Archeologie en het grote publiek

De slag bij de Milvische Brug (Reliëf op de boog van Constantijn)

Dankzij het wonder der mobiele telefonie kreeg ik onlangs een filmpje toegestuurd waarop een beginnend amateur-archeologe (“bijna zeven”) me een steen toont die ze heeft gevonden tijdens haar vakantie. Was dit iets van vroeger?

Met mijn goede vriend Richard werk ik nu aan een heus rapport waarin we uitleggen wat je dankzij één stuk beschilderde baksteen zoal kunt weten. Dat moet nog in kindertaal worden gesteld, maar u weet wel ongeveer waar het heen gaat. De temperatuur waarop de steen is gebakken vertelt iets over het technologisch peil: wie bakstenen kan maken, kan ook ijzer bewerken en glas maken. De chemische samenstelling van de klei zegt iets over de rivier waaruit deze is gewonnen, vermoedelijk in het stroomgebied van de Rijn, en aangezien dat niet de klei is van de regio waar de beginnende amateur-archeologe op vakantie is, is er een aanwijzing voor handel. Een scheikundige kan naar de synthetische verf kijken en zo voort en zo verder.

Lees verder “Archeologie en het grote publiek”

Aandachttrekkerij

Hoe NU.nl berichtte over iets dat geen nieuws was.

Nu maak ik alweer dertien jaar een nieuwsbrief met oudheidkundig nieuws. Die van juli verschijnt later vandaag. Ik verbeeld me dat ik in de loop der jaren een paar dingen in de smiezen heb gekregen, zoals dat oudheidkundigen persberichten niet gebruiken om zoveel mogelijk mensen zo snel mogelijk te voorzien van zo accuraat mogelijke informatie. Exposure is voor oudheidkundigen vooral een manier om te hengelen naar fondsen.

Als ik de Livius Nieuwsbrief maak, benoem ik dat misbruik. Helaas is geen aflevering compleet zonder dat ik de lezers erop moet wijzen dat iets als nieuws wordt gepresenteerd dat allang bekend is. Deze maand is er bijvoorbeeld de mededeling dat de Karthagers kinderoffers brachten, een conclusie die hier in Nederland bijvoorbeeld het onderwerp is geweest van de keurige Byvanck-lezing van alweer een paar jaar geleden (PDF). In het buitenland is dat niet anders. Daar is dit ook allang het onderwerp van keurige lezingen en keurige stukjes in keurige tijdschriften. Het bericht van deze maand is dus ronduit overbodig.

Lees verder “Aandachttrekkerij”

Alles van waarde is kwetsbaar (5)

We moeten het beste er maar van hopen. Wie weet komt er nog eens een feniks uit het vuur. (Gevelsteen, Sint-Luciënsteeg, Amsterdam)

De culturele sector is verward. Ik heb hierboven beschreven wat het einddoel is en wat nodig is om dat te bereiken, dat we dat niet halen en hoe dat komt. Hetgeen me brengt bij de samenvatting en een prangende vraag:

Voel ik me niet een beetje belachelijk dat ik vasthoud aan een ideaal dat onhaalbaar is?

Als ik mag samenvatten: er is iets waardevols aan het verdwijnen. Hoewel ik schrijf over de oude wereld en sommige problemen (zoals het feit dat de limes-organisaties alles verdubbelen) specifiek zijn voor mijn vak, denk ik dat een ander deel van wat ik heb verteld valt te generaliseren naar de gehele culturele sector en humaniora. Volgens mij hebben alle betrokkenen te maken met een reeks zo niet identieke dan toch vergelijkbare of in elk geval herkenbare problemen.

  1. Verlies van focus: de humaniora zijn er om je eigen denkbeelden te contextualiseren. Dat kan op allerlei manieren en hoeft niet iedere seconde centraal te staan, maar we moeten er wel op terug blijven komen.
  2. Een aanbod dat is gericht op het scheppen van belangstelling zonder dat er aanbod is dat die belangstelling rechtvaardigt. Anders gezegd, het ontbreekt aan een opbouw van de informatie, waardoor mensen er niet achter kunnen komen waar het feitelijk om draait. Hierdoor raken juist de meer geïnteresseerde mensen ervan overtuigd dat er geen diepgang is en werkt het aanbod averechts.
  3. Het ontbreken van proactieve bestrijding van wetenschapsscepsis (de “tweede lijn”)
  4. Als oorzaken van dit alles: interne verdeeldheid, de al sinds de jaren tachtig te korte opleidingen, afhankelijkheid van partijen met andere belangen (boekenbranche) of zonder veel inzicht (limes).
  5. Wetenschapsjournalisten die niet goed weten wat ze ermee moeten.

Ik vrees dat het laatste het belangrijkste is. Journalisten zijn een multiplier, die een signaal versterken en dus belangrijk zijn om een onderwerp over het voetlicht te krijgen. Als de journalistiek echter niet goed weet waar het echte nieuws zit, kan ze het verkeerde beeld versterken. Dat is met de Oudheid het geval.

Zoals ik beschreef zijn er twee vicieuze cirkels. Enerzijds besteden de media betrekkelijk weinig aandacht aan de humaniora omdat ze er weinig vertrouwd mee zijn, maar doordat het weinig aandacht krijgt, raken journalisten er ook niet mee vertrouwd. De eerste twee van de hierboven genoemde factoren veroorzaken nog een tweede cirkel: een onderwerp komt vooral aan bod met triviale feitjes en niet met wat er eigenlijk gebeurt, waardoor het onderwerp onderschat blijft en de pers er alleen naar kijkt om de gekke weetjes.

Ik heb hierboven zaken genoemd waarmee ik probeer uit die vicieuze cirkels te raken: ik ben betrokken bij “Oog op de Oudheid”, probeer methoden uit te leggen in Methode op Maandag en met filmpjes en ik geef in het boekje over Constantijn dat ik met Vincent Hunink maakte aan waar sommige voetangels en klemmen liggen. Ik denk echter dat er meer nodig is als we de structuur willen herstellen waarin we de humaniora goed over het voetlicht kunnen brengen.

Of is het te laat? Omdat de kwetsbaarheid deels “binnenin” zit en omdat degenen die de humaniora het meest zouden moeten verdedigen, niet altijd even effectief optreden, is hulp van buitenaf onontbeerlijk, maar ik vrees dat degenen die zouden kunnen helpen allang hebben geconcludeerd dat de bestudering van de Oudheid diepgang ontbeert en dat het niet de moeite loont je er werkelijk in te verdiepen. Ik weet niet of  we uit de vicieuze cirkels zullen komen.

Dus om de vraag te beantwoorden of ik mezelf niet een beetje belachelijk vind door vast te houden aan een ideaal dat onhaalbaar is – tja, ik denk soms van wel. Ik heb een aantal projecten te lang laten doorlopen, vaak tegen beter weten in, in de hoop dat we erin zouden slagen iets te verbeteren. Dat is zelden gelukt en dat maakt me wel een beetje belachelijk ja. Maar niet belachelijker dan iemand die in een zinkend schip vergeefs zegt dat er een lek is. Weliswaar verdrinkt iedereen dan toch en bereikt zo iemand dus niets, maar het komt me voor dat het beter is te hebben geprobeerd de zaak te redden dan te hebben weggekeken. Als dat belachelijk is, dan ben ik maar belachelijk.

Alles van waarde is kwetsbaar (4)

Je wordt soms wat neerslachtig.

De culturele sector is verward. Ik heb hierboven beschreven wat het einddoel is, wat er nodig is om dat te bereiken en dat we dat niet halen. Waardoor wordt het publiek almaar niet goed bereikt?

Waardoor loopt het spaak?

Om de zaken te herstellen, moeten we zien wat de oorzaken zijn. Eén factor is de verdeeldheid die onvermijdelijk voortvloeit uit het gegeven dat er allerlei uiteenlopende clubs zijn met verschillende belangstellingssferen en uiteenlopende prioriteiten. Dat er orientalistengenootschappen, archeologische werkgemeenschappen en klassieke verbonden zijn, is alleen maar logisch, maar het probleem is – en geloof me, ik spreek uit ervaring – dat het publiek vraagt om het geheel.

Het Drents Museum in Assen speelt daar goed op in: het toont het Meisje van Yde mét Tacitus. Wie immers alleen archeologie doet of alleen de oude talen, is als iemand die op een piano alleen de witte of alleen de zwarte toetsen bespeelt. Een vak als “publieksarcheologie”, hoe sympathiek ook, heeft een naam die in feite een contradictio in terminis is, want het publiek wil de gehele Oudheid (of Middeleeuwen, of Prehistorie) en niet “de Oudheid zoals bestudeerd aan de hand van alleen de materiële cultuur”. Er zijn heel goede redenen om je te beperken tot een van de wetenschappelijke disciplines, maar je stemt je aanbod dan slecht af op de vraag.

Lees verder “Alles van waarde is kwetsbaar (4)”

Alles van waarde is kwetsbaar (3)

Journalisten zijn niet vertrouwd met de Oudheid. Bij de NU.nl vinden ze alles wat oud is hetzelfde. Dit plaatje zit er dertien eeuwen naast, alsof je een afbeelding van Karel Martel gebruikt voor  Mark Rutte.

Zoals ik gisteren aangaf is de culturele sector verward. Wat willen we ook alweer, wat is daarvoor nodig? Ik gaf gisteren aan dat het draait om een goede opbouw: je moet mensen niet alleen belangstellend maken, je moet ze ook informatie bieden die de gegroeide belangstelling rechtvaardigt. Anders roep je vooral teleurstelling op. Helaas gaat dit in mijn vakgebied, de bestudering van de Oudheid, nogal eens mis.

Wat is de situatie?

De structuur die we behoren te hebben om de oude wereld uit te leggen, ontbreekt. Het weinige dat er aan verdieping is, is moeilijk te vinden. Evenmin is er een tweede lijn. Wat er wél is, is de allereerste fase, waarin we aandacht proberen te vragen. Helaas gebeurt dat ook op weinig verrassende wijze. Dat kan ik vrij gemakkelijk nakijken, want ik stel elke maand een digitale nieuwsbrief samen waarin ik alles (nou ja, veel) samenbreng van wat er in de voorafgaande maand online is geweest. Dat is eigenlijk steeds hetzelfde:

Lees verder “Alles van waarde is kwetsbaar (3)”

Bemmel – niks “noordelijkste villa”

(foto Rijkswaterstaat)

Leuk archeologie-nieuws gisteren: bij Bemmel, even ten noordoosten van Nijmegen, is een belangrijk Romeins grafveld gevonden. U leest er hier meer over, een stukje dat gisteren op de website van De Volkskrant bovenaan het lijstje “meest gelezen” stond. Terecht, want het is echt een mooie ontdekking.

Er is echter wel een probleem. Er zit een koe van een fout in het bericht en die is niet gemaakt door de journalist. De fout is overgeschreven uit het persbericht van Rijkswaterstaat dat u hier vindt. Het gaat over de rijkdom van de grafcultuur en de bijbehorende grafgiften, die …

betekent dat er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een Romeinse villa in de nabijheid moet liggen; wellicht de meest noordelijke in het Romeinse rijk.

Lees verder “Bemmel – niks “noordelijkste villa””

Oudheidkundige aandachttrekkerij

IJzertijdmuur in Jeruzalem

In de negende en achtste eeuw v.Chr. waren er in wat nu Israël heet twee koninkrijken: het machtige Israël in het noorden en het wat minder machtige Juda in het zuiden. Het noordelijke rijk was internationaal georiënteerd, profiteerde van de olijfolie-export en was het eerste slachtoffer van de Assyrische expansie. In 722 veroverden de Assyriërs de Israëlische hoofdstad Samaria. Ik heb er al een paar keer over geblogd (zoals, zoals).

Na de val van Samaria vluchtten veel noorderlingen naar het zuiden. De Judese hoofdstad Jeruzalem moest worden vergroot en de heuvel die moderne archeologen de “stad van David” noemen werd uitgebreid naar het westen. De nieuwe wijk werd omgeven met een stadswal. Ik heb al eens geblogd over de muur op de foto hierboven, die u kunt vinden in de Joodse Wijk van de moderne stad. In 701 weerstond deze muur de Assyrische belegering. Stomtoevallig blog ik daar aanstaande vrijdag over in mijn reeks n.a.v. de komende Nineveh-expositie in het RMO. Dat blogstukje is trouwens niet mijn eerste over die muur, want ik schreef er ook dit al eens over.

Lees verder “Oudheidkundige aandachttrekkerij”

Oud nieuws

Soms maakt een diepe verslagenheid zich van je meester

Dat was dus niet de bedoeling, dat ik nog veel zou schrijven deze week. Reeks museumstukjes, dat was het. Maar toen kwam dit: oudhistorica Mary Beard gaf een interview over haar nieuwe boek over het Romeinse Rijk, en wordt geciteerd met de opmerking dat ‘‘There is no such thing as the fall of the Roman Empire’’.

Dat. Weten. We. Al. Een. Kleine. Eeuw.

Ik ga het daarom niet uitleggen. Ik wijs er alleen op dat dit zoiets is als een interview met een geoloog die zegt dat de continenten niet onwrikbaar vast liggen, een deeltjesfysicus die opmerkt dat elektronen in specifieke banen om de atoomkern draaien, een arts die zegt dat suikerziekte beheersbaar wordt nu er iets bestaat dat “insuline” heet of een astronoom die zegt dat sterren hun energie halen uit kernfusie. U wordt behandeld alsof u nog leeft in de jaren twintig.

Lees verder “Oud nieuws”

Kwakgeschiedenis: Paulus’ visioen

Poster van het Syrisch toeristenbureau
Poster van het Syrisch toeristenbureau

Ik had een positief stukje over iets moois voor u klaarstaan, maar er is weer wat klinkklare wetenschap die moet worden weerlegd vóór ze in de krant komt. Dit keer schakelen we over naar de weg naar Damascus, twee kilometer ten oosten van het inmiddels beruchte vluchtelingenkamp Yarmouk: de plaats waar Saulus, de man die later Paulus zou worden genoemd, het visioen zou hebben gehad dat hem ertoe bracht christen te worden. Hier is het verhaal.

Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” Hij vroeg: “Wie bent u, Heer?” Het antwoord was: “Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.” De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand. Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet. (Handelingen 9.3-9).

Lees verder “Kwakgeschiedenis: Paulus’ visioen”