Nederlandse archeologie. En in de tweede plaats omdat dit een van de eerste is uit een reeks exposities waarbij voorwerpen uit het Leidse museum gaan naar de plaats van herkomst.

Lees verder “De Vorst van Oss (in Oss)”

Vragen rond de jaarwisseling (2)

Zie de zesde van de vragen hieronder: een versierd scheermes uit het Bardomuseum in Tunis.

Stuur uw vragen maar in, schreef ik, en wie weet of ik ze beantwoorden kan rond oud en nieuw. Gisteren beantwoordde ik de eerste vier vragen. We gaan vandaag verder.

5.Vraag via de mail: Ik ben nieuwsgierig naar de omgang met hongersnood, alternatieven voor voedsel, directe en indirecte gevolgen.

Het boek daarover is van Peter Garnsey en heet Famine and Food Supply in the Graeco-Roman World. Als er alternatieven zijn geweest voor voedsel, dan heb ik daar overheen gelezen. Garnsey constateert dat we geen harde cijfers hebben en gebruikt statistieken uit het Ottomaanse Griekenland. Daaruit leidt hij af dat de oogst eens in de vier jaar mislukte (voedselschaarste). Dan hielp men zich met importen en zorgde men dat er voldoende zaaigoed was voor het volgende jaar. Een wijze stad hield een strategische voorraad aan; in het keizerlijke Rome lag altijd voor een jaar extra voedsel.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (2)”

Hunebed van de dag: D42 (Westenesch-Noord)

Hunebed D42 op de Westenesch

’s Neêrlands op acht na zuidelijkste hunebed ligt even ten westen van Emmen en heet D42. Herman Clerinx schrijft in Een paleis voor de doden dat

dit het enige Nederlandse hunebed is waarvan de toegang werd gevormd door een gang met aan beide zijden liefst drie paar poortzijstenen. Maar daarvan valt helaas niet veel meer te zien; het hunebed is groot maar onvolledig.

Sterker, van die tweemaal drie poortstenen resteren alleen de kuilen. Maar groot is het zeker! Het is op een span na zeventien meter lang en is 4½ meter breed. De hunebedbouwers leverden geen half werk hier. Het ligt bovendien prachtig in de bosrand, aan het einde van de westelijke es van Emmen. Het gebied heet ook wel Stiencamp. In feite een van de mooiste plekken om verliefd te worden op het Drentse landschap.

Lees verder “Hunebed van de dag: D42 (Westenesch-Noord)”

Irak kort (4): Kapper

Wat ook opvalt: in Irak zijn jonge mannen vaak scheermesscherp geknipt. Oké, helemaal à la Belle Poule is het niet, maar regelmatig is hun gitzwarte haar torenhoog opgeknipt. Piekfijn verzorgde baarden doen je concluderen dat iedereen hier hipster is. Ik heb ook dames gezien met kapsels die bewerkelijker waren dan ik in Europa ooit zag.

Een echte verklaring heb ik niet kunnen verzinnen. Hoewel. Als mijn land net enige tijd bezet was geweest door een zogenaamd Islamitische Staat, en als die wilde dat iedere man een onverzorgde baard droeg, dan zou ik na de bevrijding van de weeromstuit ook een weekabonnement nemen op de kapper.

De vorst van Oss

Het graf van de vorst van Oss (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik was afgelopen zondag voor een lezing van Petra Sijpesteijn in het Rijksmuseum van Oudheden en maakte van de gelegenheid gebruik om de mooie Cyprusexpositie te bekijken en ook even te wandelen over de afdeling Nederlandse archeologie. Een aanleiding was er niet, maar die heb je natuurlijk ook niet nodig. En zo stond ik ineens voor de vitrine met het Vorstengraf van Oss.

Dat is een bijzonder iets. Het begint in de Bronstijd (2000-800 v.Chr.), als een enorme grafheuvel wordt opgeworpen. Doorsnede: ruim vijftig meter. Hoogte: drie tot vier meter. Fast forward naar de IJzertijd, zeg pakweg 650 v.Chr., als de mensen hun doden bijzetten in urnen. De mensen zoeken de oeroude grafheuvel op om daarin een voornaam persoon – we mogen hem “de vorst van Oss” noemen – bij te zetten. Ze graven een kuil en plaatsen daarin een soort emmer, een situla, met daarin de gecremeerde resten van de overledene. De emmer, eigenlijk een vat om wijn in te mengen, komt uit het oostelijk Alpengebied en is een kostbaar artikel.

Lees verder “De vorst van Oss”